Een samenleving waarin burgers zich meer betrokken voelen bij de series die ze kijken dan bij de maatschappij waarin ze leven, is niet opgewassen tegen de collectieve uitdagingen waar we voor staan, waarschuwt cabaretier en filosoof Tim Fransen.
Laten we, nu het zomerreces van de Tweede Kamer voorbij is, even terugblikken op waar we voor de zomer waren geëindigd.
‘Voorzitter, dit kabinet is geen kleuterklas’, aldus onze kersverse premier Dick Schoof op 4 juli tijdens het debat over de regeringsverklaring. Na onder meer kinderachtige tweets uit vak K was het debat afgegleden tot de vraag of ons belangrijkste regerende orgaan nu wel of geen kleuterklas is. Geruststellend genoeg was het antwoord op die vraag volgens Schoof een resoluut ‘nietes’.
Tim Fransen is cabaretier en filosoof. Van hem verscheen onlangs het boek In onze tijd – Leven in het Calamiteitperk.
Essayauteurs hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Over het absurde tafereel dat zich die dag in de Tweede Kamer afspeelde, is veel gezegd en geschreven. Men vraagt zich af op welk niveau we zijn beland. Maar we zouden onszelf voor de gek houden als we zouden geloven dat dit het product was van een plotselinge ontwikkeling, ingezet na de meest recente verkiezingsuitslag. Eerder is dit een logisch eindpunt van een ontwikkeling die al veel langer gaande is.
Aan de basis van die ontwikkeling ligt een armoedige opvatting van wat democratie is, en wat zij van haar burgers vraagt. En hierbij zit er in de metafoor van een kleuterklas meer waarheid dan ons lief zou moeten zijn.
De opvatting van democratie die in de afgelopen decennia wijdverbreid is geaccepteerd, van de linker- tot de rechterkant van het politieke spectrum, is deze: in een liberale democratie leven mensen met verschillende levensovertuigingen naast elkaar.
In plaats van elkaar de tent uit te vechten over de juiste levensbeschouwing, heeft iedereen het recht en de vrijheid om daar als individu invulling aan te geven. Het doel van de democratie is daarom – volgens deze opvatting – eerst en vooral om al die individuele wensen en belangen in kaart te brengen en te kanaliseren in beleid.
Die nadruk op individuele rechten en vrijheden kan er makkelijk voor zorgen dat we uit het oog verliezen wat we met elkaar delen, en welke gezamenlijke verantwoordelijkheden daar bijpassen. Zo lijken de meeste mensen te zijn gaan geloven dat democratie betekent dat we eens in de vier jaar onze persoonlijke lobbyist aanwijzen in Den Haag die daar opkomt voor onze particuliere belangen. Democratie verwordt dan al gauw een systeem dat iedereen het recht geeft om zijn eigen zin door te drammen.
Het is niet alleen een armoedige opvatting van democratie, het is ook een opvatting waarmee we uiteindelijk de democratie zelf om zeep helpen. Want wat bij die verzameling van belangetjes tussen wal en schip valt, is nu juist datgene wat al die particuliere belangen overstijgt. Daaronder valt ook onze democratie, en alles wat ervoor nodig is om die overeind te houden.
Neem de voorgestelde btw-verhoging op cultuur, inclusief boeken en kranten. Een verhoging die een aantal opvallende uitzonderingen kent, bijvoorbeeld voor circussen en pretparken, deze blijven gewoon een laag btw-tarief houden. Veel links-progressieve critici zagen deze selectieve btw-verhoging als ‘rancuneus’ of het ‘treiteren van links’, nu de prijs werd verhoogd van dingen die vooral linkse mensen leuk zouden vinden. Nu lees ik persoonlijk in mijn vrije tijd ook liever een boek dan dat ik in Ponypark Slagharen rondbanjer, maar het al dan niet treiteren van links is niet de kern van het probleem.
Deze selectieve btw-verhoging legt iets fundamenteels bloot. Politiek beleid in het algemeen, en de btw-tarieven in het bijzonder, zouden moeten gaan over: wat willen we aanmoedigen en bevorderen in het belang van onze samenleving als geheel? En niet: wat vind ik persoonlijk toevallig een leuke hobby, en hoe kan ik die goedkoper maken?
Zo staat of valt een democratie bij een goed geïnformeerd electoraat. Momenteel verkeren we in een situatie waarin steeds meer leerlingen laaggeletterd van school komen en daardoor niet goed functioneren in de samenleving.
We verkeren in een situatie waarin landen als Rusland heel gericht – en met toenemend succes – een informatieoorlog tegen ons voeren, door bijvoorbeeld polariserend nepnieuws te verspreiden. In zo’n situatie zou je de btw op zoiets als dagbladen eerder volledig willen afschaffen, of op z’n minst willen verlagen, zodat zo veel mogelijk burgers toegang hebben tot betrouwbare journalistiek. Dat is een essentiële steunpilaar van een gezonde democratie. De kermis of de Efteling zijn dat niet.
Volgens de logica van dit kabinet zou het ook een goed idee zijn om de btw op chips en frisdrank te verlagen en die op groente en fruit te verhogen, omdat de meeste mensen chips en frisdrank nu eenmaal lekkerder vinden.
Op deze manier verwordt democratie tot een lege huls waarbij iedereen zijn zelfzuchtige wensen of verlangens probeert door te drukken, zonder dat we nog vragen stellen over de legitimiteit van die wensen. Simpelweg het hebben van een wens of een belang maakt het legitiem, zijn we gaan geloven.
Zo kijken wij er niet van op dat de VVD bij de laatste verkiezingscampagne een poster ophangt van Dilan Yeşilgöz geflankeerd door de tekst: ‘Aan jouw kant.’ Daarin klinkt niet de achterliggende vraag door: ‘Hoe ziet een leefbare, rechtvaardige samenleving eruit?’ Maar: ‘Hoe kun je jouw persoonlijke belang kracht bijzetten?’ (Overigens kun je je afvragen hoe het mogelijk is om aan iedereens kant te staan, aangezien een kant alleen kan bestaan bij de gratie van een andere kant. Maar dat soort filosofische vragen zijn aan de VVD klaarblijkelijk niet besteed.)
Hoe zijn we met deze armoedige opvatting van democratie opgezadeld geraakt? Tijdens de ideologische strijd van de Koude Oorlog zijn twee ideeën een onzalig huwelijk aangegaan: het idee van de liberale democratie enerzijds, en het westerse vooruitgangsgeloof anderzijds. Na de val van de Berlijnse Muur vierde het Westen triomfantelijk het ‘einde van de geschiedenis’, zoals de Amerikaanse filosoof Francis Fukuyama het noemde: de historische zoektocht naar het juiste politiek-economische model zou ten einde zijn gekomen. De liberale democratie werd niet voorgesteld als een breekbaar project dat onze collectieve inzet vereist, maar als een onvermijdelijk eindstadium.
Die triomfantelijke houding was ingebed in een breder vooruitgangsoptimisme: democratie zou de wereld veroveren en technologische vooruitgang zou onze maatschappelijke problemen oplossen. Tot slot zou de kapitalistische markteconomie voor welvaart zorgen, en bovendien de financiële prikkels leveren voor die technologische ontwikkeling. Eind goed, al goed. Links en rechts bakkeleiden vooral nog over in hoeverre de overheid die vooruitgang moest bijsturen.
De geleidelijke uitdijing van markteconomie naar marktsamenleving bracht de genadeklap toe aan de democratie als een gezamenlijk en solidair project. Burgers werden consumenten. De politiek werd onze klantenservice. Wij burgers hoefden ons niet meer verantwoordelijk te voelen. Zolang we binnen de grenzen van de wet bleven, konden wij onbekommerd ons privégeluk najagen en mocht de politiek onze rommel opruimen.
In deze gemakzuchtige opvatting van democratie zit de onvrede ingebakken. De politiek moet onze problemen oplossen, maar krijgt weinig speelruimte om dat te doen. Wij mogen er immers geen last van hebben.
Deze houding is ook terug te vinden onder links-progressieve denkers. Onder progressieve denkers is het nog altijd de norm om elk beroep op de burger af te doen als ‘ongewenst moralisme’: problemen moeten niet worden afgewenteld op de individuele burger, in plaats daarvan is stevig overheidsingrijpen van bovenaf nodig.
Dit is een ongeloofwaardig idee van democratische politiek. Op het moment dat burgers zichzelf zien als vrijgepleite consumenten, en vinden dat maatschappelijke problemen niet hun verantwoordelijkheid zijn, is het onwaarschijnlijk dat daar het soort politiek uit voortvloeit dat van hogerhand drastische maatregelen neemt.
Het geeft daarom niet alleen een ongeloofwaardig, maar ook een schizofreen beeld van hoe democratie werkt: alsof de politiek een vreemde, op zichzelf staande kracht is die niks met ons burgers te maken heeft. Die schizofrenie verklaart veel van de moerassige patstelling waarin we al jaren verkeren en waarin problemen zich steeds verder opstapelen.
Bij de laatste verkiezingen werd zelfs onbeschaamd de zondebokpolitiek weer uit de kast getrokken. Nu kun je een redelijk debat voeren over migratie, maar het ontstane beeld dat een groep kwetsbare asielzoekers de bron is van zo’n beetje alle problemen in dit land is net zo losgezongen van de realiteit als de singer-songwriterambities van mijn nichtje. (Sorry Babs.)
Om onszelf te herinneren aan wat een volwassen democratie behelst, kunnen we voor inspiratie terecht bij haar historische kraamkamer: de stadstaat van het oude Athene. Nu hoeven we de Atheense democratie niet te romantiseren, maar de oude Grieken hadden het voordeel dat ze hun politieke systeem niet zagen als het onvermijdelijke eindstation op de mars der vooruitgang. Zij realiseerden zich maar al te goed dat democratie een breekbare en veeleisende vorm van politiek is.
De (mannelijke) Atheense burgers roemden hun democratie om één eigenschap in het bijzonder: vrijheid. Ook wij Nederlanders zijn van alle dingen, zo blijkt uit onderzoek van het SCP, het meest trots op ‘onze vrijheid’. Maar zoals hoogleraar moderne geschiedenis Annelien de Dijn mooi laat zien in haar boek Vrijheid. Een woelige geschiedenis, bedoelden de oude Grieken daar vrijwel het tegenovergestelde mee als wij nu.
Als wij over vrijheid spreken, dan bedoelen we vooral: de vrijheid om in alle rust van ons leven en ons eigendom te genieten, zonder bemoeienis van anderen (inclusief de Staat). Kortom: de vrijheid om te doen waar je zin in hebt. In de Griekse democratie vierde men daarentegen de vrijheid van collectief zelfbestuur. Met andere woorden: de vrijheid van een volk om zelf te kunnen bepalen onder welke wetten en regels het wil leven, in plaats van onder het juk van een tiran of een rijke elite.
De Griekse opvatting van vrijheid was daarmee onlosmakelijk verbonden met een besef van gemeenschappelijke verantwoordelijkheid. Wij beroepen ons juist vaak op onze individuele vrijheid om ons van verantwoordelijkheid vrij te pleiten. (‘Ik bepaal zelf wel hoeveel gehaktballen ik eet, hoeveel vliegreizen ik maak en hoeveel fast fashionik koop.’)
Even veelzeggend is ook de Griekse oorsprong van ons woord voor politiek. Met politikos bedoelden de Grieken het gehele maatschappelijke domein, dat wat betrekking heeft op de stadstaat: de polis. Politiek heeft dus betrekking op alles wat ons gezamenlijk aangaat. Het is niet iets wat je kunt uitbesteden aan een handvol beroepspolitici, terwijl de rest zich onbekommerd kan wentelen in zijn individuele rechten en vrijheden.
Zelfs de Godfather van de liberale democratie Fukuyama zelf, geeft toe in zijn meest recente boek Het Liberalisme en zijn schaduwzijden (2022) dat de nadruk op individuele rechten en vrijheden in veel democratische landen ten koste is gegaan van een betrokkenheid bij the common good. Een samenleving waarin burgers zich voornamelijk bekommeren om hun cryptowallet of vastgoedportefeuille, genoegen nemen met de desinformatie die sociale media hun voorschotelt, en die zich meer betrokken voelen bij de series die ze kijken dan bij de maatschappij waarin ze leven, is niet opgewassen tegen de collectieve uitdagingen waar we voor staan.
Democratie is ongeschikt voor kleuters die niet verder denken dan hun eigen zin. Democratie vraagt om een volwassen houding van verantwoordelijkheid. Die houding zal moeten vertrekken vanuit het besef dat de democratie een arbeidsintensief en daarmee kwetsbaar systeem is. In een democratie is in feite niemand eindverantwoordelijk.
We hebben weliswaar een koning, maar die heeft ongeveer net zoveel macht en invloed als Jort Kelder. We hebben een premier, maar die kan op elk moment het werk neerleggen en een veel hoger salaris aannemen bij Dr. Oetker (of in het geval van de 67-jarige Dick Schoof: van zijn rechtmatige pensioen gaan genieten, mocht hij ineens tot de conclusie komen dat premier zijn van een kleuterkabinet niet gelukkig maakt). Uiteindelijk dragen wij burgers met z’n allen de eindverantwoordelijkheid. Als het misgaat, is er niemand om ons te redden.
Betrokkenheid bij the common good is geen overbodige luxe of een gezelligheidsproject. Het besef dat we in hetzelfde schuitje zitten is een noodzakelijke voorwaarde om de liberale democratie overeind te houden. Inclusief de rechten en vrijheden die zij ons gunt.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant