Luzi Peelen-Kornthal is 100 jaar. Hoe kijkt deze overlevende van de Holocaust terug op de eeuw die achter haar ligt?
Luzi Peelen-Kornthal is een innemende vrouw met een indrukwekkend levensverhaal. Dat vertelt ze zonder omhaal van woorden in haar kamer in een verpleeghuis in Amsterdam. Aan de muur prijkt het cadeau voor haar 100ste verjaardag: een kleurrijke print van de Hofburg, een paleis in haar geboortestad Wenen, met op de voorgrond een fiaker, een koetsje dat het straatbeeld van haar jeugd bepaalde. Als 14-jarige Joodse moest ze zich losrukken van haar moeder en grootouders. Met een kindertransport wilden ze haar helpen ontsnappen aan het dreigende lot onder de nazi’s.
Wat is een van uw dierbaarste jeugdherinneringen?
‘Dan denk ik aan mijn grootvader. Hij nam mij vaak mee naar het Wienerwald, daar gingen we cantharellen zoeken. De zondagochtend was altijd een hoogtepunt; zodra mijn grootmoeder was opgestaan, mocht ik bij mijn grootvader in bed kruipen. Dan las hij mij sprookjes voor.’
Woonde u als kind bij uw grootouders?
‘In hun huis ben ik geboren. Mijn moeder ging scheiden van mijn vader toen ze zwanger was van mij en trok bij haar ouders in. Ze was nog maar 20 toen ze trouwde. Het huwelijk was voor haar een vergissing, het leeftijdsverschil was denk ik te groot, mijn vader was twintig jaar ouder. Ze heeft nooit over hem willen praten, ik heb zelfs geen foto van mijn vader, dat is nog steeds een gemis. Ik herinner mij dat hij lang en slank was en donker haar had.
‘Toen ik een kleuter was, mocht ik mijn vader elke zondag zien. Dan stond hij op de hoek van de straat te wachten, mijn grootvader bracht mij naar hem toe. Als hij mij weer terug naar huis bracht, stond hij op dezelfde hoek en wachtte totdat hij mij naar binnen zag gaan. Voor mij was hij heel aardig, we gingen altijd iets leuks doen samen.
‘Eén keer heb ik hem gevraagd mee naar binnen te gaan, ik wilde hem zo graag mijn nieuwe speelgoed laten zien. ‘Je móét mee’, smeekte ik. Eenmaal binnen zag ik dat mijn moeder verstoord opkeek en meteen wegliep. Ik voelde dat ik dit nooit meer moest doen.
‘Het jammere was dat ik, doordat ik Joods ben, op mijn 14de Oostenrijk moest ontvluchten, nadat het zich had aangesloten bij nazi-Duitsland. Mijn grootvader had geregeld dat ik meekon met een kindertransport per trein van Wenen naar Nederland. Dat kon alleen met toestemming van mijn vader, die gaf hij. Hij vroeg mijn grootvader of hij mij voor mijn vertrek nog mocht zien. Die wens bracht mijn grootvader aan mij over en hij zei er nadrukkelijk bij: ‘Het hóéft niet.’ Ik was zo verlegen, dat ik niet durfde te zeggen: ‘Ja, ik wil.’ Een paar maanden na mijn aankomst in Nederland is mijn vader opgepakt en afgevoerd naar een vernietigingskamp in Polen, waar hij werd omgebracht. Het is mij altijd dwars blijven zitten dat ik zo vreselijk verlegen was, dat ik mijn grootvader niet durfde te zeggen dat ik mijn vader nog had willen zien.’
Hoe kwam u zo verlegen?
‘Ik ben heel beschermd opgevoed, als enig kind, omringd door mijn moeder, grootouders en twee tantes in Wenen. Ze waren allemaal heel zorgzaam voor mij, ik was het middelpunt in huis. In mijn jeugd is maar één keer één van hen nijdig op mij geweest. Mijn vriendinnetje Herta was een haantje de voorste en om haar te bewijzen dat ik ook wel wat durfde, stal ik als 8-jarige bij het boodschappen doen met een tante een paar stofknopen uit een manufacturenwinkel. Ik zei Herta dat ze dat tegen niemand mocht zeggen. Dat deed ze natuurlijk toch en zo kwam mijn grootvader erachter. Zijn boosheid maakte diepe indruk op mij, ik moest de knopen terugbrengen en mijn excuses aanbieden.
‘Mijn verlegenheid werd schuchterheid nadat ik op mijn 13de door een nazi uit de klas werd gehaald. ‘Je gaat naar huis en mag niet meer terugkomen’, zei hij. Mijn klassenlerares legde uit dat Joodse kinderen van de regering niet meer naar school mochten. Vanaf die tijd voelde ik mij zó minderwaardig en liep ik met gebogen hoofd over straat.
‘Dit gebeurde op een middelbare meisjesschool in Halle, in Duitsland. Mijn moeder was hertrouwd met een Duitser uit Halle. Het was het begin van de Hitlertijd en op school werd veel over Hitler en de anti-Joodse propagandaverhalen gepraat, maar ik voelde mij niet aangesproken omdat ik niet wist dat ik Joods was, mijn moeder sprak er nooit over. Ik was Luthers gedoopt en zat op catechisatie.
‘Door Hitler kwam ik erachter dat ik Joods was. Nadat ik van school was gestuurd, kwamen mijn vriendinnetjes langs, ze begrepen er niets van, want hoe kon het meisje met wie ze zo leuk konden spelen Joods zijn? De invloed van de propaganda zag ik ook bij mijn kleine zusje Jutta, dat in Halle was geboren. Ze was 4 jaar toen ik haar een keer plaagde, waarop ze zei: ‘Pas op, als je me plaagt dan moet je naar de Joden toe en dat zijn heel gemene mensen.’ Dat moet ze op de kleuterschool hebben gehoord.’
Wat herinnert u zich van het kindertransport in februari 1939?
‘De laatste woorden van mijn grootvader: ‘Vertel de wereld wat er allemaal gebeurt. Dit moet iedereen weten, want het mag nooit meer gebeuren.’ Ook ben ik nooit het moment vergeten dat de trein ging rijden. Het was midden in de nacht op het station van Wenen, en ik riep: ‘Mútti!’
‘Van de reis zelf weet ik niets meer, wel dat we aankwamen in Rotterdam, in een opvangkamp met honderden mensen. Ik maakte er voor het eerst kennis met orthodoxe Joden, voor wie gedoopte Joden minder dan het minste zijn. Ik moest ze helpen in de keuken. Ik kende de gebruiken van de koosjere keuken niet en maakte kennelijk een fout door de verkeerde borden te pakken. Die lieten ze voor mijn neus op de grond vallen, de scherven moest ik oprapen. Ik leerde ervan dat alle extreme religies en overtuigingen tot ellende leiden. Zo zijn de orthodoxe Joden de grootste vijand van de staat Israël.
‘Met andere gedoopte Joodse kinderen werd ik tweeënhalf jaar ondergebracht in twee tehuizen van de doopsgezinde kerk. Daarna werd ik bij verschillende families ondergebracht, totdat het onder de Duitse bezetter ook in Nederland onveilig werd voor Joden en ik moest onderduiken. De ondergrondse regelde een vals persoonsbewijs en een onderduikplek bij een heel aardig, kinderloos en streng gereformeerd echtpaar op een boerderij in Hogebeintum. Daar heb ik veel geluk mee gehad. In dit gezin leerde ik Fries praten. Ik kan het nog steeds: Bûter, brea en griene tsiis, wa’t dat net sizze kin is gjin oprjochte Fries. Boter, brood en groene kaas, wie dat niet zeggen kan, is geen echte Fries. Er kwam nog een klein Joods meisje bij, Rosella, voor wie ik zorgde. We hebben altijd contact gehouden, ik heb haar pas weer ontmoet.
‘Mijn moeder en grootouders schreven mij brieven, in één daarvan vertelde mijn moeder dat mijn grootouders waren opgepakt en op transport gesteld. In één klap was mijn geloof in God verdwenen – en het is nooit meer teruggekomen. Mijn grootouders, tantes en vader zijn allemaal omgebracht in vernietigingskampen. Mijn moeder had het geluk dat ze met een Duitse man was getrouwd. Zij is heel laat opgepakt en in Theresienstadt opgesloten, na een paar maanden was de oorlog afgelopen, zij heeft het gelukkig overleefd.’
Wanneer heeft u uw moeder weer teruggezien?
‘Ik ging weg als een kind en ze zag mij terug als een verloofde vrouw, in 1947, twee jaar na de oorlog. Na de bevrijding ben ik in Amsterdam een opleiding voor kinderverzorgster gaan doen, daarna kon ik aan de slag in een Luthers weeshuis, waar ik intern was. Daar heb ik mijn man leren kennen. Hij kwam er als volwassen wees vaak piano oefenen en zag mij op een feestavond voor het bestuur. Met een paar kleintjes uit het weeshuis deed ik een dansje. Later zou hij vertellen dat hij op dat moment verliefd werd op mij. Er was absoluut sprake van liefde, maar een goede vriendin van mij zei dat ik ook uit eenzaamheid zo snel met hem trouwde. Daar had ze denk ik gelijk in.
‘Dat het zo lang duurde voordat ik mijn moeder terugzag, kwam doordat ze na de oorlog in de Russische zone terecht was gekomen. Ze woonde met haar man in Leipzig, in het oosten van Duitsland. In 1947 kreeg ik toestemming haar te bezoeken. Ik moest mij op een bepaald tijdstip melden bij de grensovergang van West- naar Oost-Duitsland, maar ik had mij verslapen, dus was te laat. Toen ben ik clandestien, lopend door het bos, de grens over gegaan. Mijn stiefvader en moeder liepen mij tegemoet. Het weerzien was geweldig.
‘Vanwege het nazi-sentiment in Duitsland heeft mijn moeder nooit iemand verteld waarom ik in 1939 naar Nederland was gegaan. Altijd is ze blijven verzwijgen dat we Joods zijn.
‘De herinneringen aan de nazitijd zijn altijd bij me, maar de laatste tijd komen ze vaker naar boven. Het is niet zo dat ik de hele dag zit te treuren om de dierbaren die ik heb verloren. Ik kan de herinneringen die boven komen van mij afzetten: ‘Stop ermee’, zeg ik dan tegen mezelf – en dan leid ik mijzelf af met andere gedachten. Mijn leven is niet altijd makkelijk geweest, maar ik heb ook veel geluk gehad, zoals veel goede vriendschappen. Dat komt doordat ik makkelijk contact maak en altijd nieuwsgierig ben naar de ander.’
geboren: 17 juli 1924 in Wenen
woont: in een verpleeghuis in Amsterdam
beroep: kinderverzorgster
familie: twee kinderen, drie kleinkinderen, een achterkleinkind
weduwe: sinds 1991
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant