Home

Waar komt onze behoefte aan privacy vandaan? Vroeger poepte zelfs de koning voor de neus van de visite

De wetenschapsredactie zoekt deze zomer antwoord op vragen van lezers. Vandaag: waar komt onze behoefte aan privacy vandaan? Een antwoord in vijf hoofdstukken, dat ons langs overspelige apen voert, de koning in de McDonald’s en kinderen met airtags.

Het zit in onze natuur

Waarom verkleden we ons in pashokjes, en heeft een cavia af en toe ook een momentje voor zichzelf nodig? Dat vraagt Kathlijn Wessels zich af. ‘Ik denk dat het allemaal te maken heeft met kwetsbaarheid’, schrijft ze. ‘Dat we ons dan niet veilig voelen.’ Wessels vindt het leuk om over dit soort onderwerpen na te denken, en dat geldt ook voor Maarten Reesink. Hij is als cultuurwetenschapper aan de Universiteit van Amsterdam gespecialiseerd is in mens-dierrelaties. Hoe dit voor dieren werkt, is iets dat wetenschappers pas kort onderzoeken. ‘Heel lang dachten we dat dieren geen pijn voelen, tot voor kort konden we ons niet voorstellen dat ze emoties hebben.’

Het interesseerde de mens vroeger vrij weinig of een flamingo in een dierentuin het prettig vindt om constant begluurd te worden. Nu speelt dierenwelzijn een grotere rol en wordt bij dierentuindieren gemeten hoeveel stress ze ervaren. ‘In coronatijd bleek dat veel dieren rustiger werden nu er zo weinig bezoekers waren’, zegt Reesink. ‘De meeste dieren worden niet graag rechtstreeks aangekeken, wij mensen trouwens ook niet. Vooral prooidieren houden er niet van, voor hen is aankijken een signaal dat ze bejaagd worden. Roofdieren hebben het gevoel dat ze worden uitgedaagd.’

Toch waren er ook dieren die de aandacht misten. Reesink: ‘Sommige apen vinden het leuk om contact te hebben met mensen, maar dat is echt per individu verschillend. Vaak zijn dit apen die door mensen zijn opgevoed.’ Lange tijd dachten onderzoekers dat er geen wezenlijke verschillen bestaan tussen dieren binnen dezelfde soort – zie je één gorilla, heb je ze allemaal gezien. ‘Tot in de jaren negentig werd het nature-nurturedebat nog heel stellig gevoerd. Dan is gedrag ofwel door genetische aanleg volledig voorgeprogrammeerd, ofwel volledig afhankelijk van de omgeving.’ Nu weten we dit zowel bij mensen als dieren door elkaar loopt.

Dat het bij de ene groep mensen normaal is om borstvoeding te geven in het openbaar en bij de andere niet, omschrijven we als cultuur. Dieren kennen dit ook, maar hoe ze precies schaamte ervaren is nog niet duidelijk. We kunnen menselijke, complexe emoties niet zomaar op dierlijk gedrag plakken. Neem een hond die op een onbewaakt moment een koekje van een schaal grist en bij terugkomst van het baasje zich beschaamd tegen de grond drukt. Reesink: ‘Uit onderzoek blijkt dat zo’n hond zich niet schaamt, maar bang is voor de reactie van het baasje. Als een mens het koekje pikte terwijl het baasje even weg was, vertoonde de hond later hetzelfde gedrag, terwijl die niet schuldig was.’

De behoefte om privacy op te zoeken heeft volgens Reesink een biologische oorsprong bij mensen, al is die niet altijd duidelijk te herleiden. Bij dieren gaat dat beter. Zo kennen apen het verschijnsel sneaky fuckers: minder dominante mannetjesapen die vrouwtjes bij de groep weglokken om ze ongezien het hof te maken en zo hun genetisch materiaal door te geven. Het alfamannetje zou hier anders direct een stokje voor steken.

Maar wat er precies in het hoofd van dieren omgaat, valt vaak nog niet met zekerheid te zeggen. ‘We hopen met behulp van AI straks met dieren te kunnen communiceren’, zegt Reesink, die hier een boek over schrijft. De Canadese hoogleraar Karen Bakker beschrijft in The Sounds of Life hoe wetenschappers AI een gigantische hoeveelheid geluidsopnamen van dieren laat analyseren, om zo patronen te herkennen en over tien tot twintig jaar een soort Google Translate voor dieren te kunnen ontwikkelen. ‘Het is voor mij ook de hamvraag. Wat gaat er in het hoofd van mijn kat om? Maar ook: als we de emoties van dieren begrijpen, zullen we die dan respecteren?’

Is privacy een luxekwestie of een kwestie van luxe?

Niet eens zo lang geleden sliepen de meeste gezinnen in één kamer, of zelfs in één bedstee, de kleinste kinderen in een la geschoven. Niet voor de gezelligheid, maar om te voorkomen dat hun tenen eraf vroren of omdat ze niet meer ruimte hadden. De slaapkamer, een ruimte om je in je eentje (of met partner) in terug te kunnen trekken, ontstond dan ook bij de allerrijkste: de koning.

‘Het begon met een scheiding tussen de familie en het personeel’, zegt Koen Ottenheym, hoogleraar architectuurgeschiedenis aan de Universiteit Utrecht. ‘Rond het jaar 1000 at iedereen in het kasteel in één ruimte, een beetje zoals je dat bij Engelse colleges nog ziet. Vaak wel met een verhoogd podium met wat lekkerder eten voor de belangrijkste mensen.’

Later ontstaat bij deze edelen de behoefte om ook eens zonder honderden door elkaar tetterende mensen te eten. In de Tower of London heeft de koning in 1100 naast een grote centrale zaal en een kapel voor het eerst een chamber: een kamer waar hij eet, slaapt en intimi ontvangt. En de mensen daar net buiten dan? Kennissen, achternichten? Ottenheym: ‘Er begint een proces dat eeuwen duurt, waarbij tussen de centrale hal en de slaapkamer steeds meer vertrekken schuiven. Hoe hoger je in rang bent, hoe dieper je in het paleis doordringt.’

Helemaal privé is zo’n adellijke (slaap)kamer lang niet geweest. Zonder stromend water en een geavanceerd belsysteem staan bedienden als levende pilaren in elke hoek constant stand-by, klaar om in actie te komen als er een kakstoel gehaald moet worden. En blijft doorgaans, net als eventueel bezoek, in de kamer wachten tot de pot weer weg kan. Ottenheym: ‘Wel zie je vanaf 1700 dat ze steeds meer aparte gangen voor het personeel aanleggen. Zo liep je je bedienden niet voortdurend tegen het lijf.’

Het personeel zelf kon amper op privacy rekenen. Ze sliepen vaak samen op stretchers op de plek waar ze werkten. Bij hen was privacy iets dat je moest verdienen; de mensen die het hoogst in rang stonden, kregen vaak na jarenlang werk wel een eigen vertrek.

In kasteel De Haar in Utrecht, een modern exemplaar dat in 1892 op de ruïne van het oude kasteel werd gebouwd, was vanaf het begin elektriciteit aanwezig en daarmee ook een geavanceerd belsysteem. Op een bord met veertig lampjes zagen de bedienden waar en wanneer ze nodig waren, ze hoefden dus niet voortdurend in sluimerstand rond te hangen – en konden zich ook meer terugtrekken. Zij sliepen grotendeels in een bijgebouw.

Het onderhoud van het landgoed is voor de eigenaar, de familie Van Zuylen, inmiddels niet meer op te brengen. En dus droeg deze het zo’n 25 jaar geleden over aan een stichting. In de slaapkamers waar naar goed adellijk gebruik man en vrouw niet eens samen sliepen – dat was voor burgers – slijten nu jaarlijks zo’n vijftigduizend dagjesmensen tegen betaling het tapijt, voor ze via de museumshop weer huiswaarts keren.

Een stelletje maakt giebelend een foto van de wc – een gat in een houten doos – terwijl ze naar het volgende vertrek slenteren. De kamers zijn nog helemaal intact, de drankkasten gevuld, de deur naar de wc op een kiertje alsof we de baron ieder moment met z’n broek op de enkels hadden kunnen treffen. In werkelijkheid mogen de nazaten alleen in de maand september tegen een forse bijdrage in het kasteel slapen, bezoekers kunnen dan meekijken hoe de grote eettafel wordt gedekt. Voor een kasteelheer is privacy tegenwoordig niet meer te betalen.

Waarom gebruiken we een Engels woord? Waar komt het vandaan?

In 1912 duikt het Engelse woord privacy voor het eerst op in Nederlandse context – daarvoor was ‘persoonlijke vrijheid’ meer in zwang, dat ook een juridische betekenis had. Zo verschijnt het in het Wetboek van Strafrecht uit 1811, zegt taalkundige en etymoloog Nicoline van der Sijs. Hierin wordt onder meer beschreven dat een ‘openbaar amptenaar’ geen daad van willekeur mag plegen ‘en daardoor inbreuk geschiedt het zij op de persoonlijke vrijheid, het zij op de burgerschapsregten’. Ook werd het vaccinatiedebat in de context van privacy al eeuwen geleden gevoerd: Het is niet te ontkennen, dat eene vaccinewet inbreuk zou maken op de persoonlijke vrijheid’ (1857).

‘Dan zie je dat persoonlijke vrijheid geleidelijk aan wordt vervangen door het Engelse privacy’, zegt Van der Sijs. In Nederland was het ook toen niet ongebruikelijk om woorden uit een andere taal over te nemen. ‘Terwijl persoonlijke vrijheid een algemene uitdrukking is die in veel contexten gebruikt kon worden, duidt privacy specifiek de eerbiediging van iemands persoonlijke levenssfeer aan.’ Zo wordt in 1913 geschreven dat men ‘dienstboden hetzelfde recht van onafhankelijkheid, ‘privacy’, begon te verleenen, dat door de meesters zoozeer op prijs werd gesteld’.

In het Engels is privacy een afgeleide van het bijvoeglijk naamwoord private: op zichzelf, afgezonderd, dat weer is ontleend aan het Latijnse privatus: ‘teruggetrokken uit het publieke leven’, dat in juridische context werd gebruikt om het verschil aan te duiden tussen de verschillende verantwoordelijkheden die je als privé- en publiek persoon hebt.

Dat culturen elk een ander idee van privacy hebben, zie je vaak terug in taal. In het Chinees bestaat dit woord niet, schreef De Groene Amsterdammer in 2014. Leen Vervaeke, correspondent China voor De Volkskrant, zegt hierover: ‘Je hebt hier het woord yinsi, wat meer gaat over privégedachten, tegenslagen of twijfels. Die hou je voor jezelf.’ Wel wordt ook in China nu strenge privacywetgeving aangenomen, maar die is vooral gericht op het beschermen van persoonlijke data tegen het gebruik door bedrijven of andere individuen. ‘Voor de overheid geldt nog steeds dat die zich min of meer het recht toe-eigent alles van iedereen te weten. Een groot deel van de bevolking lijkt zich daarin te schikken, hoewel ook zij natuurlijk geen volledig open boek zijn.’

Zonder een beetje afstand kun je niet jezelf – en iemand anders – zijn

Nog steeds groeien in Nederland niet alle kinderen op met een eigen slaapkamer en zijn er tomatenplukkers en aspergestekers die noodgedwongen in piepkleine ruimten samenleven. In landen als Indonesië en de Filipijnen zijn veel mensen haast verplicht een Facebookaccount aan te maken als ze toegang willen tot het internet: het platform verstrekt hier gratis data om de app en een paar websites te gebruiken. Vrije toegang tot internet is voor veel mensen te duur.

Ondertussen trekken de allerrijksten zich terug in de vipruimte van een club of zelfs op een eigen eiland. Ze reizen niet met aan naam gekoppelde ov-chipkaarten, hebben overzeese privérekeningen. Wie het kan betalen, schakelt professionals in om data af te schermen voor de overheid, bedrijven en (kwaadwillende) individuen.

Toch heeft ieder mens privacy nodig, zegt Beate Roessler, hoogleraar ethiek aan de Universiteit van Amsterdam. ‘Dit stelt ons in staat om de verschillende rollen te vertolken die we in ons leven hebben. Ik zou geen college kunnen geven als mijn studenten alles over me zouden weten.’ Collega’s roddelen sneller met elkaar dan met de baas, een wiskundeleraar komt niet graag haar scholieren tegen in de kroeg.

Van de koninklijke familie verwachten we dat ze zich geregeld onder de mensen begeven. We zien Willem-Alexander op Koningsdag vrolijk haring- en koekhappen. Maar een echt inkijkje in hun persoonlijke leven krijgen we niet. Deels omdat niemand het prettig zou vinden om constant te worden beloerd door paparazzi, maar ook omdat ze anders hun rol als monarch niet zouden kunnen vertolken. ‘Privacy heeft dus ook te maken met macht’, zegt Roessler.

Zo werd Willem-Alexander een paar jaar geleden gefotografeerd terwijl hij in de McDonald’s na een dagje winkelen met zijn tienerdochters uitpufte boven een Big Mac. Een foto die Nederlandse media vanwege de privacy van de koninklijke familie niet mogen publiceren, en dus het hele internet over ging. RTL vroeg na deze rel een royaltydeskundige: ‘Is de koning niet te normaal geworden?’

Wat we onder privacy verstaan, is constant in beweging

Met technologische vernieuwing ontstaan er steeds nieuwe discussies over privacy. Roessler: ‘Dit begon met de komst van fotografie, toen mensen opeens stiekem konden worden vastgelegd.’ In de Verenigde Staten schrijven in 1896 twee advocaten een klassiek geworden tekst waarin ze betogen dat iedereen recht heeft op privacy en de bescherming van diens gegevens. ‘In de 20ste eeuw komt daar een enorme stroom aan nieuwe technologie bij, die ons op steeds geavanceerdere manier in de gaten kan houden. En waar dus passende wet- en regelgeving voor moet worden ontwikkeld.’

Privacy betekent dat je in vrijheid kunt leven, maar het betekent niet dat die vrijheid onbeperkt is – er zijn situaties waarin de overheid geacht wordt in te grijpen. ‘Als we constant onder surveillance staan, zouden we niet vrij zijn om ons leven te leiden zoals we dat willen’, zegt Roessler. ‘Maar in coronatijd, toen iedereen zich thuis terugtrok, schoot het aantal incidenten met huiselijk geweld omhoog.’ Dat noopt tot ingrijpen, zoals de wetgever dat in de jaren negentig ook deed bij vrouwen die binnen hun eigen huwelijk werden verkracht. Tot in de jaren negentig bestond zo’n wet niet – het huwelijk werd gezien als een privéaangelegenheid waarmee de overheid zich niet had te bemoeien. ‘Nu zien we in dat dit de vrijheid van veel vrouwen ernstig geweld heeft aangedaan’, zegt Roessler.

‘We moeten kritisch blijven kijken of iedereen in dezelfde mate in vrijheid kan leven’, zegt Roessler. Zo vindt een deel van de mensen dat de queer-gemeenschap ‘best mag bestaan, zolang ze anderen er maar niet mee lastigvallen’. ‘Oftewel: thuis mag je doen wat je wil, maar op straat niet’, zegt Roessler. ‘Maar privacy bestaat niet alleen binnen je eigen huis. Je uiten zoals je wil, samenleven met wie je wil, is een privébesluit dat óók buitenshuis gerespecteerd dient te worden.’

Terwijl er steeds meer aandacht is voor de bescherming van persoonlijke data tegen (tech)bedrijven en de overheid, is er wel een groep die met elke technologische ontwikkeling steeds minder op privacy kan rekenen: kinderen. Nu we hen constant kunnen volgen, staan zij steeds meer onder surveillance. Ouders krijgen direct een mailtje als het kind gespijbeld heeft. Kinderen dragen een tracker om de pols, of worden (ongemerkt) de hele dag via hun telefoon gevolgd.

‘En dat terwijl kinderen moeten leren om hun vrijheden op een goede manier te gebruiken, zoiets komt niet vanzelf’, zegt Roessler. Zoals ouders het nodig hebben om een zekere afstand tot hun kind te bewaren om het op te voeden, hebben kinderen (en vooral pubers) het nodig om zich los te kunnen maken en een eigen identiteit te ontwikkelen. Om fouten te maken en daar zelf de verantwoordelijkheid voor te dragen.

Het besef dat ieder mens recht heeft op privacy ontwikkelt zich niet in een rechte lijn omhoog. ‘Onze houding hier tegenover verandert voortdurend met de nieuwe mogelijkheden die we tot onze beschikking hebben’, zegt Roessler. ‘Daarom moeten we erover blijven discussiëren. Het recht op privacy geven wij elkaar. En in een liberale samenleving kunnen we simpelweg niet in vrijheid leven zonder privacy.’

Over de auteur
Simoon Hermus is techredacteur voor de Volkskrant. Ze schrijft onder meer over big tech, a.i., sociale media en games.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next