Home

Van Turkenpension tot Polenhotel: wat heeft Nederland geleerd van zestig jaar gastarbeid?

Het is zestig jaar geleden dat Nederland een wervingsverdrag sloot met Turkije en dat de eerste gastarbeiders naar ons land kwamen. Wat valt er, nu arbeidsmigratie weer onder vuur ligt, van toen te leren? ‘Dat mensen teruggaan is vaak een illusie.’

is economieredacteur van de Volkskrant. Ze schrijft onder meer over de arbeidsmarkt en sociale zekerheid.

Ibrahim Görmez was al een paar dagen in Nederland toen hij begon te twijfelen of het hier weleens licht werd. Hij was in de winter van ’64 op een late zondagnacht vanuit Izmir naar Amsterdam gereisd. De volgende ochtend ging hij nog voor het krieken van de dag aan de slag in de Ford-fabriek, waar hij werkte tot het weer donker was. ‘Pas na een week zag ik Nederland bij dag’, zegt de inmiddels 84-jarige. ‘Ik schrok me te pletter: alles en iedereen leek op elkaar.’

Het land dat Görmez in 1964 zag, is ingrijpend veranderd. Niet in de laatste plaats door de komst van Görmez en zijn landgenoten. Deze maand zestig jaar geleden sloot de Nederlandse regering een wervingsverdrag met Turkije, wat leidde tot een grote instroom Turkse gastarbeiders. Samen met de Marokkanen, die enige tijd later kwamen, werden zij het voornaamste gezicht van Nederland als immigratieland.

Het 60-jarige jubileum komt op het moment dat arbeidsmigratie in Nederland een heet hangijzer is. Ook nu piekt de instroom van werknemers uit verre, vooral Oost- en Midden-Europese landen: vorig jaar werkten in Nederland bijna een miljoen arbeidsmigranten. Zelfs ondernemerspartij VVD, wier grote geldschieter nota bene een migrantenuitzenbureau is, vindt dat het ‘minder en slimmer’ moet.

Maar kan dat wel? En wat kunnen we leren van de afgelopen zestig jaar?

Arbeid is de belangrijkste motor voor migratie

Over precies die vraag boog het Centraal Planbureau zich dit voorjaar. Onderzoeker Gerdien Meijerink en haar collega’s analyseerden de hedendaagse migratiegeschiedenis en zagen ‘opvallend veel overeenkomsten’ tussen de huidige migratiepiek en die van destijds. ‘Net als toen, zijn ook nu grote arbeidstekorten de drijvende kracht’, zegt zij. ‘Veel meer dan asielmigratie, waar door de jaren heen geen stijgende lijn in zit.’

Ironisch genoeg werden die arbeidstekorten in de jaren zestig mede veroorzaakt door het feit dat Nederland nog een land was waar wie dat kon, liever wegtrok. In de naoorlogse jaren emigreerden 410 duizend Nederlanders naar onder meer Canada en Australië. Dus toen de economie in de jaren zestig opveerde, was er plots een schreeuwend tekort aan handjes.

Aanvankelijk werden die nog gevonden aan de randen van Europa, in Spanje en Italië, maar toen ook daar de economie aantrok, werd de blik verlegd naar het door armoede geplaagde Turkije. Net als nu in Oost-Europa gebeurt, werden daar in de jaren zestig allerhande ‘arbeidsbureaus’ geopend.

Zo ook in Izmir, waar de 25-jarige Görmez droomde van een Chevrolet ’64 en bovenal van een toekomst. Zijn baan als kleermaker verschafte hem geen van beide, dus meldde hij zich bij zo’n arbeidsbureau. ‘Ze zeiden: we hebben aanvragen voor autospuiters in de Ford-fabriek in Holland. Ik zei: kan me niet schelen waar, als er maar werk is.’

Luister ook naar onze podcast

Video wordt geladen...

(Gebrek aan)overheidsbeleid speelt werkgevers in de kaart

De overheid stelde zich in de jaren zestig zeer welwillend op tegenover werkgevers die om personeel verlegen zaten. De uitwisselingsverdragen maakten het voor bedrijven als Philips en Fokker mogelijk zelfgeselecteerde spierbundels naar Nederland te halen. ‘Daar werden wel eisen aan verbonden’, zegt de Leidse historicus Marlou Schrover. ‘Zo mochten het geen communisten zijn en moesten de werkgevers zorg dragen voor inburgering en huisvesting.’

Maar algauw wisten de werkgevers hun verplichtingen te omzeilen door werknemers niet zelf op te halen, maar op eigen initiatief te laten komen. ‘Tegen werknemers die tijdens de zomer naar Turkije reisden, zeiden ze: neem je dorp mee terug’, aldus Schrover. Die migranten moesten zelf voor huisvesting en inburgering zorgen, zij kwamen veelal terecht in ‘Turkenpensions’. De overheid kneep ten faveure van de economie een oogje toe.

Inmiddels zijn wervingsverdragen niet meer nodig: dankzij de uitbreiding van de EU kunnen goedkope werknemers uit Oost- en Midden Europa vrijelijk naar Nederland reizen. Wel oefent de overheid indirect nog altijd een grote, faciliterende invloed uit op het migratiebeleid, aldus CPB-onderzoeker Meijerink. ‘Het toestaan van flexibele arbeid maakt het voor werkgevers bijvoorbeeld heel makkelijk om arbeidsmigranten te werven.’

Arbeidsmigranten werken in sectoren met twijfelachtige toekomst

Toen Janusz Cwikla (52) zestien jaar geleden in een wit busje naar Waddinxveen kwam, kende hij vijf woorden Duits. Dat was ook de reden dat de werkloze Pool besloot in Nederland te gaan werken: van vrienden had hij gehoord dat het gebrek aan talenkennis geen obstakel was. Al was hij wel geschokt toen zijn werkgever hem op zijn eerste werkdag begroette met een ‘goeiemorgen’. Lachend: ‘‘Goeie’, betekent namelijk klootzakken in het Pools.’

Cwikla ging via een uitzendbureau aan de slag bij een boomkwekerij. Zijn huisvesting, eveneens door zijn uitzendbureau geregeld, was een rijtjeshuis dat hij deelde met twaalf man. Het was zwaar werk, bomen van wel 50 kilo moest hij sjouwen. Hoewel hij het zonder morren deed, moest hij na twee jaar toch op zoek naar ander werk: zijn uitzendbureau wilde hem geen vast contract geven. Zo kwam Cwikla terecht in een distributiecentrum.

Het werk dat arbeidsmigranten nu doen, komt volgens Meijerink overeen met wat gastarbeiders zestig jaar geleden deden: het is werk waar Nederlanders zelf de neus voor ophalen. Omdat het vies, gevaarlijk, laagbetaald en onzeker is – arbeidsmigranten belanden drie keer zo vaak in de WW. Meijerink: ‘In de jaren zestig en zeventig werkten ze vooral in de industrie en scheepsbouw, nu in slachterijen en distributiecentra.’

Die bedrijfstakken hebben nog iets met elkaar gemeen: ze konden en kunnen alleen in Nederland bestaan bij de gratie van goedkope arbeid. ‘De industrie probeerde in de jaren zestig overeind te blijven in de concurrentie met Azië door steeds goedkopere arbeid in te zetten’, aldus Meijerink. ‘Het lijkt erop dat slachthuizen, de glastuinbouw en distributiecentra nu een soortgelijke aanpak kiezen om te overleven.’

Meijerink noemt het een ‘risicovolle strategie’ om arbeidskrachten te werven voor sectoren waarvan de toekomst hoogst onzeker is. ‘Liever wil je arbeidsmigranten aantrekken die passen bij de richting waarin de economie zich ontwikkelt.’ Ter illustratie hoeft ze alleen maar te wijzen op het verleden: als gevolg van de globalisering en economische malaise gingen de sectoren waarin de gastarbeiders werkten uiteindelijk ten onder.

Veel arbeidsmigranten blijven

De Nederlandse regering had nog geprobeerd om te anticiperen op die nieuwe economische realiteit door in 1973 de grenzen voor Turken en Marokkanen te sluiten. De hoop was dat hun aantal daardoor zou afnemen, maar het tegenovergestelde gebeurde: waar gastarbeiders in de jaren zestig nog op en neer reisden naar hun thuisland, stopten ze daar in de jaren zeventig mee. Ze waren bang dat de deur achter hen in het slot zou vallen.

Veel gastarbeiders – meer dan de helft – vestigden zich permanent in Nederland (halverwege de jaren zestig ging dat nog om 30 procent van de Marokkanen en 15 procent van de Turken). En dat deden ze niet alleen: in het kader van gezinshereniging lieten ze ook hun gezin overkomen. Het gevolg was dat veel van deze overtollige arbeidskrachten in de uitkering belandden. In de jaren tachtig zaten zij drie keer zo vaak in de WAO.

Voor Görmez was het de liefde waarvoor hij in Nederland bleef. Na een jaar in de Ford-fabriek ontmoette hij een Hollandse. Terugkeren, zo leerde hij na een zomervakantie met haar in Turkije, was geen optie meer. ‘Toen wist ik: niemand van ons gaat terug. Want als zelfs ik – die zo van mijn land hield – het niet kon, dan niemand.’

Net als over de gastarbeiders destijds, is ook nu de verwachting dat de Oost-Europese arbeidsmigranten zullen terugkeren naar huis. Toch is dat volgens Schrover een ‘illusie’. Ook zij zullen immers verliefd worden, trouwen en hun kinderen naar school laten gaan. Nu al woont een kwart van hen hier na tien jaar nog. ‘En kijk naar de Poolse winkels en kerken die nu overal verrijzen, ze beginnen steeds meer te lijken op de traditionele gastarbeiders.’

Het verbaast voorzitter Monique Kremer van de Adviesraad Migratie dan ook dat er wederom ‘geen enkele langetermijnvisie’ voor deze groep is ontwikkeld. ‘Niemand bekommert zich om arbeidsmigranten: de overheid niet, de werkgever niet en de samenleving niet. Terwijl de mensen die nu in de kassen werken dat moeilijk tot hun pensioen kunnen doen. Wat gebeurt er met hen als zij ziek worden of werkloos raken?’

Het is precies de vraag die de Poolse Cwikla zichzelf geregeld stelt. Helemaal sinds hij twee jaar geleden, hij draaide toen zes nachtdiensten per week, in het ziekenhuis belandde. ‘De arts vroeg wat voor werk ik deed’, vertelt hij. ‘Ik zei: hoezo, ik zie er toch goed uit? Hij zei: van buiten misschien, maar van binnen ben je op.’ Inmiddels is Cwikla overgestapt op dagdiensten, maar hij piekert er niet over om terug te gaan. Zijn Poolse vrouw en dochter wonen inmiddels ook hier.

Volgens Kremer is het van groot belang dat werkgevers verantwoordelijk worden voor taalonderwijs. Anders is het niet ondenkbaar dat er opnieuw een ‘gastarbeiderstrauma’ ontstaat. Al neemt Kremer dat woord niet graag in de mond: ‘Want deze mensen hebben heel veel gedaan voor Nederland en je ziet dat hun kinderen en kleinkinderen enorm stijgen op de sociale ladder. Dus zo’n trauma is het misschien niet.’

Ook Görmez heeft geen negatieve gevoelens overgehouden aan zijn emigratie naar Nederland. Al is hij wel teleurgesteld over één ding: het huidige anti-migratiesentiment. ‘Veel Nederlanders weten niet wat wij hebben opgegeven om dit land op te bouwen. Ik ben hier met 85 man naartoe gevlogen, van hen zijn er nog tien over – velen hebben hun pensioen niet eens gehaald. Ik hoop dat Nederlanders zullen inzien dat Nederland is zoals het nu is dankzij migranten.’

Ibrahim Görmez kwam in 1964 als 25-jarige naar Nederland: ‘Ik heb zelfs mijn graf in Amsterdam gekocht’

‘In Izmir, waar ik vandaan kom, wilde in de jaren zestig iedereen naar het buitenland. Veel Turken waren al vertrokken naar Duitsland en als ze terugkwamen voor vakantie vertelden ze hoeveel geld er te verdienen was. Overal werden uitzendbureaus geopend waar je je kon inschrijven. Ik zou eigenlijk naar Neurenberg gaan, maar dat werd de Ford-fabriek in Amsterdam.

‘De eerste dagen in Nederland heb ik alleen maar huilend van de heimwee gewerkt. Ik voelde me vreemd en alleen. In Turkije woonde ik nog bij mijn ouders, hier kwam ik terecht in een barakkenkamp van Ford, waar ik mijn kamer deelde met vier Turken. Maar de mensen waren heel hartelijk, we werden met open armen en een Verkade-chocoladereep verwelkomd. Dat maakte het draaglijk.

‘Mijn plan was om hier twee, drie jaar te blijven. Dan zou ik genoeg hebben gespaard voor een auto. Maar na een jaar leerde ik mijn vrouw kennen. We zijn in 1967 nog wel naar Turkije gegaan, maar zij kon daar niet wennen. Toen dacht ik: als we hier blijven dan moet ik ook hier mijn leven opbouwen. Zo ben ik in het verenigingsleven gerold en heb ik de taal geleerd.

‘Mijn generatie is gedrenkt in bloed en tranen. Wij wisten dat wij twee keer zo hard moesten werken om op gelijk niveau te komen met de Nederlanders. Acht uur werken vonden we belachelijk. Het is nu zestig jaar geleden, ik ben er nog steeds. Ik heb zelfs mijn graf in Amsterdam gekocht, dus ook als ik dood ben, ga ik niet meer terug naar Turkije.’

Janusz Cwikla kwam in 2008 als 36-jarige naar Nederland: ‘Ik voel me hier thuis. Mijn kleindochter gaat hier nu ook naar school’

‘De situatie in Polen was niet goed, er was nauwelijks werk. Daarom besloot ik in 2008 te emigreren. Van vrienden die al naar Nederland waren gegaan, hoorde ik dat het daar niet zou uitmaken als je de taal niet sprak, er waren genoeg Polen om in je eigen taal te spreken. Via een van die vrienden kreeg ik contactgegevens van een uitzendbureau.

‘Ik kwam hier in eerste instantie alleen. Het was de bedoeling dat ik na een paar jaar weer terug zou gaan, maar de situatie in Polen verbeterde niet. Daarom hebben mijn vrouw en ik besloten dat zij en mijn dochter ook naar Nederland zouden komen. We kregen de kans om samen aan de slag te gaan in een distributiecentrum van een pakkettenbedrijf.

‘Ik werk daar inmiddels 13 jaar, maar ik ben nog steeds niet in dienst van het bedrijf zelf maar van het uitzendbureau. Tussendoor heb ik twee keer in de WW gezeten, zodat ze mij geen vast contract hoefden te geven. Een lieve man van het UWV wilde me de eerste keer helpen zoeken naar ander werk, maar ik zei: niet nodig, ik kan straks gewoon weer terug naar mijn oude baan. De tweede keer zag hij me weer en zei hij: hoe is dit nu mogelijk?

‘Als mijn gezondheid het toelaat, wil ik graag in Nederland blijven werken. Ik voel me hier thuis. Mijn dochter is hier naar school gegaan, mijn kleindochter nu ook. Wat ook helpt is dat ik Nederlands heb geleerd en lid ben geworden van de vakbond. Ik wilde op gegeven moment gewoon graag kunnen begrijpen wat mijn rechten zijn en wat iemand zegt, zowel face-to-face als achter mijn rug om.’

Over de auteur
Marieke de Ruiter is economieredacteur voor de Volkskrant. Ze schrijft onder meer over de arbeidsmarkt en sociale zekerheid.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Weekendverhalen

Rutger Groot Wassink: ‘Ik vind het echt kwaadaardig dat asielzoekers tot zondebok zijn gemaakt’

Met het Koersk-offensief speelt Zelensky hoog spel in een cruciale fase van de oorlog

Op de begraafplaats bij de kibboets hoor je de knallen uit Gaza. ‘We houden hoop dat mijn broer nog leeft’

Source: Volkskrant

Previous

Next