Het Nederlandse cultuurbeleid is vastgelopen in systemen voor kunstsubsidies, zegt oud-politicus Winnie Sorgdrager. Hoe het anders moet en kan, daar schreef Sorgdrager een boek over. ‘Plaats bibliotheken, muziekvoorzieningen en podia in het hart van het cultuurbeleid.’
Al op zijn eerste dag als minister maakte minister van Cultuur Eppo Bruins (NSC) kennis met wat zijn portefeuille in de praktijk meestal behelst: het verdelen van subsidies. Hij was in juli zijn werkkamer nog geen 24 uur betrokken of het vierjaarlijkse advies van de Raad voor Cultuur voor de subsidieverdeling van de culturele basisinfrastructuur (BIS) belandde op zijn bureau. Pal daarnaast lag de stapel met vierjaarlijkse subsidiebesluiten van de zes rijkscultuurfondsen.
Dat was het begin. Kort daarna ontving Bruins al de eerste smeekbeden van gezelschappen en instellingen van wie de subsidieaanvragen waren afgevallen. De grondtoon van het pijnlijke, maar gebruikelijke ritueel: ‘U kunt dat niet laten gebeuren!’ Ook al neemt het Rijk al decennia een cultuurbudget op in de begroting (497 miljoen euro per jaar voor de periode 2025-2028) het is nooit genoeg om alle goede plannen te financieren. Als Bruins de afvallers met Prinsjesdag niet tegemoetkomt, richten zij zich ongetwijfeld tot Tweede Kamerleden in de hoop dat er nog iets te redden valt.
Over de auteur
Alex Burghoorn is kunstverslaggever van de Volkskrant. Hij schrijft over kunstpolitiek en subsidiebeleid.
Zo gaat het bij het Nederlandse cultuurbeleid eigenlijk altijd over geld, en anders wel over het bureaucratische systeem dat is opgetuigd om dat geld te verdelen. Maar het gaat eigenlijk nooit over de inhoud.
Winnie Sorgdrager (76, D66), minister van Staat, verbaasde zich daar al over toen ze in 2000 net was aangetreden als voorzitter van de Raad voor Cultuur. Gaat het om de kunst of om het systeem? was de titel van een lezing die ze toen hield. Achteraf valt het te lezen als een vingeroefening voor Zuurstof voor de samenleving. Waarom cultuur een regeringszaak is. Het is een oproep aan het kabinet en het parlement – ruim 280 pagina’s dik en deze week verschenen – om een veel zelfbewuster cultuurbeleid te voeren.
U bent in de jaren negentig minister van Justitie geweest en later lid van de Raad van State. Waarom koos u ervoor op dit moment over cultuurpolitiek te schrijven en niet bijvoorbeeld over de rechtsstaat, waar rond het aantreden van het kabinet-Schoof ook veel om te doen is?
‘Het is toeval dat het nu verschijnt. Uitgeverij De Geus vroeg me al in december 2022 of ik een boek over cultuur kon schrijven voor hun boekenreeks Publieke ruimte, waarin onderwerpen van maatschappelijke betekenis worden behandeld. Ik zei ja, want ik wilde altijd nog een keer iets groters met dat onderwerp, omdat we zijn vastgelopen in de systemen voor kunstsubsidies. Het was in het voorjaar af. Het nieuwe kabinet zorgt eigenlijk voor een heel goed publicatiemoment.’ Lachend: ‘Iedereen wil plots met me praten!’
Behalve de verhoging van het btw-tarief voor cultuur naar 21 procent, stond er niets inhoudelijks over cultuur in het hoofdlijnenakkoord. Hoopt u dat de minister wel cultuurbeleid gaat voeren?
‘Ja. De vrees bestaat natuurlijk dat het alleen maar ellende gaat worden. Maar ik hoop dat deze minister een inhoudelijk gesprek op gang brengt: hoe willen we een cultureel landschap genereren waar iedereen aansluiting bij kan vinden? Daar is het tijd voor. Niet alle cultuur hoeft voor iedereen te zijn, maar er moet wel voor iedereen cultuur zijn. Laat het dan niet alleen gaan over onze traditionele cultuur, maar ook over kunst van nieuwe groepen Nederlanders, die de weg in onze subsidiebureaucratie maar moeilijk kunnen vinden, en over de plek die carnaval en midwinterhoornblazen verdienen.’
Zo’n politieke discussie over cultuur is nooit echt gevoerd. Kunnen we dat wel?
‘Het is van begin af aan over geld gegaan. Misschien zit het in onze volksaard. Maar dat is toch schraal? Ik wil me daar niet bij neerleggen.’
Het Nederlandse cultuurbeleid is in de Tweede Wereldoorlog ontstaan uit een onwaarschijnlijk een-tweetje tussen de Duitse bezetter en het kunstenaarsverzet, schetst Sorgdrager in Zuurstof voor de samenleving.
De nazi’s pompten vanaf 1940 bakken met geld in het propagandaministerie Volksvoorlichting en Kunsten. Ze vertienvoudigden het vooroorlogse budget tot 16 miljoen gulden in 1944. Voor het Nederlandse culturele leven – dat in die jaren natuurlijk een zwarte kant had met de beroepsverboden voor joodse kunstenaars en het verplichte lidmaatschap van de Kultuurkamer – was dat nieuw. De Nederlandse regering was met haar calvinistische inborst vrijwel van cultuur weggebleven.
Nederlanders ontpopten zich in de donkere bezettingsjaren tot ware cultuurconsumenten. De kaartverkoop van theaters en bioscopen brak records tijdens de oorlog. Van 33,9 miljoen verkochte bioscooptickets in 1940 ging het aantal naar 55,4 miljoen in 1943. De gang naar het theater groeide in dezelfde jaren toe van 855 duizend naar 1,6 miljoen bezoeken in de zeven grootste gemeenten.
Meteen na de bevrijding drongen verzetsmensen uit kunstenaarskringen er bij het noodkabinet op aan de financiële steun toch vooral voort te zetten. Met succes. Met de Groningse theologiehoogleraar Gerardus van der Leeuw kreeg Nederland zelfs zijn eerste minister voor Cultuur, en hoewel het budget daalde tot 3 miljoen in 1947, was dat toch mooi een verdubbeling van de vooroorlogse begroting.
Het betekende een ommezwaai in de Nederlandse politiek en achteraf gezien was het ook het uitgelezen moment om langer stil te staan bij de rol die de overheid op zich nam. Maar de discussie ging al snel over de poppetjes: wie mocht beslissen naar wie subsidie ging? Bij die vraag hield iedereen zich vast aan de beroemde woorden die de liberale voorman Johan Thorbecke in 1863 sprak: ‘Kunst is geen regeringszaak.’
De stelling was belangrijk. Het kunstbudget van de nazi’s verdiende dan misschien navolging, de verboden waarmee ze de vrijheid van expressie beperkten natuurlijk niet. Politici moesten kunstenaars de wet niet voorschrijven. Maar die overtuiging werkte ook verlammend, schrijft Sorgdrager met zoveel woorden. Door de kunstbegroting steeds verder uit te breiden was kunst en cultuur vanzelf een regeringszaak geworden. Maar met Thorbecke in het achterhoofd zette vrijwel niemand er inhoudelijk echt de tanden in.
Hoe moet de Nederlandse overheid het culturele landschap volgens u inrichten?
‘Het begint ermee dat de regering uitdraagt dat cultuur belangrijk is voor een gezonde samenleving. En dan niet alleen de zogenaamde hoge kunst – dat geldt ook voor regionale tradities of cultuur van migranten. De premier moet dat belichamen. Hij moet een interdepartementaal overleg over cultuur oprichten, om te laten zien dat het belang van levendige cultuur zich uitstrekt tot de ministeries van Gezondheidszorg, Sociale Zaken en Justitie, waar cultuur kan bijdragen aan verlichting of het voorkomen van problemen.
En dan?
‘Om zo veel mogelijk mensen toegang te geven tot cultuur moet het Rijk dan bibliotheken, podia en muziekvoorzieningen centraal stellen in het cultuurbeleid. Die plekken vormen een basisinfrastructuur van laagdrempelige voorzieningen, waarop de evenementen en programma’s voor verschillende gemeenten en provincies afgestemd kunnen worden.
‘Het hoeft niet van de grond af te worden opgebouwd, maar je kunt er wel een overkoepelende visie op ontwikkelen. Bibliotheken zijn zich al aan het ontwikkelen tot culturele plekken waar je meer kunt doen dan boeken lenen. Je kunt er cursussen geven of voor schoolklassen kleine optredens of voorstellingen houden. Theaters en podia staan er in veel gemeenten best mooi bij, maar gemeenteraden houden niet van halflege zalen en dat leidt ertoe dat podia niet meer zo riskant durven te programmeren. Maar waarom is het erg als de zaal niet vol is? Niet alles hoeft immers voor iedereen te zijn.
‘Alle kinderen houden van muziek en Nederland heeft van oudsher een sterke muziektraditie. Door bezuinigingen op muziekscholen en orkesten is daar veel van verdwenen. Onder de vlag van een muziekvoorziening kunnen musici niet alleen concerten organiseren, maar ook kinderen lesgeven. Laat het lesgeld dan weer net als vroeger naar draagkracht van hun ouders zijn. Bij zo’n voorziening moet je natuurlijk ook terechtkunnen voor instrumenten die buiten het orkest vallen. Daar kunnen jongeren zo veel plezier aan beleven.’
Wat moet er met de gesubsidieerde gezelschappen gebeuren?
‘Ik denk dat het Rijk nog maar een paar instellingen rechtstreeks moet subsidiëren: alleen wat van internationaal niveau is. Iemand moet zijn nek uitsteken om die aan te wijzen. Zij hoeven ook niet elke keer nieuwe plannen voor te leggen. Wel houd je bij of de financiën op orde zijn en ga je een keer in de zes jaar langs voor een grondige visitatie.
‘De anderen kunnen dan subsidie aanvragen bij een gezamenlijk fonds voor cultuur. Bij de verdeling kunnen gemeenten en provincies een veel grotere rol spelen dan nu het geval is, omdat ze weten waar hun publiek behoefte aan heeft.’
U vraagt nogal wat. Is er ooit een premier geweest die zich aan cultuurbeleid heeft verbonden?
‘Niet dat ik zo snel weet. Ik vind het jammer dat Rutte zich uit electorale motieven zo heeft afgezet tegen de elite, terwijl hij best van cultuur houdt en erboven had kunnen staan. Ik denk dat iedereen die een grote mond heeft over de subsidieslurpers in de kunst helemaal niet van cultuurbeleid af wil, maar een gesprek zoekt over wat we onder cultuur verstaan.
‘Wim Kok, die premier was van het kabinet waarin ik minister was, had helemaal niets met cultuur. Rotterdam stelde zich toen kandidaat om Culturele Hoofdstad van Europa te worden en Aad Nuis, die staatssecretaris van Cultuur was, vroeg of het Rijk 5 miljoen gulden kon bijdragen. Nou, dat kon echt niet, zei Kok. Er moest maar een loterij worden georganiseerd om het geld bij elkaar te halen. Wat een benepenheid.’
Winnie Sorgdrager: Zuurstof van de samenleving. Waarom cultuur een regeringszaak is. De Geus; 288 pagina’s; € 21,99.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant