De laatste tijd verschijnen er ineens vrij veel romans van cineasten en acteurs. Waar komt die schrijfdrift vandaan? En niet onbelangrijk: is het wat?
De Amerikaanse scenarist en regisseur David Koepp zegt het zo: ‘Bij het schrijven van een roman kun je beter in het hoofd van je personages kijken, meer uitweiden, andere verteltechnieken gebruiken dan bij een film.’
Koepp (61) weet waarover hij spreekt. Met de scenario’s voor Jurrasic Park (1993) en Mission Impossible (1996) zette hij een paar flinke blockbusters op zijn naam, en zelf regisseerde hij thrillers als Secret Window (2004). Toch is een roman wat hem betreft de allerhoogste kunstvorm. Belangrijkste voordeel: er is geen uitleg gevende voice-over nodig, toch altijd een beetje een lapmiddel in een speelfilm. Je kunt de gedachtetrein van de hoofdpersoon gewoon uitschrijven.
Over de auteur
Rob van Scheers schrijft voor de Volkskrant over thrillers, non-fictie, film, muziek en graphic novels.
Dat vertelde Koepp aan de Financial Times, die hem sprak naar aanleiding van het verschijnen van zijn dystopische thriller Aurora (2022). Daarin leidt een zonnestorm tot een langdurige, wereldwijde stroomuitval. Binnen deze apocalyps probeert Aubrey Wheeler met haar dwarse tienerzoon te overleven in de stad Aurora in Illinois.
Koepp: ‘Dat zou een zeer complexe speelfilm zijn, maar op papier draai je daar je hand niet voor om. Alles kán.’
In deze (toch een soort) herontdekking van de roman staat David Koepp niet alleen. De Britse acteur Michael Caine is ook enthousiast, al was zijn commentaar op zijn eigen debuutthriller Deadly Game (2023) in de Britse pers een tikkeltje laconieker: ‘Ik dacht: het zal wel rubbish, worden, maar ik schrijf ’m toch maar. Ik ben vooral trots dat-ie is uitgegeven.’
En filmmaker Werner Herzog op zijn beurt zei in The Guardian over zijn novelle The Twilight World (2022): ‘Het boek kostte mij geen enkele moeite. Ik droeg dit verhaal al jaren met mij mee.’
En dat zijn dan nog maar drie van de filmmakers die het zijpad van het geschreven woord zijn ingeslagen; er zijn er meer. Deels heeft dat natuurlijk te maken met de coronapandemie. Plots hadden ze zeeën van tijd, en daar kwam in 2023 de staking van scenaristen en acteurs in Hollywood nog eens overheen.
Nieuwe producties lagen maanden stil, maar thuis konden ze ongestoord doortikken. Het zal voor de nieuwbakken schrijvers een verademing zijn geweest om de doorgaans zo hectische filmset te kunnen verruilen voor de stilte van de werkkamer.
En niet eens alleen voor de lol, want uitgevers dachten op hun beurt: wacht eens, daar is vast wel een markt voor. Bekende namen, een trouwe schare volgers, ervaring met personages en plot...
En zo zitten we plots met een hausse aan romans, bijeengepend door acteurs en cineasten. Maar is het ook wat, die sciencefictionvertelling van Keanu Reeves? Die Hollywoodsatire van Tom Hanks? Of dat tot boekvorm bewerkte scenario van Quentin Tarantino?
Het maakt nieuwsgierig, al verwacht je er op voorhand niet meteen een toekomstige Nobelprijswinnaar tussen te vinden. Aan de andere kant: filmers zijn net zo goed geoefende verhalenvertellers, met een oog voor dramaturgie en met ervaring in het opbouwen van personages en het timen van dialogen. Daarom hangt er toch een zekere verwachting in de lucht.
En wat je vooraf óók mag constateren: het zijn vooral mannen die de sprong in het literaire diepe wagen. Uitzondering is Miranda July; met All Fours (2024) publiceerde zij deze zomer een goed ontvangen nieuwe roman. Maar omdat zij als actrice, romancier, regisseur, dichter, muzikant en performance artist eerder een totaalkunstenaar is, valt ze enigszins buiten het bereik van dit artikel.
Wat alle aspirant-auteurs heel goed doen, is dat ze dicht bij hun gebruikelijke filmgenre blijven. Je schrijft toch het best over een wereld die je al van binnenuit kent. Actieheld Keanu Reeves (The Matrix) koos bij zijn romandebuut voor het genre van de speculatieve sciencefiction.
In het onlangs verschenen The Book of Elsewhere (Del Rey; € 23,99) – met de Brit China Miéville als co-auteur – draait het in een parallel universum om een strijder die tot zijn eigen verdriet onsterfelijk is. De man heet eenvoudigweg B en tegen zijn psychiater verzucht hij: ‘Ik moord en moord en ik moord nog meer, maar de waarheid is dat ik nu ook weleens rust zou willen vinden.’
Een grotere existentiële crisis is nauwelijks denkbaar. Aardige premisse, maar dit verder nogal raadselachtige verhaal lijkt toch eerst en vooral gericht op hardcore sciencefictionfans en geoefende gamers. Zij spreken die taal en begrijpen de next level tijdsprongen. Voor alle overige lezers blijft het boek wat te hermetisch.
Er zijn van die films waarin je nog wat langer zou willen blijven hangen, gewoon omdat de sfeer je bevalt. Liefhebbers van Once Upon a Time in Hollywood kunnen terecht bij de romanversie (HarperCollins; € 11,99) die Quentin Tarantino in 2021 in elkaar zette – uiteraard in zijn onnavolgbare idiolect. Net als bij zijn films leven we hier in een soort omgekeerde wereld: hoofdzaken worden bijzaken en de échte bijzaken voeren de boventoon.
Zo kan een discussie tussen Hollywood-agent Marvin Schwarz (Al Pacino in de film) en diens cliënt Rick Dalton (Leonardo DiCaprio) over wat nu precies de lekkerste koffie is achteloos een pagina of twintig duren. Veel te lang voor een film, dit is een soort deleted scene – een scène die normaal gesproken op de vloer van de montagekamer eindigt. Maar in een boek kan dat best.
Het aardigste aan de romanversie is dat je meer achtergrondinformatie krijgt over de gevallen filmster Dalton. Schwarz adviseert hem naar Europa te gaan, zoals meer collega’s hem voorgingen. Daar is nog werk genoeg, spaghettiwesterns, vooral.
Schwarz: ‘Je zult jezelf wel een beetje opnieuw moeten uitvinden.’
Dalton: ‘En in wat dan wel?’
Schwarz: ‘Een nederig iemand.’
De Duitse cineast Werner Herzog publiceerde al wel zijn memoires in boekvorm, maar Het schemeren van de wereld (De Arbeiderpers; € 22,99; Nederlandse vertaling Marion Hardoar) is zijn eerste novelle. Daarin volgen we de jonge Japanse soldaat Hiroo Onoda, die in december 1944 door het keizerlijke Japanse leger wordt achtergelaten op het eilandje Lubang in de Stille Oceaan.
De opdracht van de leiding: ‘U zult dit gebied door guerrillaoorlogvoering verdedigen, koste wat het kost. U maakt de regels, maar met één uitzondering: u mag niet door eigen hand sterven. In plaats daarvan zult u, als u gevangen wordt genomen, de vijand allerlei misleidende informatie geven.’
Vaststaat dat Onada zich keurig aan zijn opdracht heeft gehouden. Voordat hij op 9 maart 1974 om 8 uur ’s ochtends door de Japanse majoor Taniguchi met een ceremonie officieel van zijn taak werd ontheven, zwierf hij dertig jaar door de jungle – onwetend dat de Tweede Wereldoorlog allang was afgelopen.
Herzog, die hem in 1997 ontmoette, geeft deze verloren soldaat een gezicht. Hij doet dat in fonkelend proza, een docudrama op papier. De lezer begrijpt: wat moet deze man in angst hebben geleefd. Bovendien wist hij door zijn jarenlange isolement niet meer of het vandaag, gisteren of morgen was, alle dagen leken op elkaar.
Herzog: ‘Een bioscoopfilm laat je niet echt reflecteren op het begrip ‘verglijden van de tijd’. Juist voor Hiroo Onada lijkt die tijd soms jaren stil te staan. Dat gevoel past beter in een boek.’
Hij was al eens eerder van plan geweest om een thriller te schrijven, en wel over een terroristische aanslag op een wolkenkrabber met een gekaapt vliegtuig. Maar toen kwam 9/11 en viel zijn plan in duigen: ingehaald door de werkelijkheid. Maar kijk: op zijn 90ste waagde de Britse acteur nog eens een poging met Deadly Game (Hodder & Stoughton; € 16,99).
Hoofdpersoon is de nukkige Britse inspecteur Harry Taylor. Moeilijke man, kont tegen de krib, uitermate oldskool, en tot ergernis van zijn jongere collega’s rijdt deze 45-jarige Harry nog gewoon rond in een benzineverslindende Jaguar. Een eenling dus, het type waar acteur Michael Caine zelf zo goed in was.
Inspecteur Taylor weet zich geconfronteerd met een wel heel zorgwekkende zaak. Op een vuilnisbelt in Stepney (Oost-Londen) wordt een zware metalen doos aangetroffen met een flinke hoeveelheid uranium. Nog voordat de gewaarschuwde politie is gearriveerd, worden de vuilnismannen overvallen door een gemaskerde bende. Aan Taylor om uit te vinden wie hierachter zit; het onderzoek brengt hem langs de halve planeet.
Michael Caine heeft uitgelegd dat hij zijn verhaal heeft gebaseerd op een krantenbericht waarin twee Eastenders zo’n doos op hun vuilnisbelt vonden. Zou goed kunnen, maar het aardigst aan deze thriller vol actie is dat je door zinsbouw en dialogen als vanzelf dat fameuze Cockneyaccent van Caine in je hoofd hoort. Zo krijg je er in feite een gratis luisterboek bij.
De eerste miskleun van de stapel is de debuutroman van acteur Tom Hanks. De ironische titel lijkt nog veelbelovend: The Making of Another Major Motion Picture Masterpiece (Knopf; € 14,50). Hanks beschrijft de reis van een vergeten stripboek uit de jaren veertig dat in onze tijd wordt verfilmd tot superheldenblockbuster (Knightshade – The Lathe of Firefall), en wel door de zelfverklaarde visionaire regisseur Bill Johnson.
Gezien Hanks’ lange filmcarrière zou je een ‘tell all’-satire verwachten, maar door de veel te brave uitwerking van ruim vierhonderd pagina’s doet de acteur een enorm beroep op het uithoudingsvermogen van de lezer. En dat terwijl er talloze krankzinnige Hollywoodverhalen vol opgeblazen ego’s voor het oprapen liggen. Dan toch liever Tarantino’s bewerking van Once Upon a Time in Hollywood.
De prijs voor de griezeligste cover gaat naar Bloedsneeuw (Parachute Pictures; € 17,99) – het volgende deeltje uit de Amsterdamned-thrillerreeks van Dick Maas, een spin-off van zijn gelijknamige hitfilm uit 1988. We zien een sneeuwpop, maar de ogen zijn echt, en wel van een al vier jaar lang vermist meisje.
Rechercheur Eric Visser (in de oorspronkelijke film gespeeld door Huub Stapel) van de afdeling Ernstige Delicten in Amsterdam wordt op de zaak gezet. Tussen alle speurwerk door haalt Visser als Amsterdamse gabber van de gestampte pot nog gewoon een broodje tartaar speciaal (met ei en ui), maar door de gruwelijkheid van deze zaak smaakt dat opeens veel minder.
Oog voor grappige details kan Maas niet worden ontzegd, en ook naar waarheid opgetekend is dat de Amsterdamse politie inmiddels een unit heeft met autistische personen, omdat die op camerabeelden meer en andere dingen zien dan doorsneeagenten. Zo zit deze wel ‘heel Amsterdamse’ thriller best goed in elkaar.
Tussen alle schrijverij door is Dick Maas ondertussen druk met Amsterdamned 2; de sequel wordt in 2025 verwacht.
Licht amusement, maar niet voor mensen met een zwakke maag: Liarmouth – A Feel-Bad Romance (Farrar, Straus & Giroux; € 17). Deze debuutroman van de Master of Sleaze John Waters is, in zijn eigen woorden, een poging om een van de naarste hoofdpersonen aller tijden neer te zetten. En dus presenteert Waters (78), regisseur van cultklassiekers als Hairspray (1988), Cry-Baby (1990) en Serial Mom (1994), ons de onuitstaanbare Marsha ‘Liarmouth’ Sprinkle.
Ze steelt koffers op de luchthaven van Baltimore – ze mag sowieso graag de boel oplichten, ze liegt en bedriegt, ze wordt gehaat door honden en kinderen, en haar eigen familie wil haar dood hebben. Maar Sprinkle kan dat allemaal niets schelen. De auteur laat haar hardop denken: ‘Ze is dan wel een crimineel, maar wel eentje met stijl.’
De aantrekkelijke Liarmouth heeft een hulpje in Daryl, die ze gebruikt als chauffeur. Contractueel mag Daryl één keer per jaar met haar naar bed, maar de overige 364 dagen niet – en dus wordt hij geplaagd door een permanente erectie.
Soms houdt hij het niet meer, en dan ontploft de boel: iedereen onder. En dat is dan nog maar het begin van alle vunzigheid en vuilbekkerij die Waters met sardonisch plezier over de pagina’s uitsmeert.
Een voorstudie met het oog op een nieuwe Hollywoodfilm kan een boek natuurlijk ook zijn. Michael Mann had met zijn spectaculaire misdaadfilm Heat in 1995 een monsterhit, gedragen door het acteursduo Al Pacino en Robert De Niro. Er was al jaren sprake van een vervolg, maar in 2022 besloot Mann het verhaal eerst op papier te zetten, in samenspraak met thrillerauteur Meg Gardiner: Heat 2 (HarperCollins; € 32,99).
Deze vuistdikke voorstudie kwam prompt hoog binnen op de bestsellerlijst van The New York Times, en dat viel best te begrijpen. Het is een vaardig geschreven prequel en sequel ineen, die in straatwijze taal voor en na Heat speelt.
Alle sleutelpersonages komen weer voorbij. Zo vlucht Chris (Val Kilmer) richting Mexico, als enige overlevende van de roversbende uit de film. We leren meer over de achtergronden van inspecteur Hanna (Al Pacino) en diens onorthodoxe opsporingsmethoden. En ja, in de film liet Neil (Robert De Niro) weliswaar bij die shoot-out op het vliegveld van Los Angeles het leven, maar hier zet hij in een flashback in 1988 nog even een meesterlijke kraak.
In zijn verantwoording noteert Michael Mann (81): ‘Bij elke film geef ik mijn personages vooraf een volledige biografie mee. Om te weten waar ze vandaan komen, hoe ze zij geworden wie ze zijn en hoe ze hun toekomst zien. Dat past lang niet allemaal in de film, het is extra info voor de acteurs die de personages spelen. Door dit boek kreeg ik nu eens de kans hun volledige levensloop met de lezers te delen.’
Inmiddels is Heat 2, de film dus, in voorproductie genomen.
De acht filmmakers hierboven zijn lang niet de enigen die hebben geprobeerd een roman te schrijven. Hun voorgangers zijn niet de minsten. Erich von Stroheim, een meester van de stomme film, kwam in 1935 met Paprika. Elia Kazan (On the Waterfront; East of Eden) publiceerde aan het eind van zijn loopbaan vier romans; Orson Welles schopte het tot drie. Ook Oliver Stone, Ethan Coen en Alex van Warmerdam klommen in de pen; die laatste deed dat in 1987 met de roman De hand van een vreemde. Charlie Kaufman, geroemd om zijn complexe scenario’s als Eternal Sunshine of the Spotless Mind (2004), bracht in 2020 zijn enthousiast ontvangen surrealistische debuutroman Antkind uit.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant