Home

Onze achtertuin verdient het een paradijs te blijven, vrij van ziekte en sterven

De dinsdagkrant berichtte over gênant geëmmer in Bloemendaal. De dreiging van een procedure door een paar buurtbewoners torpedeerde de voorgenomen komst van een hospice. In Abel Bormans’ reportage stonden de argumenten van de tegenstanders opgesomd: er was sprake van bedlampjes die ’s nachts zouden blijven branden, en van buurtkinderen die met terminaal zieke mensen zouden kunnen worden geconfronteerd. Ook zou de parkeerdruk toe­nemen en was er mogelijk sprake van precedentwerking: voor je het weet, heb je naast een hospice ook een woning voor verstandelijk gehandicapten, een revalidatiekliniek of de tijdelijke opvang van enkele tientallen minderjarige asielzoekers. Heb je zo je hele lommerrijke laan vol brandende nachtlampjes, een oplichtend spoor van stille verwording.

Met dat laatste, die tientallen minderjarige asielzoekers die tijdelijk zouden worden opgevangen in een leegstaande pastorie, werd Bloemendaal een jaar geleden trouwens ook al het ­epicentrum van een giechelbeving. Destijds rukten journalisten massaal uit en zwiepten hun microfoons in de rondte op raadsvergaderingen waar geagiteerde rijke stinkerds elkaar in de ­haren vlogen. Over die kwestie schreef ik destijds dat het gek ­genoeg nog steeds verbazing wekte dat inwoners van miljonairsdorpen niet allemáál enorm geneigd zijn tot ruimhartig delen. Het is niet moeilijk lachen om miljonairsdorpen. Neem deze ­column, de zinnen glijden als vanzelf onder mijn vingers vandaan. Weinig eenvoudiger en bevredigender dan schrijven over egocentrische mensen met geld.

Uiteindelijk bleek het in Bloemendaal te gaan om slechts een paar buurtbewoners die de boel middels procederen wilden traineren. Ze kregen hun zin. En zo ging de rest van het artikel over de procedeerhonger van Nederlandse burgers. Zelfs een ­minister met een uitgesproken hekel aan stikstofregels procedeerde privé met haar buren tegen de komst van een woonzorgcentrum, door zich te beroepen op diverse stikstofregels.

We lijden collectief aan het Syndroom van Nimby: onze achtertuin verdient het een paradijs te blijven, een steriele, schaduwrijke omgeving, vrij van ellende, ziekte, beperking, een plek waar de dood niet bestaat. Zodra wij met de buitenwereld geconfronteerd worden, bellen we de politie, de krant of een advocaat. Wij hebben niet om de wereld gevraagd, dus wat doet-ie op onze stoep?

Ja, een pad thai, die hebben we besteld, maar andere mensen? Kan ik me niet herinneren. ‘Samenleving’? Wat is er eigenlijk ­tegen een meteenpaargelijkgestemdensamenleving? Zelfs sterven, een van de meest wezenlijke én minst overlastgevende activiteiten waar de mens toe in staat is, moet ver weg gebeuren. Als we het maar niet horen, als onze kinderen maar niets merken. In Een kind schrijft Thomas Bernhard: ‘Iedereen sterft, ik niet, iedereen, niet mijn grootvader, daar was ik zeker van.’ Dood, dat gaan de anderen. Meestal mensen die te beroerd zijn hun bedlampje uit te knippen.

En echt: het zijn niet alleen de villadorpen, het zijn niet alleen die paar miljonairs die ’s nachts wakker schieten en huilend ‘precedentwerking’ gillen. We lijden allemaal aan het Syndroom van Nimby, Bloemendaal is niet meer dan de lachspiegel waarin we onszelf kunnen herkennen. En wat betreft het terugkerende gedoe rond miljonairsdorpen, stel ik voor dat die paar straten en hun inwoners eerlijk worden verdeeld over de rest van het land; iedere gemeente neemt er een paar op. Alleen zo wordt het overal in Nederland weer leef- en sterfbaar.

Over de auteur
Frank Heinen is schrijver en columnist voor de Volkskrant. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.

Source: Volkskrant

Previous

Next