De oorlog was voorbij, dachten de gevangen van kamp Vught op Dolle Dinsdag, komende week tachtig jaar geleden. Tot er een trein aankwam en de nazi’s het kamp ontruimden. Ad van Liempt reconstrueerde de rampzalige laatste maanden in Vught.
De bevrijding leek zo dichtbij op die dinsdagmorgen. Een paar uur lang dachten de gevangenen van Kamp Vught dat ze het hadden gehaald, dat de oorlog voorbij was. Maar in de namiddag van 5 september 1944 sloeg hun uitgelaten stemming om, toen op de spoorlijn langs het kamp een lange trein kwam aangereden.
’s Ochtends hadden de gevangenen nog schoten gehoord op de nabijgelegen fusilladeplaats. Opnieuw waren tientallen mannen geëxecuteerd, zoals in de weken daarvoor dagelijks was gebeurd. Het geratel van het vuurpeloton was nog maar net verstomd toen er paniek leek uit te breken onder de SS’ers. In de verte klonk het geluid van explosies, het gerucht zwol aan dat de geallieerden naderden, dat het Rode Kruis elk moment het kamp kon overnemen.
Totdat er dinsdagmiddag bij kampcommandant Hans Hüttig een instructie binnenkwam van de hoogste SS-chef in Nederland. In twee dagen tijd ontruimden de nazi’s het kamp, alle 3.450 gevangenen gingen in veewagons op transport naar concentratiekampen Sachsenhausen en Ravensbrück.
Over de auteur
Ellen de Visser is wetenschapsredacteur van de Volkskrant en schrijft regereld over de Tweede Wereldoorlog.
Volgende week is het tachtig jaar geleden dat de gebeurtenissen in Vught een fatale afslag namen. Dolle Dinsdag, zo is 5 september 1944 de geschiedenis ingegaan: de dag waarop het nieuws rondging dat de bevrijding op handen was. De geallieerden waren op 4 september in Antwerpen aangekomen, het idee was dat ze snel zouden doorstoten. Duitsers en collaborateurs sloegen op de vlucht, Nederlanders gingen feestend de straat op. Maar de geallieerde opmars stokte, en nergens waren de gevolgen van de geruchtenmachine zo allesbepalend en desastreus als in het kamp op de Brabantse hei, concludeert historicus en journalist Ad van Liempt in zijn boek Wraak op het verzet.
‘Men snoof en rook de vrijheid’, herinnerde een van de oud-gevangenen zich na de oorlog. ‘Daar kan ik de tranen van in mijn ogen krijgen’, zegt Van Liempt. ‘Ze waren ervan overtuigd dat ze het hadden gered, gevangenen vielen elkaar om de hals. En toen kwamen de treinen. Wat een bizarre dag moet dat zijn geweest, ze moeten verbijsterd de wagons zijn ingegaan.’
In zijn boek, dat donderdag verschijnt, reconstrueert hij de laatste rampzalige maanden van Kamp Vught, het kamp dat in januari 1943 werd geopend voor het vastzetten van Joden en vijanden van het naziregime, vooral verzetsmensen. Het is zijn twintigste boek over de Tweede Wereldoorlog, een onderwerp dat hem mateloos fascineert. Thuis, in Doetinchem, staan ze in zijn werkkamer op een rij. Hij schreef onder meer over de jacht op het verzet, over het nazibolwerk op de Maliebaan in Utrecht en over Albert Gemmeker, de kampcommandant van Westerbork.
Voor zijn nieuwe boek maakte hij veelvuldig gebruik van de memoires van oud-gevangenen, waarvan hij er ruim twintig ontdekte, vaak in bibliotheken en bij online antiquariaten. Het waren er veel meer dan hij had gedacht. ‘Het zijn gedetailleerde, prachtig opgeschreven ooggetuigenverslagen’, zegt hij.
In het Duitse Bundesarchiv in Ludwigsburg vond hij bovendien duizenden justitiële documenten over Kamp Vught, met daarin veel informatie die het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie na de oorlog had aangeleverd om de Duitse justitie te ondersteunen bij het onderzoek naar de verantwoordelijke nazi’s.
Zo slaagde hij erin om de levensweg van vele tientallen gevangenen door elkaar te vlechten en een indruk te geven van hoe het tachtig jaar geleden geweest moet zijn.
In de bunker, de vreeswekkende gevangenis van het kamp, waar de ter dood veroordeelde verzetsmensen dagelijks de executies hoorden van hun kompanen. Na het salvo van de machinegeweren bleef het altijd even stil, waarna er losse knallen klonken, de nekschoten. De gevangenen telden mee om te weten hoeveel kameraden er die dag weer waren vermoord.
In de treinen, die drie dagen en nachten doorreden, met hun op elkaar geperste menselijke vracht. De gevangenen moesten staan, zonder eten, drinken en zuurstof, in de pies en de poep, terwijl om hen heen de een na de ander bezweek.
In de kampen, waar de gevangenen, uitgeput en vaak doodziek, als oud vuil werden achtergelaten en in onmenselijke omstandigheden stierven.
Te midden van alle misère vond hij ook voorbeelden van heldenmoed. Zo verdonkeremaande een Amsterdamse verzetsman op de kampadministratie van Sachsenhausen een kist met Nederlandse dossiers, waarmee hij het leven redde van gevangenen uit Vught die gefusilleerd hadden moeten worden. Een groep Nederlandse vrouwen die na omzwervingen vanuit Vught in een fabriek nabij Dachau terecht was gekomen, ging daar in staking vanwege het slechte voedsel. Staken in een concentratiekamp, hij noemt het ‘uniek’ en vooral ‘buitengewoon gedurfd’.
Het is een beklemmend boek geworden, het schrijven heeft hem niet onberoerd gelaten, zegt hij. De gebeurtenissen waren zoveel gruwelijker dan hij had gedacht. Hij heeft het verhaal met opzet ‘geserreerd’ opgeschreven. ‘Toen ik nog bij de televisie werkte, heb ik een belangrijke les geleerd. Je moet laten zien dát het erg is, je hoeft niet te laten zien hoe erg het is. Dat kan ertoe leiden dat mensen het niet meer willen zien.’
De Duitse wraaklust ontstond aan het begin van de zomer van 1944. De nazitop, woedend over de aanslagen die het verzet bleef plegen, en in het nauw gedreven door de oprukkende geallieerden, besloot om vijanden voortaan genadeloos te behandelen. Een Befehl van de Führer maakte een einde aan de rechtspleging in de bezette gebieden: tegenstanders konden zonder proces worden doodgeschoten. Voorkomen moest worden dat geallieerden steun kregen van bevrijde verzetsmensen, dat waren de meest overtuigde vijanden van de nazi’s.
Het vormde de opmaat naar de massa-executies van verzetsmensen die bijna drie maanden lang zouden plaatsvinden, op de schietbaan naast Kamp Vught. Van Liempt is ervan overtuigd dat de nazitop daarover afspraken had gemaakt, hoewel hij er in de archieven geen bewijs voor heeft gevonden. ‘Uit het hele land werden de belangrijke verzetsmensen opeens naar Vught gedeporteerd, hoogstwaarschijnlijk omdat ze er daar makkelijk vanaf konden komen. Het kamp had een eigen crematorium, zo konden de doden worden verdonkeremaand.’
Het is zo extreem wat er de laatste maanden in Kamp Vught is gebeurd, zegt hij: ‘Honderden mensen doodgeschoten, van wie het grootste deel zonder vorm van proces, zo massaal, systematisch en rücksichtslos. En daarna de deportatie van een heel kamp.’
Die deportatie was het gevolg van het besluit van SS-topman Heinrich Himmler dat geen enkele gevangene in handen van de geallieerden mocht vallen. Zij waren immers de getuigen van de wreedheden in de kampen. Die beslissing leidde in de laatste oorlogsmaanden overal tot haastige transporten en dodenmarsen. Door de geallieerde opmars werd het gebied waar de nazi’s hun uitgeputte dwangarbeiders konden dumpen steeds kleiner.
In Vught nam de kampleiding, opgejaagd door het foutieve nieuws over de naderende geallieerden, niet eens meer de tijd om transportlijsten te maken, alle gevangenen werden razendsnel de treinen in gejaagd. Het aantal gedeporteerden is bekend, hun namen niet. Hun lot is nooit eerder goed in kaart gebracht. Aan de hand van Duits onderzoek, dat deels is gebaseerd op cijfers van het Rode Kruis, komt Van Liempt tot een voorzichtige schatting: van de 3.450 gevangenen die in die laatste dagen werden gedeporteerd, keerde meer dan de helft niet terug. ‘Terwijl ze er op de ochtend van 5 september nog van overtuigd waren dat de bevrijding voor de deur stond.’
Het aantal geëxecuteerde verzetsmensen raamt hij op ruim vierhonderd. Van 329 zijn de namen bekend: ze staan op het monument op de voormalige fusilladeplaats.
Er is één lichtpuntje: op de dag dat de geallieerden in Normandië aan land gingen, kwam er in Auschwitz een transport aan van 496 Joden uit Kamp Vught. Ze hadden daar gewerkt in het Philips-Kommando, het werkkamp waar ze radiobuizen produceerden voor de Duitse oorlogseconomie. In Vught was bovenaan hun transportlijst genoteerd dat zij ‘geschoolde radiotechnici’ waren. Die opmerking bleek levensreddend. Hun kennis was voor de nazi’s van zoveel waarde dat geen enkele gevangene naar de gaskamer werd gestuurd. Van de groep overleefde 80 procent de oorlog, een ‘ongekend hoog percentage’ voor een transport naar Auschwitz, aldus Van Liempt.
Vlak voordat Van Liempt het manuscript van zijn boek moest inleveren, kreeg hij alsnog toestemming om de bunker in Vught te bezoeken. De voormalige kampgevangenis staat nu op het terrein van de penitentiaire inrichting en is niet openbaar toegankelijk. Daar stond hij, in de kleine cellen zonder daglicht, en hij dacht aan al die mannen die daar, in doodsangst, hun laatste uren hadden doorgebracht.
Het is eigenlijk een schande, zegt hij, dat een gevangenis met zo’n macabere geschiedenis, een plek waar zo goed zichtbaar is wat zich in de oorlog heeft afgespeeld, niet publiek toegankelijk is. Het gebouw wordt nu gebruikt als kantoor; op de binnenplaats waar ooit de mannen voor hun executie bij elkaar werden gedreven, zag hij bestelbusjes staan.
Na de oorlog is geen enkele nazi-topman ter verantwoording geroepen voor de oorlogsmisdrijven in Kamp Vught, ontdekte Van Liempt. De meeste betrokkenen zijn weliswaar gestraft, maar niet voor hun misdaden in het Brabantse kamp. Twee van hen zijn ter dood gebracht, maar voor andere misdrijven.
‘De nazi's hebben veel werk gemaakt van het laten verdwijnen van belastende documenten maar in Vught heeft dat een hoge graad van perfectie bereikt’, schrijft Van Liempt. Daardoor konden daders verklaren dat ze van niets wisten of anderen beschuldigen. Kampcommandant Hans Hüttig zei doodleuk tegen een slecht geïnformeerde onderzoeksrechter van het Amerikaanse leger dat de galg in het kamp een schommel was geweest. Hij kwam ermee weg.
Erich Deppner, de SS’er die bepaalde wie er in Vught geëxecuteerd moest worden, ontsprong zelfs volledig de dans. Met dank aan het Duitse justitie-apparaat, dat oorlogsmisdrijven al snel verjaard verklaarde, behalve de ‘opzetttelijke moord’. Van Liempt: ‘Maar als er iets opzettelijk is, dan is het wel een handtekening zetten onder een executieopdracht.’ Met dank ook aan de kliek oude nazi’s die na de oorlog bij justitie konden blijven werken en rechtszaken blokkeerden.
Het is een bittere conclusie, zegt hij: ‘Er zijn in Vught zulke ernstige misdrijven gepleegd en geen rechter heeft erover geoordeeld.’
Ad van Liempt: Wraak op het verzet – Hoe de laatste maanden van Kamp Vught vele honderden levens kostten. Balans; 272 pagina’s; € 23,99.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant