De spanning neemt heel langzaam toe in de Ronde van Spanje. Rodetruidrager Ben O’Connor ziet zijn enorme voorsprong slinken. Zeker nu zijn concurrenten de handen ineen beginnen te slaan.
De elfde etappe van de Vuelta, woensdag van en naar Padrón in het noordwesten van Spanje, was zo’n klassieke twee-in-één rit in een grote ronde. Zo een met te weinig camera’s op de motor om vooraan de strijd om de ritzege te registreren én enkele minuten daarachter de gevechten om de rode leiderstrui.
De 27-jarige Ier Eddie Dunbar won de etappe en klassementsleider Ben O’Connor verloor weer wat van zijn voorsprong.
Voor Dunbar was het de vierde en grootste overwinning uit zijn carrière. Hij was erbij toen een kopgroep van liefst 39 renners zich losmaakte van het peloton met daarin de top-10 van het algemeen klassement. Al snel werd duidelijk dat de winnaar van de rit, waarin de Nederlandse ronderenner Thymen Arensman niet was gestart wegens corona, uit die grote kopgroep zou komen. Maar aan Dunbar dacht niemand.
Over de auteur
Robert Giebels is sportverslaggever van de Volkskrant en schrijft over wielrennen en Formule 1.
‘Dat was ook mijn tactiek’, legde de Ier uit. ‘Mijn ervaring zei me op de achterste rij te gaan zitten.’ Op 600 meter van de finish kon Dunbar zich niet meer inhouden en plaatste hij een indrukwekkende demarrage, waarvan de kwaliteit vanuit de lucht goed te zien was. Tegen de tijd dat de rest door had dat ze Dunbar niet moesten laten lopen, was het te laat.
‘600 meter is wel lang voor een sprint, maar er was geen weg meer terug voor me’, zei een steeds meer tegen de tranen vechtende Dunbar. Hij vertelde dat hij sinds de vorige Vuelta ‘zeven á acht keer’ was gevallen, wat fysiek, maar vooral mentaal zijn tol had geëist. ‘Ik dacht regelmatig dat ik geen toekomst meer had in deze sport; al die blessures, steeds maar terugkomen.’ Maar vandaag, zei hij met glanzende ogen, bleek dat het goed was dat hij door had gezet.
Circa 3,5 minuut nadat Dunbar het hoofd schudde van ongeloof en over de finish kwam, passeerde Primoz Roglic dezelfde plek. De Sloveen toont zich bijna elke dag de beste klassementsrenner in koers, maar maakte de fout in de zesde etappe O’Connor te laten wegkomen.
De Australiër pakte toen het rood met een enorme voorsprong op Roglic en de rest, waarop er voor dat gezelschap niets anders opzit dan het restant van de Vuelta te gebruiken om de achterstand in meerdere stappen goed te maken.
Woensdag was uitgerekend in de enorme kopgroep van Dunbar te zien dat Roglic plannen had de eerdere opgedane schade deels te repareren. Hij liet via de oortjes zijn minuten voor hem fietsende Red Bull-Bora-ploeggenoten uit de groep vooraan terugzakken. Ze moesten hun kopman bijstaan om een aanval op de rode trui te plaatsen.
Toen de drievoudig Vuelta-winnaar zich voldoende gesteund voelde, sloeg hij toe, liet O’Connor achter en kreeg alleen Enric Mas mee, niet geheel toevallig de nummer 3 van het de algemene rangschikking. Later voegden nummer vijf en zes Mikel Landa en Carlos Rodriguez zich er nog bij en ook Richard Carapaz, op plek vier, wist O’Connor te lossen.
Roglic, Mas, Landa en Rodriguez snoepten 37 tellen af van hun achterstand op het rood, Carapaz 22 seconden. Dat is niet veel op de 3 á 4 minuten die ze nog te gaan hebben, maar het is wel een mentale tik voor de volgende etappe. In rit 12 van donderdag krijgt O’Connor naar verwachting weer fellere aanvallen te verduren.
Een leiderstrui, roze, geel of rood, laat de drager aantoonbaar boven zichzelf uitstijgen. Denk aan de in het geel gestoken Katarzyna Niewiadoma die de recente Tour de France Femmes tegen alle voorspellingen toch won door Demi Vollering op diens specialiteit te verslaan.
Het rood maakte in het begin ook bij O’Connor onvermoede krachten los. Maar zoals zijn concurrenten stap voor stap zijn voorsprong reduceren, zo geleidelijk lijkt de rode leiderstrui langzaam zijn stimulerende magie te verliezen bij de Australiër. Hij moet die nog tien etappes aanspreken.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant