Het maakt niet uit, zei Ronald Giphart toen zoon Broos uit de kast kwam. Tot Broos hem liet inzien dat een coming-out nog altijd beladen is, ook in een progressieve familie. Ze besloten er een boek over te schrijven. ‘Mijn ouders waren zich niet bewust van mijn worsteling’.
Dat niet álle homo- en biseksuele mannen voortdurend in darkrooms te vinden zijn en een losbandig seksleven leiden, is een van de dingen die schrijver Ronald Giphart (59) leerde van zijn zoon, politicoloog en tv-producent Broos Lammes (26), na diens coming-out.
‘Die gemakkelijke altijd beschikbare seksualiteit. ‘‘Hé, jij hebt een leuke snor, ik ook, laten we elkaar een beurt geven.’ Dat is een soort heteroseksuele mannenfantasie over homoseksualiteit. Dat stereotype was misschien wel het eerste dat Broos mij afleerde’, zegt Giphart daarover, op een zomerse middag in een Utrechts bruin café.
Over de auteur
Eke Krijnen is schrijver en docent. Ze is de auteur van Een echte ouder – Over queer ouderschap.
Een veel ingrijpender inzicht dat Lammes zijn vader bijbracht, is hoe heteronormatief de samenleving nog altijd is. Die samenleving maakt dat het voor een kind moeilijk kan zijn om te ontdekken dat je homo bent, óók als je opgroeit in een progressief en ruimdenkend gezin, waarin homoseksualiteit geen taboe is. Giphart en Lammes besloten er samen een boek over te schrijven: Dat maakt ons helemaal niets uit – Ouders en kind uit de kast, dat eind augustus verschijnt.
Het is ‘geen zelfhulpboek of blauwdruk met lijstjes, tips en kant-en-klare manieren over hoe je als kind uit de kast kunt komen en hoe je als ouders zou kunnen (of moeten) reageren, maar hopelijk wel een boek dat inspireert en tot nadenken stemt’, schrijven ze in de inleiding.
Naast twee laagdrempelige informatieve hoofdstukken over de geschiedenis van het concept homoseksualiteit en biologische verklaringen ervoor, vertellen Lammes en Giphart ieder hun persoonlijke verhalen. Die verhalen worden afgewisseld met interviews met acht queer mannen en vrouwen tussen de 20 en 82 jaar over hun coming-out.
De titel van het boek, Dat maakt ons helemaal niets uit, vormt de kern van de reactie die Lammes kreeg van zijn ouders toen hij eindelijk op zijn 20ste al zijn moed bij elkaar had geraapt en een foto liet zien van de jongen met wie hij op date ging. ‘Wat een ongelofelijke knapperd’, antwoordde zijn moeder. En dat was dat.
Is een reactie als ‘dat maakt ons helemaal niets uit’ fijn voor een kind om te krijgen als je uit de kast komt?
Lammes: ‘In eerste instantie ben je natuurlijk blij met zo’n opmerking, maar het voelde uiteindelijk een beetje als een anticlimax. Mijn coming-out was iets waar ik jarenlang tegenop had gezien. Ik vond het een heel eng moment, misschien wel het engste moment uit mijn leven. Na vijf minuten gingen mijn ouders verder met de dag en zat ik daar met al mijn stress, opgebouwde spanning, schaamte, en dacht ik: is dit het nou? Het klinkt misschien een beetje cliché of Amerikaans, maar ik voelde me niet helemaal gezien. ‘Hallo, papa en mama, voor jullie is het misschien geen probleem, maar voor míj wel!’ Ik heb me daar wel een tijd gefrustreerd over gevoeld.’
Wat zou je willen dat ze gezien hadden, op dat moment?
Lammes: ‘Achteraf had ik wat meer het gesprek willen aangaan, uitleggen waarom het zo lang geduurd had, door welke worsteling ik ben gegaan. Misschien vond ik dat de eerste dagen na de coming-out te eng, maar op een gegeven moment had ik daar behoefte aan. Ik vond het moeilijk dat mijn ouders zich niet echt bewust waren van die worsteling.’
Ronald, hoe zie jij die reactie nu?
Giphart: ‘Het maakt ons écht niet uit dat Broos homo is. Dat hebben we ook zo gezegd: ‘Jij gaat op date met een jongen, wat leuk!’ Maar het maakt wél iets uit. Daar zijn mijn vrouw en ik de dagen erna ook over gaan praten. De kans dat Broos een moeilijker leven voor zich heeft, is groter dan wanneer hij een volgens de gangbare normen normaal leven leidt. Wat is onze rol daarin? En wij hebben ook verwachtingen over de toekomst. Hij kan natuurlijk nog steeds kinderen krijgen, maar als hij hetero was, is de gang naar kinderen voorspelbaarder. En mogen wij ons daarop focussen als ouders? Dat zijn allemaal vragen die in ons opkwamen.’
Lammes groeide met zijn broer en zus op in een fijn nest, waarin de seksuele moraal ‘allesbehalve bekrompen’ was. Op zijn 10de vertelde zijn opa al dat twijfelen over je geaardheid heel normaal was, en in de boekenkast van zijn stiefoma stond een lesbisch pornografisch werk, dat zijn tante had vertaald, pontificaal in het zicht. ‘Ik heb me daarom vaak afgevraagd waarom het mij dan toch zo ontiegelijk veel tijd heeft gekost om uit de kast te komen. Waarom ik zo’n enorme afkeer had van homoseksualiteit, homo’s, regenboogvlaggen, Gerard Joling en het Songfestival. En zelfs van dat ene woord, de verschrikkelijke combinatie van die vier letters: ‘homo’’, schrijft Lammes.
Heb je daar tijdens het schrijven van dit boek een antwoord op kunnen vinden?
Lammes: ‘Ik denk dat het vooral school was, en voetbal en hockey. Je weet al op jonge leeftijd dat het woord homo wordt gebruikt als scheldwoord. Als iemand iets stoms doet, de bal mist, dan ben je een homo, een vieze homo, een kankerhomo. En je weet, nog voor je er zelf bewust van bent dat je op jongens valt: dat woord wil ik niet zijn, want ik wil niet anders zijn.’ Operatie ‘Nooit Een Homo Worden’, noemt Lammes dat in het boek.
Homofobie is een onderwerp dat in het gesprek en het boek steeds terugkeert. Zijn ouders schrokken toen ze hoorden wat Lammes naar zijn hoofd geslingerd kreeg door een groep zakenmannen toen hij een keer met een jongen aan een Amsterdamse kade zat. De week van ons gesprek kijkt Lammes voetbal in een café en scheldt een clubje 18-jarigen voortdurend met ‘homo’. Lammes: ‘Mij doet dat nu echt niets meer. Maar waar ik me wel boos over kan maken: bij dat clubje jongeren is er misschien wel iemand die net ontdekt heeft dat hij op jongens valt. Dan is het écht niet leuk als degene naast jou de scheidsrechter voor teringhomo uitmaakt.’
Weegt wat ouders thuis doen op tegen dat soort homohaat?
Giphart: ‘Voor dit boek hebben we ook gesproken met wetenschappers, en uit onderzoek blijkt dat leeftijdgenoten een veel en veel grotere invloed hebben op persoonlijke ontwikkeling dan ouders. Ik wist niet dat die homohaat op school zo groot was. Wat een les is geweest, wat we beter hadden kunnen doen als ouders, is meer de nadruk leggen in de opvoeding van Broos en onze andere kinderen: als er op school negatief gesproken wordt over homo’s, weet dan dat dat niet klopt, dat dat voortkomt uit onzekerheid of iets dergelijks. Ga er niet in mee.’
Nu we het over de opvoeding hebben… In het boek verwijzen jullie een aantal keer naar homograppen die Ronald thuis heeft gemaakt.
Lammes: ‘Ik vind het lastig. Er werden bij ons thuis enorm veel grappen gemaakt. Ik kan met zekerheid zeggen dat ik wist, op het moment dat die grappen werden gemaakt, dat daar geen oordeel aan verbonden was, omdat mijn moeder de dag ervoor nog had gezegd: ‘Ik zou het ook heel leuk vinden als je met een jongetje thuiskomt.’ Maar het zijn wel dingen die je onthoudt. Ik herinner me dat ik een Sissi-film keek, ik was niet ouder dan een jaar of 9. Mijn vader kwam binnen en die zei: ‘Ben je nou Sissi aan het kijken? Ben je homo?’ Ik dacht op dat moment: geen Sissi meer kijken, dus.’
Giphart: ‘Dat zou ik tegenwoordig echt anders doen. Voortschrijdend inzicht. Als er nu een kleinkind Sissi zit te kijken, dan loop ik naar boven om een prinsessenjurk te halen, bij wijze van spreken. Ik kom ook uit een gezin waar heel veel grappen werden gemaakt. Alle grappen die ik bijvoorbeeld over Groningers gemaakt heb… Jij maakt ook veel grappen, Broos.’
Lammes: ‘En nog steeds kan ik lachen om veel van die grappen, als ik er nu over nadenk. Maar op dat moment wilde ik onzichtbaar zijn, wilde ik niet eens dat mensen zagen dat ik überhaupt slikte. Dat is een rotgevoel. Ik weet niet hoe mijn coming-out was geweest als die grappen thuis er niet waren geweest. Misschien wel even kut.’
Ronald, in het boek beschrijf je die grappen als een onderdeel van een heteronormatieve wereld, waar je je nog niet bewust van was.
Giphart: ‘Natuurlijk heb ik ook wel geworsteld met eigen rol, en is het misschien wat gemakkelijk om te zeggen: dat had ik anders moeten doen. Maar ik weet niet wat ik dan wel moet zeggen. Het is níét gemakkelijk om er een boek over te schrijven. Dat is ook een manier om ermee om te gaan.’
Lammes: ‘Laatst noemde mijn broertje iemand op tv een flikker, en toen hoorde ik mijn ouders allebei zeggen ‘Wát zei jij?’ en toen moest hij het terugnemen. Ik merk wel een verschil bij m’n vader. Vorig jaar in de auto en hadden we een gesprek over iets met genderinclusie, en zei ik op een gegeven moment: ‘Pap! Boze witte man, hou het voor je!’ Een half jaar later post hij op Instagram aan de lopende band over homorechten die worden ingeperkt. Dat is een ontwikkeling bij hem die ik leuk vind om te zien.’
Giphart: ‘We discussiëren regelmatig, over bijvoorbeeld de term ‘mensen met een baarmoeder’. Soms ga ik er aanvankelijk in met mijn jaren-negentiggedachten en word ik door hem overruled. Je moet leren van je kinderen.’
Ted, een van de twee vrouwen die jullie spraken, zegt in het gesprek dat ze graag meer informatie over vrouwelijke homoseksualiteit had gehad in haar jeugd, dat ze van alles wist over mannen maar vrouwen onzichtbaar waren. Jullie spraken slechts twee vrouwen en verder alleen mannen, één persoon van kleur.
Giphart: ‘We hebben gezocht naar verschillende leeftijden en gezinsachtergronden. We hebben een katholieke jongen en Haroon Ali gesproken (schrijver met een Pakistaans-Nederlandse achtergrond, red.). Het zou ook cynisch zijn geweest als we alleen hadden geselecteerd op dat er nog iemand van kleur bij moest, bijvoorbeeld.’
Lammes: ‘We hebben er expliciet voor gekozen om in dit boek het trans en non-binaire thema niet te behandelen, omdat het zo anders is dan mijn verhaal. Bij trans en non-binaire mensen gaat het om het gender waarmee ze zich identificeren. Dat gaat veel dieper en is in de maatschappij veel minder geaccepteerd. Dat verdient zijn eigen boek, geschreven door iemand die daar zelf ervaring mee heeft. Ik kan daar gewoon niet over meepraten.
‘We waren ons ervan bewust dat er meer aandacht was voor mannen, ook in het informatieve gedeelte. We hebben de mensen geïnterviewd die op dat moment op ons pad kwamen en aan ons werden voorgesteld. Op een gegeven moment hadden we er acht. Toen hebben we besloten: nu is het klaar.’
In het boek zegt schrijver Haroon Ali over het fenomeen ‘uit de kast komen’ dat de mal waarin we dat in het Westen doen niet op iedereen toepasbaar is. Is het inderdaad een mal, een keurslijf, dat uit de kast moeten komen?
Giphart: ‘Ja. Ik denk ook dat dat aan het shiften is. Kijk maar naar Ted. Zij is nooit uit de kast gekomen bij haar ouders. Zo ben ik aan Ted gekomen. Ik sprak haar ouders, en die zeiden: ‘We denken dat Ted op meisjes valt, maar we weten het niet helemaal zeker.’’
Waarom denk je dat zij dat niet deed?
Giphart: ‘Gewoon, daar heeft niemand wat mee te maken, waarom zou ze dat moeten doen?’
Lammes: ‘Zelf vind ik uit de kast komen wel iets fijns. Dat je ouders niet weten waarop je valt, maakt het ook beladen. Door te zeggen: ‘Ja, ik val op jongens’, haal je een spanning uit de lucht. Iemand zei laatst tegen me dat het anderen niets aanging. Dat voelt bijna alsof het toch iets is om je voor te schamen. Hoezo gaat dat anderen niet aan? Het is toch leuk om nu te zeggen? Dat mensen niet meer uit de kast hoeven komen: in een ideale wereld, ja. Maar we leven nog niet in een ideale wereld.’
De auteurs benadrukken meermaals dat het boek niet bedoeld is als kant-en-klare gids voor ouders en kinderen hoe om te gaan met een coming-out, maar dat het aanknopingspunten biedt voor een gesprek en inzichten geeft in hoe het bij andere ouders en kinderen gegaan is. Tegen het einde van het gesprek haalt Giphart een tip aan van een van de vaders die ze spraken: ‘Als het zover is dat je kind het vertelt, dan gaat het op dat moment alléén om het kind, niet om jou. Het eerste wat je zegt is: ‘We houden van je.’ Het tweede wat je doet: je gaat naar de koelkast, pakt een fles champagne en je gaat het vieren.’
Wat vier je dan op zo’n moment?
Lammes: ‘Je viert dat het kind de moed heeft iets heel persoonlijks met zijn ouders te delen. Dat die band er is.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant