‘Zullen we anders nu nog even tanken?’, vraagt mijn vrouw. We rijden naar het strand en komen langs een tankstation waar de benzine zo goedkoop is dat je er eindeloos rondjes omheen zou willen blijven rijden, om steeds maar te kunnen tanken en dan te lachen.
Maar het is heet en een duik in de zee lonkt. ‘Nee’, zeg ik beslist, ‘doen we straks wel.’ We rijden over een steile weg naar beneden, met aan het einde een schier onmogelijke haarspeldbocht die uitkomt op een ongeasfalteerde parkeerplaats aan het strand. We laden de auto uit en vinden een plekje voorbij het mulle, hete zand, dicht aan het water.
Over de auteur
Julien Althuisius is schrijver en voor de Volkskrant columnist over het dagelijks leven.
Net als de parasol is opgezet worden de groene vlaggen vervangen door rode. Medewerkers van de reddingsbrigade lopen heen en weer langs de branding, blazen op hun fluit en gebaren zwemmers snel uit het water te komen.
Ik loop op een van hen af en vraag wat er aan het que-passaën is. Ze heeft een oranje shirt aan, haar ogen zijn verstopt achter een zwarte zonnebril en ze draagt haar kastanjebruine haar in een paardenstaart zo onstuimig als de golven achter haar.
Ze zegt iets over de wilde zee en ‘medusas’. Kwallen. Een Fransman die naast ons zit, vertelt me dat er een Portugees Oorlogsschip is gesignaleerd en dat daarom iedereen het water uit moet. Ik vertel het tegen mijn vrouw. Haar ogen worden groot. ‘Oh, wow’, zegt ze. En even, een heerlijk zoet moment lang, weet ze niet dat ik het over de gevaarlijke kwallensoort heb, maar verkeert ze in de veronderstelling dat hier in de baai daadwerkelijk het wrak van een oud Portugees oorlogsschip is gevonden. Maar het enige wrak in deze baai ligt naast haar en lacht haar nu uit.
Dat lachen zal me snel vergaan, ongeveer op het moment dat ik aan het begin van de avond tevergeefs de auto weer wil starten. In paniek bel ik mijn broer in Nederland. Hij hoort het geluid aan en denkt dat de tank leeg is.
Van een aardige, zwijgzame Spanjaard in een busje krijg ik een lift naar het tankstation in de buurt, waar ik twee plastic waterflessen vol benzine pomp. Wat als dit niet werkt? Hebben we genoeg water bij ons? En de kinderen? Een taxi? Maar de auto dan? En de rest van de vakantie dan?
Maar het werkt. De motor slaat aan en blijft ronken, en mijn Engelse krachttermen galmen over de Spaanse parkeerplaats en overstemmen voor even het geluid van de oceaan. We rijden de steile weg weer naar boven.
Het is stil in de auto, een vermoeide en opgeluchte stilte. Alleen het vertrouwde, veilige ruisen van banden over asfalt. Mijn vrouw weet het nog lang vol te houden, maar uiteindelijk barst ze dan toch. ‘Ik had het nog gezegd. We hadden even moeten tanken.’
[Vergeet niet, als je klaar bent, in het publicatievenster als doorleestip (‘redactionele tip’) je vorige column in te vullen. En klik daarna op twee verschillende plekken op ‘bewaren’.]
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant