De scheve vermogensverdeling in Nederland is de afgelopen vijftien jaar per saldo min of meer stabiel gebleven. Maar de kloof tussen woningbezitters en huurders en tussen directeuren-grootaandeelhouders en werknemers is wel steeds groter geworden.
Dat meldt het Centraal Planbureau (CPB) in een dinsdag gepubliceerde studie naar de ontwikkeling van de top 1 procent hoogste vermogens tussen 2006 en 2022. Volgens het onderzoek heeft die groep – 150 duizend mensen – ruim een vijfde van al het vermogen in Nederland in handen.
Daarbij gaat het om onroerend goed, bank- en spaartegoeden, aandelen en obligaties, minus de schulden. De hoogste 0,01 procent (1.500 mensen) bezit 3 procent van het totaal. Volgens het CPB is de vermogensongelijkheid in Nederland daarmee volgens de beschikbare gegevens internationaal gezien hoog.
Over de auteur
Wilco Dekker is economieredacteur voor de Volkskrant. Hij schrijft onder meer over grote bedrijven, ongelijkheid en lobby.
Aan die vermogensongelijkheid is de afgelopen jaren per saldo niet veel veranderd. Directeuren-grootaandeelhouders met een zogeheten ‘aanmerkelijk belang’ in het eigen bedrijf zagen hun winsten en vermogen sterk stijgen.
De top 1 procent bestaat vooral uit zulke ‘dga’s’, die hun vermogen door gestegen winsten en de opgelopen waarde van hun bedrijf met de helft zagen groeien. Maar de huizenprijzen liepen in dezelfde periode ook sterk op. Daarvan profiteerden vooral de middengroepen.
De verhoudingen veranderden dus niet veel. Maar de vermogensongelijkheid tussen woningbezitters en huurders, en die tussen directeuren-grootaandeelhouders en bijvoorbeeld werknemers, steeg wel. Hoe veel groter het gat tussen kopers en huurders is geworden, heeft het CPB niet onderzocht.
Wel dat het doorsnee vermogen – de helft heeft minder, de andere helft meer – in Nederland twee jaar geleden 135 duizend euro was. Bij de top 1 procent was dat bijna 4 miljoen euro. De allerrijksten – de top 0,01 procent – bezaten in doorsnee ongeveer 62 miljoen euro.
Het dinsdag gepresenteerde onderzoek maakt deel uit van een reeks studies van het CPB naar de vermogens- en inkomensverdeling aan de top, een onderwerp dat volgens CPB-onderzoeker Arjan Lejour ‘hoog op de maatschappelijke agenda staat’.
In mei stelde de belangrijkste economische adviseur van het kabinet nog vast dat de hoogste 0,1 procent inkomens relatief minder belasting betalen dan andere inkomensgroepen. Dit doordat ze winsten in hun eigen bedrijf houden, zodat de fiscus er niet bij kan.
Deze keer richt het CPB zich op de mobiliteit aan de top, die beperkt blijkt te zijn: mensen met de grootste vermogens in Nederland blijven meestal lange tijd tot de rijkste mensen behoren. Als het vermogen van deze personen al daalt, zakken ze vaak maar een paar treden op de ladder. Dat is volgens de onderzoekers niet onlogisch. Het duurt een tijd voordat vermogen is opgebouwd, en dat is dan ook niet zomaar verdwenen.
Wel dreigt het effect zichzelf aan de top te versterken. Rijke huishoudens profiteren van de waardestijgingen van hun bedrijven, aandelen en huizen doordat vermogen in Nederland minder zwaar belast wordt dan arbeid. Zo worden ze steeds rijker. Tegelijk blijkt het volgens Lejour voor gewone werknemers vrijwel onmogelijk om de top 1 procent te bereiken. Succes met een eigen bedrijf, een hoog inkomen of een substantiële erfenis of gift zijn daarvoor de recepten.
Het CPB gaat nog nader onderzoek doen naar de rol van erfenissen bij de vermogensverdeling aan de top. Deze zomer bleek uit onderzoek van de Volkskrant dat babyboomers de komende tien jaar 230 tot 240 miljard euro gaan nalaten aan hun kinderen, die veelal zelf al vermogend zijn.
Opvallend verder nog: er kwamen de afgelopen jaren meer mensen uit de top 1 procent (5.500) naar Nederland toe dan er vertrokken (2.000). Volgens Lejour kan het daarbij gaan om immigranten die hier met succes een eigen bedrijf begonnen, of om heel bemiddelde expats. Van de allerrijkste 0,01 vertrokken er zestig, en kwamen er ook zestig bij. Dat is interessant, omdat vaak gezegd wordt dat rijken het land zullen ontvluchten als vermogen zwaarder wordt belast.
Het CPB laat zich niet uit over wat de juiste vermogensongelijkheid zou zijn. ‘Dat is een politieke en maatschappelijke vraag’, zegt onderzoeker Arjan Lejour. ‘Maar uit dit onderzoek blijkt dat tussen bepaalde groepen de verschillen groter worden. Het is beleidsmatig van belang om dat in de gaten te houden en de discussie aan te gaan of dit een wenselijke ontwikkeling is.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant