Bedremmeld stonden we met zijn allen rond het ziekbed van mijn vader. ‘Jullie komen nog genadig van me af’, sprak de oude, waarna hij voorgoed de ogen sloot. Zijn mond bleef openstaan, dat wel.
Zo’n einde is het begin van een hoop gedoe. Had meneer een uitvaartverzekering/erfenis/nette kleren voor in de kist? Nee, dat had meneer allemaal niet. Ook geen handige lijst met adressen van zijn omvangrijke vriendenkring. Ook geen paspoort of zo. Wel een onbetaalde boete (‘overgevaren zonder te betalen bij de Bergsche Maasveren’) , wat vergeelde bladmuziek en zes kinderen die opfladderden als verschrikte kraaien, om de begrafenis te regelen.
Over de auteur
Sylvia Witteman schrijft voor de Volkskrant columns over het dagelijks leven.
Het was een hele klus. Mijn vader wou per se in het familiegraf, een sjiek woord voor een onleesbaar geworden steen met mijn opa en oma eronder, plus wat ooms en tantes. ‘Die moeten eruit, anders past je vader er niet meer bij’, meende een geraadpleegde beroepskraai, een sympathieke mevrouw, die al gauw begreep dat wij geen koffie/cake/André Rieu behoefden, en dat zij haar ernstige gezicht terug kon stoppen in haar tas.
De voorvaderlijke botten belandden in de knekelput. Wat heeft zo’n familiegraf nog voor zin, als je er tóch niet met zijn allen in kunt, vroeg ik me af, maar er was geen tijd voor dat soort tobberijen, want we moesten nog een coulante priester opscharrelen die zich wilde voegen naar de grillen van een stel ongelovige cultuurkatholieken (‘graag een dubbele portie wierook maar laat die hosties maar zitten’) , een geschikt café vinden voor de drukke nazit en ruzies sussen tussen rancuneuze bejaarden (‘als die-en-die komt, dan kom ík niet!’)
Alles kwam in orde. Voor we het wisten liepen we de kerk uit, lieten de kist zakken, en hieven onze glaasjes in café ‘De Stinkende Emmer’, waar mijn vaders drie ex-vrouwen elkaar schuins beloerden, als katten met jongen van dezelfde kater.
Maar het was nog niet voorbij. De ziel van een dode blijft nog veertig dagen op aarde, geloven de Russen. Op de veertigste dag komen de nabestaanden naar het graf om het definitieve afscheid te vieren met wat eten en drinken. Wij zijn dan wel geen Russen, en we geloven niks, maar wat geeft dat? Het is een mooi ritueel.
In het zonnetje stonden we daar, 40 dagen later, jenever te drinken en leverworst te eten. Mijn vader kreeg ook wat; we legden een plakje leverworst op de omgewoelde aarde en begoten het met jenever.
Als het nu maar af en toe jenever wil regenen, dan groeit er volgend jaar vanzelf een leverworstboompje op zijn graf.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant