Politiemensen over die ene melding, wat er daarna gebeurde en hoe dat hun kijk op het vak ingrijpend heeft veranderd. Kars van Hoorn (32) werkte pas drie jaar bij de politie toen hij geconfronteerd werd met een babyreanimatie.
‘Tijdens de politieopleiding leer je over allerlei meldingen waarmee je kunt worden geconfronteerd. Docenten hebben het ook veel over meldingen die zo uitzonderlijk zijn dat je je er niet echt op kunt voorbereiden. Dan is het maar de vraag of je adequaat kunt handelen. Soms krijgen collega’s een freeze-respons als er iets heftigs gebeurt.
‘Twee jaar geleden kreeg ik zo’n melding die je hoopt nooit te krijgen. Mijn collega Loek en ik waren al met spoed onderweg naar een reanimatie, toen we hoorden dat het om een baby ging. Ik had al drie keer eerder meldingen van een babyreanimatie gekregen, maar steeds als ik ter plaatse kwam hoorde ik babygehuil of bleek het loos alarm.
Over de auteur
Wil Thijssen is politie- en justitieverslaggever van de Volkskrant.
‘Loek reed. Hij stopte voor de portiekflat. Ik sprong uit onze dienstauto en rende de flat in naar de tweede verdieping. Op de trap besefte ik: hé, ik hoor geen baby huilen. De voordeur stond open.
‘In de woonkamer lag op de grond een baby van 1 maand oud, een meisje, echt piepklein, in een wit rompertje op haar rug. Haar moeder zat er huilend op haar knieën naast. Uit een mobieltje klonken reanimatieaanwijzingen van de 112-centralist. De moeder was duidelijk in paniek, ze wilde iets doen maar durfde niet.
‘Ik riep naar de centralist dat ik er was en had toen weer zo’n besefmoment: oké, ik ga nu voor het eerst in mijn leven een baby reanimeren.
‘Het kindje voelde warm aan en had nog kleur. Haar handjes waren blauw, maar ik zag geen lijkvlekken. Uit haar neus liep een beetje bloed. Ik begon zonder beschermkapje met de beademing. Omdat het kindje zo klein is, ga je met heel je mond over de neus en het mondje. Ik ademde uit en voelde een blokkade, maar zag het buikje omhooggaan.
‘Na vijf beademingen gaf ik met twee vingers compressies op dat lijfje. Ondertussen kwam Loek binnen en hoorde ik sirenes van collega’s, de ambulance en het traumateam. Ik was opgelucht toen de eerste ambulancemedewerkers binnenkwamen. ‘Oké, leg maar op tafel’, zei een van hen. Kak, dacht ik, dat hebben we geleerd, dat je een baby op tafel moet reanimeren, om te voorkomen dat je met je gewicht te veel druk zet.
‘Dus ik pakte dat kindje op. Ze paste in één hand, ik weet nog goed hoe die kleine handjes langs mijn hand vielen. De ambulancemedewerkers gingen meteen aan de slag met een beademingspomp, een hartmonitor, adrenaline inspuiten. Ik bleef compressies geven.
‘Ondertussen deden mijn collega’s onderzoek. In het ouderlijk bed lag een bloedplasje, de vader van de baby bleek een ex van de moeder te zijn, die niet op dat adres stond ingeschreven. ‘Hij is vuurwapengevaarlijk’, zei een collega tegen me. En ik dacht: Wat moet ik daarmee? Ik kan nu toch niks anders dan reanimeren?
‘Dit is nou typisch zo’n voorbeeld waaruit blijkt dat onze hulpverlenings- en opsporingstaak niet goed samengaan. Je hebt óf de ene pet op, of de andere, maar die taken zijn eigenlijk niet te combineren. Nog zo’n besefmoment.
‘Het medisch team was gespannen, heel directief. Later bleek dat het voor sommigen van hen ook de eerste babyreanimatie was. Toen ze het van me overnamen ging ik in de keuken mijn mond spoelen, ik had een soort zout- of ijzersmaak in mijn mond van dat bloed. Daar stond de vader, apathisch, in shock. Collega’s probeerden tevergeefs contact met hem te maken. Ondertussen was de districtsrecherche ingeschakeld, want het is niet gebruikelijk dat zo’n jong kindje overlijdt.
‘Na ongeveer drie kwartier constateerde de trauma-arts dat reanimeren geen zin meer had. Ik heb toen de ouders erbij gehaald. Ze waren allebei erg verdrietig. Ik legde uit dat de recherche de doodsoorzaak zou komen onderzoeken, dat het lichaam in beslag werd genomen en ze er dan niet meer bij zouden mogen. Wel liet ik ze even afscheid nemen; ik vind het onmenselijk als je meteen alle protocollen volgt. Daarna hebben we het kindje in een deken gewikkeld en in de box gelegd tot de recherche kwam. Dan zit ons werk erop en gaan we weg.
‘Uit het verhoor van de ouders bleek later dat de moeder ’s nachts zittend in bed een flesje had gegeven en daarbij in slaap was gevallen, waardoor het kindje was gestikt. Het was gewoon een tragisch ongeluk. Doordat de baby tegen de moeder had gelegen was ze nog warm, maar toen ik daar kwam was ze eigenlijk al uren dood. De blokkade die ik tijdens het beademen had gevoeld, was lijkstijfheid.
‘Ik weet nu wel dat ik ga handelen als ik met zo’n uitzonderlijke melding word geconfronteerd. Waarschijnlijk helpt het dat ik geen kinderen heb, want dat maakt zo’n situatie ongetwijfeld nog schrijnender. Maar de impact is groot. Dat blijkt wel: het gebeurde twee jaar geleden, maar ik kan het je letterlijk navertellen. Ik zie het nog zó voor me.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant