Miep de Ridder-Prett is 100 jaar. Hoe kijkt de melkverkoopster en barvrouw aan tegen de eeuw die achter haar ligt?
Miep de Ridder-Prett noemt iedereen die haar kamer in een woonzorgcentrum in Almere binnenkomt ‘lieverd’ en is de geduldigheid zelve – ook voor zichzelf, als ze even niet op een woord of naam kan komen. De 100-jarige leeft al dertig jaar zonder haar grote liefde Siem, op wie ze tot zijn laatste snik verliefd bleef. Na zijn dood zag ze er geen gat meer in, maar wist er toch bovenop te komen.
Hoe gaat het met u?
‘Ik pep mezelf elke dag op en zeg dan: ‘Kom op Miep, je hebt een mooi leven gehad, wees blij dat je er nog bent.’ En dat ben ik ook. Als ik zo terugkijk, mag ik niet ontevreden zijn. Mijn vier kinderen zijn goud waard, de oudste is 77. Ze zeggen: ‘Je hebt altijd zo goed voor ons gezorgd, nu zorgen we voor jou.’ Dus ik zeg ook elke dag tegen mezelf: ’Niet zo zeuren Miep, je moet jezelf niet zo neerhalen, straks word je nog een ouwe zeur.’
Waar zeurt u dan over, vindt u?
‘Ik ben bang dat ik mijn armband kwijtraak, en de trouwringen van mijn man en mij, die ik na zijn overlijden in 1995 aan elkaar heb laten maken. In februari 2023 kwam ik in dit zorgcentrum wonen. Vier maanden later ben ik op klaarlichte dag bestolen, hier in mijn kamer. Er kwam iemand in een wit uniform binnenlopen. Ze was een vreemde die zich voordeed als iemand van de verzorging, trok mijn ketting en armband van mij af en liep snel weer weg. Het armbandje was uniek, met allemaal edelweissjes eraan, ik had het van mijn moeder gekregen. De ketting was van haar geweest, de hanger was een gouden munt van 5 gulden met koningin Wilhelmina erop. Het is zoeken naar een speld in de hooiberg, zei de politie, dus die deed niets met de aangifte. De diefstal heeft mij achterdochtig en angstig gemaakt. Ik wil niet dat het nog een keer gebeurt.’
Wie was uw grote liefde?
‘Siem, mijn man. We hadden een heel gelukkig huwelijk en zijn altijd verliefd op elkaar gebleven, tot de laatste dag. Mijn lieverd was 74 toen hij stierf, ik 71. We hebben elkaar in 1940 leren kennen op dansles, bij een dansschool aan de Van Woustraat in Amsterdam. Op de gevel stond: ‘Wim du Beau, daar leer je het zo.’ We zijn altijd blijven dansen, tot op wat ons laatste huwelijksfeest bleek te zijn, toen we 49 jaar getrouwd waren. We wonnen ook wedstrijden. Siem danste als de beste, vooral walsen kon hij verschrikkelijk goed. Hij was net zoals ik een pietje-precies als het om zijn uiterlijk ging; zit mijn jasje goed, zit mijn dasje goed? Pas dan ging hij de deur uit. Hij kon veel vrouwen krijgen, maar zei altijd: ‘Ik heb er maar één.’ En dat was ik.
‘Ik zag hem voor het eerst in de melkwinkel van zijn ouders in de Maasstraat in Amsterdam. Mijn ouders hadden vlakbij in de Rijnstraat ook een melkwinkel, De Roomkan, waar tijdens de oorlog Joden uit de buurt zich in de kelder kwamen verstoppen voor de razzia’s. Als Duitse soldaten bij ons in de winkel kwamen, voerde ik een komedie op en gaf ze boterbabbelaars en dan gingen ze weer, op hun zwarte laarzen, klikklikklik. Ik heb veel Joden afgevoerd zien worden in onze straat.
‘In de jaren dertig en veertig had je in iedere straat wel een melkwinkel. Onze slagroom stond bekend als de beste van de buurt. We verkochten ook getapte melk, volle melk, karnemelk en eieren. En clandestien nylonkousen, die lagen onder de toonbank. Dat was zwarte handel.
‘Op het jaarlijkse melkboerenbal in theater Bellevue raakte het aan tussen Siem en mij. Nadat we waren getrouwd, namen we samen de melkhandel van mijn ouders over. Ik stond achter de toonbank en Siem reed rond met de kar. Zodra hij rugklachten kreeg, deden we de zaak over aan onze oudste zoon en zijn we overgestapt naar de horeca. Siem haalde zijn horecadiploma’s en toen zijn we de kantine van voetbalvereniging JOS gaan pachten en bestieren. Siem stond in de keuken, ik achter de bar.’
Was er weleens een vuiltje aan de lucht in uw huwelijk?
‘Een keer hebben we flink ruziegemaakt. Een van onze dochters had ons verteld dat ze een relatie had met een vrouw. Ik vond het vreemd dat ze niet voor een man koos. Dat liet ik haar ook merken, maar algauw dacht ik: waarom deed ik dat? Het is haar leven en haar keuze. Mijn man bleef er moeite mee houden. Ik werd boos op hem en zei: ‘Je accepteert het maar, anders zul je je dochter nooit meer zien!’ Gelukkig is het goed gekomen, we kregen er een heel lieve schoondochter bij.’
Kon u het verlies van uw man verwerken, als u zo verliefd bleef?
‘Het eerste anderhalf jaar was ik depressief, het hoefde voor mij niet meer, ik was de weg helemaal kwijt. Siem en ik hadden zo’n goed huwelijk, we waren altijd samen, we werkten samen en we zorgden voor ons gezin. We lustten allebei graag een borrel, maar na zijn dood ging ik mijn verdriet wegdrinken, ik dronk te veel. Ze zeggen wel: als de wijn is in de man, zit de wijsheid in de kan.
‘Ik besloot niet langer bij de pakken neer te zitten en mijn best te gaan doen weer gelukkig te worden. Ik ging koersballen in het buurtcentrum, schoot altijd raak, en sloot mij aan bij een fietsclub waarmee ik lange tochten maakte.
‘De mannen stonden in mijn nek te hijgen, maar ik wimpelde ze allemaal af, aan mijn lijf geen polonaise. Voor mij was er maar één en dat bleef voor altijd Siem. Wel sneu voor die mannen.’
Een van haar drie dochters, aanwezig bij het interview, herinnert haar eraan dat ze pakweg een jaar na het overlijden van haar man een contactadvertentie plaatste in De Telegraaf: ‘Alleenstaande vrouw zoekt man om mee te praten.’ ‘De mannen die reageerden vroeg je om op een zeker tijdstip naar de kantine in het ziekenhuis in Amsterdam-Zuidoost te komen en ter herkenning een blauw hoedje te dragen.’
‘Oh ja’, zegt Miep de Ridder en ze vervolgt: ‘Toen ik daar aankwam zaten er drie mannen met een blauw hoedje. Een deed zijn hoed voor mij af. Ik koos de man die er het aardigst uitzag. Maar tijdens het gesprek voelde ik totaal geen klik. Nou ja, gesprek, hij praatte maar en praatte maar, en liet mij geen ruimte ook maar een woord te zeggen. Op een gegeven moment greep ik mijn kans en vroeg: ‘Heb je een auto?’ Zijn antwoord was ‘nee’, en toen wist ik helemaal dat het niks zou worden.’
Begrijp ik dat u altijd bent blijven werken, ook na uw huwelijk?
‘Ja, we hadden een dienstmeisje voor de huishouding. We woonden achter de melkwinkel, dus de kinderen liepen zo de zaak in. In de horeca hielpen ze graag een handje mee, zoals tosti’s bakken in de kantine van roeivereniging Willem III, die we na voetbalvereniging JOS zijn gaan pachten. Daar stonden we bekend als ome Siem en tante Miep. We maakten behalve tosti’s ook soep, de burger Siem&Miep en uitsmijter ome Siem – alles royaal klaargemaakt. De studenten die daar kwamen roeien vroegen mij advies in de liefde. Wij kenden iedereen daar, dus dan kwamen ze vragen of ze dat ene meisje of die ene jongen verkering zouden vragen. Mijn advies was altijd: ja, moet je doen.’
Ineens komt een herinnering van tien jaar geleden naar boven bij de 100-jarige. ‘In 2014 ben ik met Gerard Joling en Gordon op vakantie geweest naar Ibiza voor hun tv-programma Geer & Goor: waarheen, waarvoor? (Een programma waarin een wens van een oudere in vervulling wordt gebracht, red.) Een kleinzoon had mij opgegeven om mij te troosten – en ik werd uitgekozen. Ik wilde zo graag een keer naar de hippiemarkt op Ibiza. Liep ik daar tussen die twee jongens in en zeiden ze: ‘Nu hoef je niet meer te huilen, Miep.’ Ik had Gerard en Gordon verteld over de dood van mijn oudste kleinzoon, een jaar daarvoor, 25 jaar en zo’n knappe jongen. Ik was er kapot van. Hij was van vier hoog naar beneden gesprongen. Kort daarvoor was hij nog bij mij langs geweest en had gezegd: ‘Ik ben er altijd voor je oma, en jij bent er voor mij.’
‘Ik kon het niet geloven dat hij zichzelf zoiets zou aandoen en eigenlijk kan ik er nog steeds niet bij. Wel duizend keer heb ik mij afgevraagd: waarom? En ik blijf met die vraag zitten, elke dag. Ik zal er nooit een antwoord op krijgen. Ik bewonder mijn dochter, dat ze deze dood van haar zoon heeft aanvaard. Mij is dat nog niet gelukt.’
Hielp de hippiemarkt op Ibiza?
‘Ja, wel een beetje. De reis was een leuke afleiding.
‘Zelf wil ik zo lang mogelijk blijven leven, want ik zie er erg tegenop om weg te gaan. Ik moet er niet aan denken mijn kinderen, klein- en achterkleinkinderen kwijt te raken. Ook vind ik het beangstigend dat er hierna niks meer is. Dit houdt mij elke dag bezig. Wel tien keer op een dag zeg ik tegen mezelf: ‘Geníét nou maar van het leven, want het duurt nog maar even.’
Geboren: 30 december 1923 in Oostzaan
Woont: in een woonzorgcentrum in Almere
Beroep: ondernemer en horecamedewerker
Familie: vier kinderen, zeven kleinkinderen en vier achterkleinkinderen
Weduwe: sinds 1995
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant