Home

Het is fijn thuiskomen in het Rifgebergte, zien we in ‘Verhalen uit de Rif’, maar uitdagingen zijn net zo goed

De Amsterdamse Samira Dahmani bezocht Chaabi, haar vaders geboortedorp in het Marokkaanse Rifgebergte, slechts één keer. Twaalf jaar geleden, toen ze haar vader moest begraven. In het driedelige Verhalen uit de Rif (Human, NPO 2) keert ze, samen met regisseur Hassnae Bouazza, terug naar het dorp. Bij het weerzien met haar vaders verlaten geboortehuis, dat uitkijkt op de Middellandse zee, voelt Dahmani geen verdriet, maar een ‘thuisgevoel’.

Hoe kan het dat Dahmani zich zo thuis voelt in Chaabi, een plek die ze nauwelijks kent?

Over de auteur
Yasmina Aboutaleb is tv-recensent voor de Volkskrant.

Er was een tijd dat de 40-jarige Dahmani haar Marokkaanse achtergrond wegdrukte, maar de afgelopen jaren besefte ze hoe belangrijk die wortels voor haar zijn. Het zorgde ervoor dat ze een couscousbar begon in Amsterdam, met haar moeder als een van de koks. ‘Toen je 18 werd, ging je studeren en werken’, vertelt Dahmani’s moeder, ‘en toen zagen we je niet meer. Zelfs met de feestdagen zagen we je niet. Nu werken we samen.’

Dahmani reist door de Rif om haar wortels en die van haar vader, die als jongeman het gebied voor Amsterdam verruilde, te ontdekken. Ze wil weten wat de betekenis is achter de stoffen, kleding, tattoos en sieraden die haar oma droeg, en de tradities waar ze mee opgroeide. Dahmani en Bouazza kiezen daarbij nadrukkelijk voor een – verfrissend – vrouwelijk perspectief. Hoewel er ook mannen aan het woord komen, hebben Riffijnse vrouwen in de docuserie de hoofdrol.

Met nostalgische muziek en mooie beelden van de bergen die erin bezongen worden, de poëtische Amazigh-taal en de levenshouding van de Riffijnen weten de makers de sfeer van het gebied knap te vangen. En het ongrijpbare ‘thuisgevoel’ over te brengen dat de Rif bij de Amsterdamse horecaondernemer losmaakt, zonder de uitdagingen van het leven daar onbenoemd te laten.

De meeste Nederlandse Marokkanen komen uit de Rif. Het schijnt zelfs, vertelt Dahmani, dat Amsterdam, na het Marokkaanse Nador, de stad is met de meeste Riffijnen. Typisch iets wat je niet moet doodchecken.

Dahmanis oom teert, net als velen, op de vakanties die hij in de Rif doorbrengt. Ieder jaar is hij er minimaal vier weken om stress kwijt te raken en weer op te laden. ‘Ik vang hier vis, eet hem vers uit de zee. Wat wil je nog meer?’, vraagt hij, terwijl de golven op het strand aanspoelen. Zijn kinderen zijn wat hem nog in Amsterdam houdt – een dilemma voor veel Marokkaans-Nederlandse pensionado’s.

Ook voor jonge Nederlandse Riffijnen voelt de Rif als thuiskomen. Neem Ahlem Benali, voor wie de zomervakanties in de Rif groot deel van haar opvoeding waren. Maar als Benali zo veel van de Rif houdt, waarom woont ze er dan niet? Ja, zegt ze, dan kom je uit bij alle redenen die onze (groot)ouders hadden om het prachtige en tegelijkertijd harde leven in de bergen te verlaten.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next