Na het succes van Roxane van Iperens boek ’t Hooge Nest zijn nu eindelijk de memoires van twee bijzondere bewoners van de villa vertaald. Zangeres Lin Jaldati schetst een onvergetelijk beeld van vooroorlogs Joods Amsterdam.
Zangeres en danseres Lin Jaldati en haar partner, concertpianist Eberhard Rebling, waren in de tweede helft van de 20ste eeuw internationaal vermaarde kunstenaars. Toch was de in Amsterdam geboren Jaldati, artiestennaam van Rebekka (Lien) Brilleslijper, begin deze eeuw in Nederland zo goed als vergeten. Tot 2018, toen journalist Roxane van Iperen in haar boek ’t Hooge Nest beschreef hoe Jaldati en haar zusje Janny Brilleslijper vanuit de gelijknamige villa bij Naarden een onderduik- en verzetscentrum bestierden.
Kort na de oorlog emigreerden Jaldati en Rebling uit idealisme naar de nieuw opgerichte DDR, waar ze midden jaren tachtig hun Duitstalige memoires schreven. Niet in de laatste plaats vanwege het succes van Van Iperens boek zijn die herinneringen nu voor het eerst vertaald in het Nederlands als Lied van verzet – Het bijzondere levensverhaal van twee bewoners van ’t Hooge Nest.
Over de auteur
Ernst Arbouw schrijft voor de Volkskrant over historische onderwerpen.
Met uitzondering van het eerste deel van het boek, waarin beide auteurs schrijven over hun jeugdjaren, zijn de hoofdstukken afwisselend geschreven door Jaldati en Rebling. Een aanzienlijk deel van hun verhaal loopt onvermijdelijk gelijk aan ’t Hooge Nest. De memoires waren een belangrijke bron voor Van Iperen, en wie haar boek heeft gelezen, zal grote delen van de geschiedenis herkennen.
Dat maakt Lied van verzet zeker niet minder relevant. De levens van Jaldati (1912-1988) en Rebling (1911-2008) vallen vrijwel samen met wat historicus Eric Hobsbawm de Age of Extremes noemde – de korte 20ste eeuw, die duurde van de Russische Revolutie in 1917 tot de val van de Muur in 1989, een periode die wordt gekenmerkt door de botsing van grote ideologieën. Het boek is een ooggetuigenverslag van twee mensen die dat tijdperk van extremen van begin tot eind hebben beleefd. Of eigenlijk: overleefd. Van de Eerste Wereldoorlog, waarvan de gevolgen ook in Amsterdam voelbaar waren, via de Duitse hyperinflatie en de opkomst van de nazi’s tot aan de Koude Oorlog.
De Tweede Wereldoorlog en de Holocaust hangen de eerste helft van het boek als een donkere schaduw boven het verhaal. Vooral in het deel waarin Jaldati haar jeugd in Joods Amsterdam beschrijft, is het verdrietig en zelfs een beetje ontregelend dat je als lezer weet hoe het verhaal verdergaat. Familieleden, vrienden en buren over wie Jaldati schrijft, zijn bijna allemaal vermoord. De Amsterdamse Jodenbuurt waarover ze vertelt, is na de oorlog zo grondig op de schop genomen – zeg maar: weggevaagd – dat het bijna is alsof de mensen er nooit hebben gewoond.
Jaldati blikt twee keer vooruit naar wat iedereen boven het hoofd hangt. Direct op de eerste bladzijde schrijft ze over het huwelijk van haar ouders, Joseph Brilleslijper, een kleine handelaar, en Fijtje Brilleslijper-Gerritse, wier ouders een nachtwinkel hadden op de Zeedijk. ‘Mijn moeder was stapelgek op mijn vader, tot ze samen aan hun einde kwamen in de gaskamers van Auschwitz-Birkenau.’
Over de besnijdenis van haar broertje Jacob (Jaap) Brilleslijper in 1921 schrijft ze: ‘Iedereen riep luid: ‘Mazzeltof!’ en ‘Laat hem gezond blijven tot hij 120 jaar oud is, omein!’ Moeder huilde van vreugde. (…) Niemand van ons kon vermoeden dat al die goede wensen niet zouden uitkomen. Hij is in 1944 in Auschwitz vermoord.’
Na de Duitse inval was het Rebling die als eerste onderdook. Hoewel hij als antifascist in de jaren dertig naar Nederland was gevlucht, was hij nog altijd Duits staatsburger, en toen hij werd opgeroepen voor de Wehrmacht, ging hij op zoek naar een schuilplek. Jaldati voegde zich later bij hem, en na een omzwerving langs verschillende adressen kwamen ze met zuster Janny Brilleslijper, broer Jaap, hun ouders en een wisselende groep andere onderduikers terecht in villa ’t Hooge Nest in Naarden.
De familie werd verraden. Dankzij een gewaagde ontsnapping uit een Amsterdams politiebusje wist Rebling als deserteur te ontkomen aan een Duits vuurpeloton. De familie Brilleslijper werd in september 1944 met het laatste transport vanuit Westerbork naar Auschwitz gedeporteerd, waar de ouders direct na aankomst zijn vermoord. Broer Jaap bezweek later aan de ontberingen in het concentratiekamp.
Lien en Janny werden van Auschwitz naar Bergen-Belsen getransporteerd, waar ze op 15 april 1945 werden bevrijd. Door de erbarmelijke omstandigheden in het kamp balanceerden de zussen op dat moment op de rand van de dood. Jaldati woog bij de bevrijding van Bergen-Belsen nog maar 28 kilo. Zij zou de rest van haar leven gezondheidsklachten houden.
In de oorspronkelijke Duitstalige versie omvatten de memoires van Jaldati en Rebling óók hun zelfgekozen verblijf in de DDR. In Lied van verzet wordt die periode slechts kort beschreven, aan de hand van enkele korte schetsen in het nawoord van de vertalers. Voor een boek dat zich richt op Nederlandse lezers is dat een begrijpelijke keuze.
Lied van verzet is geen vrolijk boek, maar tegelijk zingen op een of andere manier óók hoop en optimisme door het verhaal. Jaldati en Rebling schetsen in het eerste deel een beeld van het rijke culturele leven in respectievelijk Amsterdam en Berlijn. Vanaf ongeveer midden jaren dertig valt dat culturele leven meer en meer samen met hun eigen bestaan, en het boek zit vol bijrolletjes en cameo’s van de meest uiteenlopende mensen – van fotograaf Cas Oorthuys tot generaal Tito, balletdanseres Margot Fonteyn, schilder Pablo Picasso en componist Sergej Rachmaninov.
Ronduit wonderlijk is het moment dat Rebling clandestien zijn schoonouders in Amsterdam bezoekt, waar de bovenbuurman aanklopt om te melden dat Radio Moskou een nieuwe symfonie van Sjostakovitsj uitzendt. ‘Een stoorzender op de radio kwam er telkens tussendoor, het gekraak werd luider en het einde konden we niet meer horen’, schrijft Rebling. Het is een historische gebeurtenis in een boek vol historische gebeurtenissen: de wereldpremière van de Leningrad Symfonie, geschreven naar aanleiding van het beleg van die stad. Het is een passage waarin alles samenkomt: de onderduik, de oorlog, het communistische ideaal van Rebling en vooral de klassieke muziek. En dat alles op een zoldertje in de Waterloopleinbuurt.
Achteraf gezien is het bijna niet te begrijpen dat het boek niet veel eerder in het Nederlands is vertaald. De levensverhalen van Jaldati en Rebling zijn op zichzelf al bijzonder genoeg, maar vooral de schets die Jaldati geeft van het leven in vooroorlogs Joods Amsterdam maakt Lied van verzet tot een historisch document dat iedereen die ook maar enigszins is geïnteresseerd in de Nederlandse Joodse gemeenschap of de geschiedenis van Amsterdam moet lezen.
Lin Jaldati en Eberhard Rebling: Lied van verzet – Het bijzondere levensverhaal van twee bewoners van ’t Hooge Nest. Van annotaties voorzien en uit het Duits vertaald door Johan Meijer, Diete Oudesluijs, Rimco Spanjer, Sander Stotijn. Boom; 632 pagina’s; € 34,90.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant