Home

Na veertig jaar keihard werken zijn de Chinese ouders van Pete Wu met pensioen. Wat nu?

Ineens was hun agenda leeg: de ouders van Pete Wu sloten hun snackbar en gingen na veertig jaar altijd maar werken met pensioen. Pete vreesde een eenzaam en doelloos bestaan voor zijn ouders, maar niets bleek minder waar.

Ik kijk naar de hand van mijn gepensioneerde moeder; die ligt ontspannen op de schouder van een andere Chinese 60-plusser, een vrouw met een zwartgeverfd permanentje dat in het tl-licht van de zaal bijna blauw en paars lijkt. Mijn moeder stelt zich aan haar voor en heeft het meteen over het schema van de middag.

We zijn hier op een van de wekelijkse middagen voor Chinese senioren in Rotterdam-West. Na het dansuurtje straks volgt onmiddellijk het oefenen van een paar verjaardagsliedjes met het zangkoor – die gaan ze live uitvoeren tijdens een groot feest volgende week.

Het wordt redelijk druk vandaag, vertelt mijn moeder. En inderdaad, wanneer het 12 uur ’s middags is, komen steeds meer Chinese senioren het zaaltje binnendruppelen. Ze trekken hun jassen uit, nemen een bruine boterham met pindakaas die mijn moeder eerder die ochtend heeft gesmeerd en in vieren heeft geknipt met een lange schaar, en kletsen met elkaar.

Mijn moeder, 68 jaar, rent af en aan aan met waterkokers tussen tafeltje en kraan; mensen willen thee. ‘Je kunt het bijna niet bijhouden’, zegt m’n pa, ook 68 jaar, tegen haar. ‘Veel theedrinkers.’ Mijn moeder is sinds deze week vrijwilliger bij dit seniorenclubje, de Chinese Pine and Cypress Association of Rotterdam.

Die vriendelijke, speelse hand van mijn moeder, op de schouder van die vreemde vrouw: dat ontroert me. Ik zag mijn moeder altijd als iemand die in een snackbar werkt, dienend en zakelijk. Daar was ze nooit zo lichamelijk in de omgang met vreemden – misschien, denk ik, is ze sinds haar pensioen een compleet ander mens geworden.

Eenzaam en doelloos

Onlangs las ik een artikel van EenVandaag getiteld ‘Chinese ouderen eenzaam omdat ze geen Nederlands kunnen, Cheng zette stichting op om ze te helpen’. Klinkt als iets voor mijn ouders, dacht ik; die behoren ook tot deze vaak vergeten migrantengroep waar we nooit van horen of over lezen, de Chinese Nederlanders. Ik maakte me dus zorgen.

Mijn ouders zijn vorige lente na zo’n veertig jaar elke week meer dan tachtig uur werken in de horeca met pensioen gegaan, daarover schreef ik eerder in het Volkskrant Magazine, én naar een grotere stad verhuisd: woonden ze eerst in Tilburg boven hun snackbar, nu kijken ze uit op de Markthal in hartje Rotterdam. Omdat mijn ouders non-stop in turbostand stonden en nu plots niets verplicht meer hoefden te doen, stelde ik me een leven voor vol eenzaamheid en doelloosheid, met truitjes breien voor Elodie, de verse dochter van mijn broer Tim, legpuzzels maken en alle buitenlandse voetbalcompetities volgen. Allemaal binnenshuis, want ze spreken beiden slechts gebroken Nederlands, hebben geen hobby’s en hebben nooit echt vrienden gemaakt tijdens hun drukke horecajaren. Dus wat nu? Ik zag al voor me dat mijn broer en ik uiteindelijk verplicht zouden worden elke dag bij ze langs te gaan.

De cijfers over eenzaamheid onder ouderen in Nederland liegen er niet om: 30 tot 40 procent van alle 55-plussers ervaart een vorm van eenzaamheid. De cijfers over Nederlanders van Chinese komaf zijn nog somberder.

Volgens socioloog Sie Long Cheung, die haar proefschrift aan de Universiteit van Groningen schreef over Chinese ouderen in Nederland, is zowel de mentale als de fysieke gezondheid van deze groep ook nog eens slechter dan die van de vergelijkbare groep ouderen van Nederlandse komaf.

Bijna 75 procent van de groep waartoe mijn ouders behoort, ervaart eenzaamheid. In Nederland wonen 110 duizend Nederlanders van Chinese komaf, waarvan eenderde senior is. Reken maar uit hoeveel eenzame Chinese ouderen hier wonen.

En toch lijken mijn ouders de dans der eenzaamheid te zijn ontsprongen. Hoe kan dat?

Tafeltennis in het buurthuis

Het is inmiddels een jaar geleden dat mijn ouders hun zaak, cafetaria De Vriendschap in Tilburg, sloten. En terwijl ik dacht dat ze zouden verpieteren, sloten ze zich direct aan bij deze vereniging, die bijeenkomt in een Rotterdams buurthuis. Als vrijwilliger lijkt mijn moeder extra haar best te willen doen vandaag. Ze heeft voor haar doen nettere kleding aangetrokken: een gestreken witte broek met erboven een bloesje met donkerblauwe en rode koeienvlekken. Daaronder draagt ze zwart-witte sneakers, want ze gaat straks meedoen met de aerobics met haar nieuwe vriendinnen.

‘Wil je niet nog meer koffie zoon, het is onbeperkt hoor’, zegt mijn vader tegen me. Onderweg naar het buurthuis klaagde hij nog tegen me over de openliggende straten van Rotterdam, nu kijkt hij stil om zich heen en beweegt wat incognito door de ruimte, op zijn hoofd draagt hij een grijs Nike-petje. Een man in een zwarte polo vraagt in het Chinees aan mijn vader of ik wel Chinees spreek, hij wijst hij naar me. Ik kijk mijn vader vragend aan. ‘Ja hoor’, zegt hij, ‘alleen geen Mandarijn-Chinees.’

Wanneer ik een nieuwe – gratis – koffie voor mezelf inschenk, gebaart een man me naast hem te komen zitten langs de zijkant van de zaal. Hij stelt zichzelf voor als Jackie. Hij laat me foto’s zien van hem met mijn ouders op een tripje naar het Drakenbotenfeest in Eindhoven een aantal weken geleden.

Jackie is ook net met pensioen en mist zijn vroegere horecaleven niet, vertelt hij in gebroken Nederlands. Tafeltennis was vroeger een passie, maar hij vond er nooit de tijd voor. Nu speelt hij elke week twee keer tafeltennis in een ander buurthuis in Rotterdam-Noord.

‘Die man is goed hoor’, zegt mijn pa die langsloopt. Wanneer ik Jackie wil vragen of hij nu moet wennen aan niets doen, laat hij me als antwoord een foto zien van zijn kleinkinderen en loopt hij snel weg naar de andere zaal, waar de tafeltennistafel staat.

Grip op de omgeving

In het artikel van EenVandaag wordt de taalbarrière en daarmee de sociale afstand van Chinese ouderen tot de Nederlandse maatschappij onderstreept. Het leek er dus op dat ook mijn ouders, die beiden niet vloeiend Nederlands spreken, een grotere kans hebben om eenzaam te worden.

Inderdaad, zegt hoogleraar sociale gerontologie Theo van Tilburg me: de grip op de omgeving, in de sociologie ook wel ‘mastery’ genoemd, is een belangrijke indicator of iemand zich eenzaam kan voelen, en taal hoort daarbij. Van Tilburg ging onlangs zelf met pensioen bij de VU in Amsterdam. Hij deed daar onderzoek naar migrantenouderen. ‘Mastery gaat erom of je zelfstandig je leven kunt vormgeven. Bij migrantenouderen ligt de mastery beduidend lager dan bij ouderen van Nederlandse komaf.’

Een van de redenen hiervoor is opleiding: daarin leer je vaardigheden, zoals dingen opzoeken op internet of hoe je met andere mensen of bureaucratische processen moet omgaan; allemaal dingen die maken dat je meer grip op het leven krijgt.

Benen in twee werelden

Ik denk aan mijn eigen ouders, die hun opleidingen niet hebben afgerond en hier in Nederland in de horeca terechtkwamen. Vaak moesten mijn broers, zusje en ik als vertalers optreden bij de dokter of aan de telefoon, omdat mijn ouders de Nederlandse taal en de bureaucratie niet machtig waren. Van Tilburg: ‘Mensen die dit soort dingen beter kunnen, voelen zich ook beter geïntegreerd in de samenleving.’

Dat is ook een ding: voor veel Chinese ouderen was de taal leren geen prioriteit toen ze in de jaren zeventig en tachtig hierheen kwamen als jonge gastarbeiders, omdat ze Nederland vooral als gastland zagen. Ook bleef bij die generatie het idee heersen om ooit weer terug te keren naar hun thuisland China. Die generatie is nu 60-plus.

‘Inmiddels willen de meesten niet meer terug’, vertelt Van Tilburg, ‘want ze hebben hier in Nederland hun kinderen. En ja, migrantenouderen komen nog weleens in hun oude omgeving, maar ze weten dat ze ook die aansluiting langzaam zijn kwijtgeraakt. Eigenlijk blijven ze met hun benen in twee werelden staan, en dat zegt ook iets over hun gevoel van geborgenheid en verbondenheid met de Nederlandse samenleving.’

Dat gaan mijn ouders ook niet meer doen, dacht ik: terugkeren naar hun geboortestad Wenzhou. Ik moest denken aan het interview dat mijn moeder een keer gaf aan een journalist van de Tilburgse Koerier, toen hun snackbar, cafetaria De Vriendschap, 25 jaar bestond. ‘Nee, ik denk het niet’, zei ze op de vraag of ze zich weer permanent zou gaan vestigen in Wenzhou. ‘Want daar heb ik geen thuis meer: mijn ouders zijn allebei overleden.’

Dansen en zingen

Een instructrice begint voor in de zaal ineens met twee armen in de lucht te zwaaien, gooit de polsen in de nek en duwt haar hoofd omlaag. De eerste activiteit van de seniorenvereniging vandaag: dansen. Mijn moeder staat ook op. ‘Aerobics’, zegt ze tegen me, en ik wil zeggen dat ik niet zeker weet of ze weet dat dit overduidelijk geen aerobics is, maar ze voegt zich al bij de paar vrouwen die de bewegingen van de instructrice nadoen. Mijn moeder, een vrouw die ik ken als een introverte breifanaat, doet tegenwoordig blijkbaar aan dansen.

Een vrouw met een zonnebril op, dun haar en een houthakkershemd aan, zet onderuitgezakt achter een bedieningspaneel een videoclip op een projectiescherm aan: zwarte silhouetten van drie figuren beginnen te dansen. Steeds meer vrouwen komen in formatie staan, steeds met 1,5 meter ertussen, en zwaaien met hun heupen, dan in V-formatie, dan weer in W-formatie.

Een vrouw met een pareloorbel in haar oor tuit haar lippen. Zij is een van de oudsten hier – ik schat haar in de tachtig – en loopt steeds een halve beweging achter. De rest pompt met hun vuisten in de lucht, haalt dan weer de schouders op. Steeds meer vrouwen kunnen het niet bijhouden, maar dat is niet erg. Het gaat hier niet om synchroniciteit of om schoonheid, maar om samenzijn. De vrouwen dansen zwijgend maar lachen breed.

Het volgende onderdeel is zingen. De vrouwen zingen eenstemmig met gelamineerde mapjes met de Chinese liedteksten in de handen mee met de muziek van een karaokeclip. Er wordt veel gelachen.

Petjes en gestreepte polo’s

Een week later worden die liederen op het podium gebracht op een groot verjaardagsfeest op de welbekende Chinese boot aan de voet van de Euromast.

Mijn ouders zijn al druk bezig als vrijwilligers. Mijn vader duwt een lege winkelwagen door de grote hal en deelt bij elke tafel vegetarische zongzi uit, vuistgrote bananenbladpiramiden gevuld met kleefrijst, rode bonen en dadels. Mijn ouders zijn beiden gekleed in een rode polo met het logo van de club, en ze lijken zich als vissen in het water te voelen.

Op een projectiescherm worden dansjes getoond. Ik zie een paar typische gezichten: een Chinese man van zo’n 70 jaar met een bandana om en een sikje, alsof hij zijn motorgangverleden wil tonen; een oude man met geblondeerde haren en ouderdomsvlekken in een wollen vestje, mannen met petjes en gestreepte polo’s. Er worden veel selfies genomen.

Op het podium worden de jarigen geroepen, dan volgen vrouwen van 70 jaar die in zwierige oranje jurken een interpretatie van een traditionele dans doen. Applaus. Tussendoor worden acht gangen geserveerd. Er komt van alles langs: pekingeend met pruimensaus, geroosterd buikspek, rundvlees met groenten en garnalen met broccoli en judasoor, gestoofde aubergine, gekookte kip met een gembersaus, zachte tofu met champignons en een bord met gesneden varkensvleesrepen in zoetzure saus – dat volgens een vrouw aan onze tafel, een voormalige restauranthouder, een favoriet was onder haar Nederlandse klanten.

Verleden met een restaurant of snackbar

Na de laatste tonen van de dans komt een vrouw op mijn moeder af.

‘Sorry, maar er staat een jongen naast je, die jouw zoon zou kunnen zijn. Bijzonder, hè?’

Mijn moeder, inmiddels omgekleed in een nette zijden groene blouse met vale gouden bloemen, zegt bijna achteloos: ‘Dat is hij ook. Mijn zoon.’

De vrouw kijkt verbaasd: ‘Hoe kan dat? Jij bent zo klein? En hij zo lang?’

Patty, zo heet ze, 72 jaar, was voordat ze met pensioen ging industrieel schoonmaker en verwijderde 25 jaar lang gevaarlijke chemicaliën uit tankers.

Geen horecatijger, vraag ik haar. Ik had opgevangen dat in ieder geval 90 procent van de vierhonderd oudere leden in deze vereniging een verleden met een restaurant of snackbar had.

‘Eerst wel, maar ik ben van baan gewisseld, want ik had nooit tijd voor mijn kinderen.’

Een oudere man met een bril en een open, vriendelijke blik, Chau, ook 72 jaar, knikt begrijpend. Chau: ‘We dachten vroeger: Europa, dat is waar de mensen zich beter kleden dan in China, dus daar moest je wel makkelijker geld kunnen verdienen. Dat was ons beeld althans. Maar ik heb alsnog keihard gewerkt hier, meerdere restaurants geopend en gerund.

‘Velen van ons zijn op latere leeftijd van een traditionele restaurantbaan met lange werkuren geswitcht naar een ‘normale’ baan, omdat we merkten dat we onze kinderen nooit zagen. Ik droeg mijn zoon op een vriendin te krijgen, maar die vertelde me dat hij nooit tijd had om te daten omdat hij doordeweeks studeerde en elk weekend in ons familierestaurant moest helpen. Toen heb ik binnen drie maanden de zaak dichtgegooid en verkocht, en ben ik met pensioen gegaan.’

Chau is nu actief bij de vereniging omdat hij toch niks anders meer te doen heeft: zijn zoon is inmiddels onder de pannen. ‘Hij heeft nu een vrouw – wel door mij gematcht, natuurlijk.’

Reisjes met nieuwe vrienden

Deze zaterdagmiddagen zijn niet het enige wat mijn ouders met de vereniging doen. Had ik vroeger in theorie nooit een huissleutel nodig, de snackbar van mijn ouders was immers altijd open, nu moet ik ze bellen voor een afspraak.

‘We zijn om 5 uur pas thuis, we zijn aan het wandelen met vrienden’, krijg ik nu vaak als antwoord.

Sowieso ben ik verbaasd over de hoeveelheid activiteiten die mijn ouders elke week ondernemen als ik hun stroom aan foto’s in de familieapp moet geloven: tripjes langs monumenten door heel Nederland, een busreis naar een outletwinkel in Maasmechelen in België (Chau: ‘Omdat Chinese ouderen nu eenmaal van koopjes houden’) of zelfs een cruise langs België, Engeland en Duitsland; ik kreeg vorig jaar nog wekenlang een hele rits aan foto’s van mijn moeder naast het buffet (‘Vandaag op het menu: vis’).

Steeds krijgen we foto’s van hen met daarop voor mij onbekende gezichten: weer een nieuwe vriendin die met ze wil hangen. Naast de buurthuisdagen maken mijn ouders met deze nieuwe vrienden in de herfst van hun leven nu dus steeds meer reisjes, iets waar zij nooit tijd voor hadden.

Praatjes maken

Het vergt heel wat mentale maar ook fysieke energie om je in een nieuwe situatie te begeven. ‘Maar je moet ook lef hebben om je bloot te stellen aan ervaringen die ook kunnen tegenvallen’, zegt socioloog Van Tilburg. ‘Je ouders hebben een aantal dingen meegekregen uit hun ondernemende horecaleven: het verwerken van tegenslagen en het aanleren van sociale vaardigheden, dat ze heeft geholpen toch een nieuw sociaal leven op te bouwen. Dat is best uitzonderlijk, en niet iedereen gegeven.’

Daar zit wat in: mijn moeder was natuurlijk jarenlang gastvrouw in het restaurant, dus een praatje maken is haar niet vreemd, mijn vader heeft decennialang met klanten geboomd over voetbal en politiek. Ik moet ook denken aan hun aanpassingsvermogen en hun neusje om in te spelen op populaire trends in de snackwereld. Eigenlijk niet zo gek dat mijn twee ouders een gang gevonden hebben en ook nog eens populair blijken te zijn. Samen met hun verenigingsgenoten vormen zij hoopvolle uitzonderingen op veel ouderen met een migratieachtergrond.

Dus de stapels aan puzzeldozen die mijn ouders hadden meeverhuisd naar Rotterdam om te gaan leggen in hun herwonnen vrije tijd, liggen nu inmiddels al een jaar te verstoffen in een hoek. Wie had gedacht dat er nog een tweede leven zou komen na een intensief horecabestaan?

Ontspannen, gezond en gelukkig

Wanneer ik de foto’s voor dit artikel te zien krijg, krijg ik tranen mijn ogen: mijn twee ouders, eind zestig, vrolijk lachend tussen mensen die ze begrijpen, in gekke tai-chiposen – kijk die speelse handen van mijn moeder – of juist samen poserend voor de camera, dicht tegen elkaar aan. Ergens in die jaren dat zij achter de toonbank stonden moet ik ze op een manier ontmenselijkt hebben: die twee mensen van achter de vitrine. Ik moet denken aan wat Chau zegt, over het restaurantleven vroegtijdig verlaten om meer tijd te maken voor je kinderen; dat hebben mijn eigen ouders nooit gedaan. Zij zijn veertig jaar lang als een trein doorgegaan. Maar het hoeft niet meer, alles opofferen voor de toekomst van hun inmiddels volwassen vier kinderen. Nu staan hier twee compleet andere mensen op de foto. Kijk ze nu: ontspannen. Gezond. Gelukkig, zelfs.

Eind augustus gaan mijn ouders met hun gang per cruiseschip langs Oslo, Stockholm en Kopenhagen, vertelt mijn moeder opgewonden voordat ik afscheid neem en het bootrestaurant verlaat. Ze hebben nog genoeg dromen voor de toekomst – mijn moeder wilde vroeger altijd nog Engels leren, mijn vader wilde meer reizen. Ik ben ontzettend blij en opgelucht dat ze goed zijn terechtgekomen. Nu hebben mijn Chinese migrantenouders eindelijk de tijd om, post-horeca en na jarenlang in dienst te hebben gestaan van anderen, voor het eerst eens aan zichzelf te denken. Nu is het hun beurt.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Weekendverhalen

Freek de Jonge: ‘Zonder het al te zeer op de spits te drijven: ik word zo langzamerhand uitgeschakeld’

Bestsellerauteur Anya Niewierra verbaast zich over het dedain voor haar genre: ‘Als iets moeilijk is, dan is het om een thriller te schrijven’

Van ‘saai’ en ‘vies’ tot sexy proteïnebommen: hoe (en waarom) bonen weer hip worden

Source: Volkskrant

Previous

Next