Een heuse Nationale Eiwitstrategie is ervoor opgetuigd om peulvruchten te promoten, want: gezond, duurzaam en per saldo rijker aan eiwit dan vlees. Maar de Nederlander blieft ze niet genoeg. Hoe worden consumenten én boeren weer tot bonen verleid?
‘Ik bid nie veur brune bonen.’ Zou kinderboekenschrijver Anne de Vries zijn hoofdpersoon Bartje ooit die woorden in de mond hebben gelegd als hij had geweten wat voor imagoschade ze de peulvrucht zouden toebrengen? Telkens weer stond hetzelfde prutje op het menu in het arme Drentse gezin van Bartje. Dankzij de gelijknamige televisieserie bereikte zijn walging in de jaren zeventig en tachtig talloze Nederlandse huiskamers.
Het zal niet allemaal aan Bartje liggen, maar duidelijk is dat het er niet best voor staat met de reputatie van de boon. Ze is in de ogen van velen niet lekker, ouderwets, armeluisvoedsel, en – ook dat nog – aanstichter van flatulentie.
Over de auteur
Maarten Albers is economieverslaggever van de Volkskrant. Hij schrijft onder meer over landbouw en de voedingsindustrie.
En dat terwijl peulvruchten, zoals bonen, erwten en linzen, een oplossing zijn voor meerdere problemen in het voedselsysteem. Ze zijn rijk aan eiwitten en daarmee een geschikte vervanger voor vlees en zuivel. En ook nog eens goedkoper, zeker sinds vlees en zuivel door inflatie flink duurder zijn geworden. Ter vergelijking: voor een euro bruine bonen staat gelijk aan 32 gram eiwit. Kipfilet levert 24 gram eiwit per euro op. Als gewas dragen peulvruchten bij aan een gezonde en vruchtbare bodem, waardoor minder (kunst)mest nodig is. Hommels, bijen en andere bestuivers zijn bovendien dol op hun stuifmeel.
De afgelopen jaren is de boon aan een voorzichtige revival begonnen. Fitfluencers prijzen ze aan als de goedkoopste manier om veel eiwitten binnen te krijgen, en voor de meer gastronomisch ingestelde consument zijn er kookboeken als Briljante bonen van chef-kok Bloeme Burema, die laten zien dat koken met peulvruchten niet per se hoeft uit te monden in een bonenstoof à la Bartje.
Ook met de peulvruchtenteelt gaat het langzaam bergop. Waar in 1987 nog op zo’n 45 duizend hectare peulvruchten werden geteeld, daalde dat aantal in de jaren daarna rap. Sinds een paar jaar groeit het areaal weer, maar met 6.700 hectare is het nog steeds slechts 1,2 procent van al het akkerland in Nederland. Een op de twintig Nederlandse akkerbouwers verbouwt dit jaar bonen, erwten of lupine – voor linzen is het Nederlandse klimaat niet geschikt.
Dat weinig Nederlandse boeren zich aan de boon wagen, is te wijten aan het Blair House Akkoord uit 1992. Daarbij overtuigden de Verenigde Staten Europa om zijn marktbescherming voor eiwitgewassen te laten vallen. Sindsdien haalt Europa zijn kidneybonen, sojabonen en andere peulvruchten massaal uit Noord- en Zuid-Amerika, waar ze met minder milieueisen en dus goedkoper geproduceerd kunnen worden.
Die afhankelijkheid ziet Europa steeds meer als een zwakte. De afgelopen jaren zijn in Nederland een Nationale Eiwitstrategie en bijbehorende Bean Deal opgetuigd om de boon van eigen grond een zetje te geven. In 2030 moet er maar liefst 100 duizend hectare peulvruchten op Nederlandse akkers staan.
Een groot deel daarvan is bedoeld voor dieren, maar de mens moet ook van zijn bonenaversie af geholpen worden. Hoe?
Allereerst door aan te tonen dat bonen helemaal niet saai zijn, maar juist lekker, denkt Nicole Freid. De directeur van Hak, ’s lands grootste bonenverkoper, wil consumenten bekend maken met de grote variatie aan peulvruchten. Stazakken, kleurrijke kartonnen zakjes – hipper dan blik of glas – en wereldse recepten moeten daarbij helpen.
De behoefte is er wel, denkt Freid. ‘Veel mensen willen vaker een dagje geen vlees eten. Dan zijn peulvruchten een logische vervanger.’ Per euro bevatten ze immers zelfs meer eiwitten dan vlees. Uit eigen onderzoek van Hak blijkt echter dat tweederde van de Nederlanders de boon niet als een geschikte vleesvervanger ziet.
In de supermarkt zien consumenten de bonen vrij letterlijk niet staan. Wie wil opvallen moet aan het begin liggen, bij de groente en fruit en het vlees in de buurt. Het conservenpad is niet de plek om de klant te inspireren.
Freid hoopt dat supermarkten de boon net zo gaan vertroetelen als bijvoorbeeld de avocado. ‘Die hebben ze mensen ook leren eten. Met hun kennis en ervaring kunnen ze hetzelfde doen voor peulvruchten.’
Chef-kok Burema, die onder meer werkte bij de Amsterdamse restaurants Buffet van Odette en Europizza, hoopt ook dat mensen de boon weer leren eten. ‘Als ik thuis voor gasten kook en vertel dat er bonen op het menu staan, kijken ze vaak vies’, vertelt ze.
Bonen hebben volgens Burema niet alleen de reputatie van ouderwets armeluisvoedsel, maar ook dat je er de hele dag mee bezig bent om ze klaar te maken. Onterecht, vindt zij. ‘Lekkere bonen uit blik bestaan gewoon. En als je een keer tijd hebt op zondagmiddag, kun je drie verschillende bonensoorten koken en invriezen.’
Voor de promotie van haar boek bereidde Burema een aantal keer een geheel bonenmenu. ‘Je kunt vier of vijf gangen bonen eten zonder een heel ‘bonige’ herinnering aan de avond over te houden’, stelt ze. Het geheim? Varieer met bonensoorten en laat de bonen andere smaken in zich opnemen.
Dan zijn de mogelijkheden groot. ‘Als je een feestje geeft en iets bijzonders wil maken, zijn citroenbonen met schelpjes in saffraanbouillon een goede keuze. Wil je doordeweeks een makkelijke en snelle maaltijd, dan zou ik romige tomatenstoof met cannellinibonen maken.’
Akkerbouwbedrijf Straver Biologisch in Almkerk is sinds kort de eerste proefboerderij van Hak. Op een paar kilometer afstand van het Hak-hoofdkantoor in Giessen wordt hier onder meer met de biologische teelt van peulvruchten geëxperimenteerd.
Dat is nodig, want de afgelopen decennia heeft de kennisontwikkeling vrijwel stilgestaan. Het aantal bonenrassen dat geschikt is voor menselijke consumptie is beperkt, en de teelt vindt vooral plaats op gronden met zeeklei in het zuidwesten van Nederland. De vraag is of het ook elders kan, en welke andere peulvruchten – zoals soja- of kidneybonen – je in Nederland zou kunnen verbouwen. Grondsoort en klimaat zijn daarbij bepalend.
Akkerbouwer Johannes Straver is in ieder geval tevreden over het eerste jaar van de tuinbonen- en kapucijnerteelt voor Hak. Terwijl de bloesem – paars bij de kapucijners, melkwit bij de tuinbonen – er nog aan zit, beginnen de bonen onder aan de plant al af te rijpen.
‘Wat productiviteit betreft gaat het goed, het gewas staat vol’, zegt hij, terwijl hij zich met enige moeite tussen de kapucijnerplanten door beweegt, waarvan de plakkerige twijgjes in elkaar haken. ‘Dat is wel een puntje van aandacht, het valt zo niet mee om mechanisch onkruid te bestrijden. Het zo’n wild gewas dat je er niet makkelijk doorheen loopt.’
De eerste les van de teelt is duidelijk voor Straver: ‘Volgend jaar zaai ik ze in rijen, dan kan ik er makkelijker bij om onkruid te wieden.’ Omdat Hak al zijn groenten en peulvruchten biologisch wil telen, zijn chemische bestrijdingsmiddelen uitgesloten.
Het zal niet de laatste les zijn, voorspelt Hak-directeur Freid in een vergaderruimte met uitzicht over de akkers. ‘Pas als we het van het land hebben gehaald, kunnen we kijken hoe het smaakt, hoe het verwerkt in de fabriek, hoe het eruit ziet als het geweckt is.’
Akkerbouwer Henk Janknegt verdwijnt bijna tussen de stengels van zijn veldboonplanten. Het is drie weken voor de oogst en de planten staan manshoog op zijn land in Zeewolde. Maar het is niet het gewas zelf dat hij wil laten zien. Janknegt heeft net een van de planten uit de grond getrokken en wijst naar een paar kleine bolletjes die tegen de wortel aangeplakt zitten. ‘Dat zijn ze. Als ze roodbruin kleuren, zoals die daar, zijn ze actief.’
Deze ‘stikstofknolletjes’ halen stikstof uit de lucht en leggen die in de bodem vast. Natuurlijke bemesting dus, waar geen koe of kunstmestfabriek aan te pas komt. ‘Er blijft zelfs meer stikstof achter in de bodem dan voorafgaand aan de teelt’, zegt Janknegt, ‘waardoor ik minder mest hoef te gebruiken.’
Als voorzitter van producentenorganisatie Eiwitboeren van Nederland probeert Janknegt de teelt van peulvruchten populairder te maken. Daarbij is een fatsoenlijke prijs essentieel. Dat verloopt nog niet altijd soepel.
In maart meldde de organisatie dat telers van kidneybonen, kapucijners en bruine bonen met prijsverlagingen van 13 tot 24 procent waren geconfronteerd. Niet bepaald een aanmoediging voor de boer die denkt goed bezig te zijn.
De Eiwitboeren wezen naar ‘welbekende verwerkers voor de Nederlandse markt’ als schuldigen, en hintten op Hak. Dat bedrijf herkende zich niet in de genoemde prijzen.
Het probleem zat hem in de Europese subsidie die telers van peulvruchten tegenwoordig krijgen, legt Eiwitboeren-voorzitter Henk Janknegt uit. ‘De tussenhandelaar zegt: je gaat die gewassen toch wel telen, want je krijgt geld van de overheid. Dat wordt ingecalculeerd. Het is eigenlijk geld voor boeren, maar het blijft niet op het boerenerf.’
Na een goed gesprek bleken Hak en de Eiwitboeren hetzelfde te willen: peulvruchten van eigen bodem, waar de boer een fatsoenlijke prijs voor krijgt. Ze willen daarom samenwerken aan een waardevol product en een kortere keten.
Eerder maakten de Eiwitboeren ook al samenwerkingsafspraken met Groentegoed, dat hummus maakt van Nederlandse kikkererwten, en Cosun Protein, dat van de veldbonen van onder meer Janknegt een grondstof voor plantaardige zuivel maakt.
Ziet de Nederlandse consument ook de voordelen in van bonen van eigen bodem? Het ouderwetse, saaie imago is in ieder geval niet langer terecht nu het aanbod zo veel gevarieerder is dan in Bartjes tijd. Wie weet zou zelfs hij tegenwoordig zijn handen ervoor vouwen.
Kapucijners, ook bekend als velderwten of raasdonders, hebben een lange geschiedenis in Nederland. Traditioneel gegeten met spek, maar ook geschikt voor vegetarische gerechten.
6,5 g eiwit per 100 g
Zwarte bonen komen van oudsher uit Canada en Zuid-Amerika, maar blijken ook goed te gedijen op de Nederlandse grond. Een klassieker uit de Mexicaanse keuken.
6,9 g eiwit per 100 g
Bruine bonen worden het meest geteeld in Nederland. Te verwerken tot soep of in een stamppot, maar ook in bijvoorbeeld Mexicaanse gerechten.
7,6 g eiwit per 100 g
Spliterwten zijn het hoofdingrediënt van Hollandse erwtensoep. De erwten zelf komen doorgaans uit Noord-Amerika, al worden ze op kleine schaal ook in Nederland geteeld.
8 g eiwit per 100 g
Witte bonen koken wat makkelijker stuk dan andere bonen en zijn daarom geschikt voor spreads en dips. Ook in soepen en stoofpotjes kom je ze veel tegen.
8 g eiwit per 100 g
Veldbonen belanden vanwege het hoge eiwitgehalte voornamelijk in veevoer. Tegenwoordig wordt de veldboon steeds vaker verwerkt tot vleesvervanger of plantaardige zuivel.
8 g eiwit per 100 g
Kikkererwten worden sinds een paar jaar ook op kleine schaal in Nederland verbouwd. Ze worden doorgaans verwerkt tot hummus, of gebruikt in Indiase of Midden-Oosterse gerechten.
9 g eiwit per 100 g
Kidneybonen zijn geschikt voor Mexicaanse gerechten, voor stoofschotels en soepen. Net als zwarte bonen zijn ze de oceaan overgestoken naar Nederlandse akkers.
9 g eiwit per 100 g
Lupine bevat (bijna) net zo veel eiwit als soja, maar minder vet. Het wordt op kleine schaal geteeld, van oudsher vooral voor verwerking tot meel, als broodverbeteraar. Tegenwoordig zijn er ook vleesvervangers met lupine.
16 g eiwit per 100 g
Sojabonen worden ook grotendeels verwerkt tot veevoer. Vanuit vegetariërs en veganisten neemt de vraag naar duurzaam geteelde soja toe. De eerste proeven met Nederlandse sojateelt lopen, al schijnt de zon hier eigenlijk niet genoeg.
17 g eiwit per 100 g
Geselecteerd door de redactie
Na veertig jaar keihard werken zijn de Chinese ouders van Pete Wu met pensioen. Wat nu?
Source: Volkskrant