De wetenschapsredactie zoekt deze zomer antwoord op vragen van lezers. Vandaag: als het waar is dat talen slijten, hoe zijn ze dan ooit zo complex geworden? Spoiler alert: het zit anders in elkaar dan de vragensteller denkt.
Wie op het gymnasium eindeloos rijtjes Latijn in het hoofd moest stampen, weet dat oude talen veel meer naamvallen hadden dan moderne talen. Het vroegste Latijn had er acht; wij hebben alleen wat resten van naamvallen en de vraag is hoelang nog.
Neem bijvoorbeeld uitdrukkingen als ‘mijns inziens’ en ‘huns weegs’: we zeggen nu eerder ‘naar mijn mening’ of ‘hun weg’. Ook deze tweede naamval of genitief verdwijnt dus langzaam uit het Nederlands en klinkt nu al ouderwets. ‘Als het waar is dat talen de neiging hebben om te slijten’, schreef lezer Niko Roorda daarom, ‘hoe zijn ze dan lang geleden zo complex geworden?’
Over de auteur
Margriet Oostveen is wetenschapsredacteur van de Volkskrant. Ze schrijft over sociale wetenschappen en maatschappij. Eerder trok ze tien jaar als columnist door Nederland.
Niko Roorda wil het de wetenschapsredactie hierbij overigens niet te gemakkelijk maken: ‘Nu is mijn vraag niet waarom talen slijten. Daar zijn best aardige verklaringen voor, zoals de immigratie van vreemdelingen.’ Roorda wil vooral weten (en heeft dit in zijn mail vet, cursief én rood gedrukt) ‘hoe talen dan lang geleden eerst zo complex zijn geworden’.
‘Nou’, zegt emeritus hoogleraar Nicoline van der Sijs lachend: ‘Dat zijn dus twee aannamen die allebei niet kloppen. Talen ‘slijten’ niet en ze waren vroeger ook niet complexer dan nu.’
Van der Sijs is de grande dame van de historische taalkunde: zij schreef een reeks wetenschappelijke boeken over taalverandering en is ook niet van plan daarmee op te houden – dat doet de taalverandering zelf immers ook niet, vraag maar aan de mensen die tegenwoordig ‘die meisje’ zeggen (Van der Sijs: ‘En dat is prima!’).
Ze was onder meer verantwoordelijk voor de etymologie van de Grote Van Dale, oftewel de herkomst van woorden, die er in lemma’s van het woordenboek vaak bij wordt gegeven. Van der Sijs richtte de voor iedereen toegankelijke website Etymologiebank op. Daarnaast was ze lange tijd verbonden aan het wetenschappelijke Instituut voor de Nederlandse Taal, verantwoordelijk voor onder meer het Het Groene Boekje met de officiële Nederlandse spelling.
Er is echt geen sprake van, zegt Van der Sijs, dat talen ‘vroeger’ complexer zouden zijn dan nu. Dat lijkt misschien zo, omdat we de oude regels niet meer kennen. Maar talen zijn niet op een dag in het verleden op een soort denkbeeldig aanvangspunt in een ingewikkelde vorm begonnen. ‘We weten niet hoe ze begonnen.’
Zie wat dat betreft ook haar antwoord op een kleinere vraag van een andere lezer bij dit artikel, over het ontstaan van het alfabet: de aanvankelijke pictogrammen waren juist heel simpel. Dat werkte prima voor de handel maar bleek onvoldoende voor complexere zaken, zoals het vertellen van een goed verhaal.
En dan de aanname dat talen slijten. ‘Slijten impliceert dat er iets verdwijnt’, zegt Van der Sijs. ‘Maar wat er werkelijk gebeurde, is dat de functie van naamvallen en verbuigingen werd overgenomen door voorzetsels of lidwoorden. En dat daarmee de woordvolgorde of grammatica van een zin meer vast kwam te liggen.’
Omdat de meeste mensen geen Latijn lezen is het leuker dit principe uit te leggen aan de hand van een stukje Oudnederlands. Van der Sijs zoekt een Utrechtse tekst op die ergens tussen de jaren 776 en 800 in de kerk werd uitgesproken als belofte bij de doop, in de vorm van een vraag- en antwoordspel:
gelobistu in got alamehtigan fadaer
ec gelobo in got alamehtigan fadaer
gelobistu in crist godes suno
ec gelobo in crist gotes suno.
gelobistu in halogan gast.
ec gelobo in halogan gast.
Vertaald in modern Nederlands:
gelooft u in God de almachtige vader
ik geloof in God de almachtige vader
gelooft u in Christus de zoon van God
ik geloof in Christus de zoon van God
gelooft u in de heilige Geest
ik geloof in de heilige Geest.
Hier zie je goed dat in de Oudnederlandse tekst de lidwoorden ontbreken. En dat ‘godes suno’, met ‘godes’ in de tweede naamval dus, gezegd werd waar we nu spreken over ‘de zoon van God’. ‘Daar zijn later het lidwoord ‘de’ en het voorzetsel ‘van’ bij gekomen. Dat is dus geen slijten’, zegt Van der Sijs nog maar eens.
Taalkundigen zijn opvallend vaak eigenwijze mensen (waarom weet niemand), dus misschien is zekerheidshalve de vraag op zijn plaats of ze het hierover dan onderling wél eens zijn? Jazeker, zegt Van der Sijs. Dat de functie van naamvallen en verbuigingen werd overgenomen door voorzetsels of lidwoorden, is voor het eerst beschreven door de Amerikaanse antropoloog en linguïst Edward Sapir, ‘en daarover bestaat nu veel consensus’.
Ook werden werkwoordsverbuigingen vervangen door hulpwerkwoorden. Terwijl de Romeinen bijvoorbeeld nog ‘ambulabo’ zeiden, werd dat in het Nederlands ‘Ik zal lopen’. Taalkundigen zeggen dan dat ‘synthetische vormen zijn vervangen door analytische omschrijvingen’. Maar waarom gebeurt zoiets? Dit heeft inderdaad wel iets te maken met migratie, zoals de vragensteller van deze week al suggereerde. Daarbij maken invloedrijke onderzoekers zoals de Britse sociolinguïst Peter Trudgill onderscheid in de mate van taalcontact tussen verschillende inwoners van kleine versus grote samenlevingen.
Trudgill liet zien dat grote samenlevingen met meer nieuwe mensen van buiten de oorspronkelijke groep meer analytische omschrijvingen hebben dan kleine, homogene samenlevingen.
Maar waarom? ‘Een vrij recent inzicht’, zegt Van der Sijs, is dat werkwoordsverbuigingen en vervoegingen voor kinderen gemakkelijk te leren zijn. Maar mensen die een taal als tweede taal moeten leren, zoals migranten, vinden alle uitzonderingen op die verbuigingen en vervoegingen lastig. Daarom hebben zij de neiging bijvoorbeeld meer omschrijvingen met lidwoorden, voorzetsels, voornaamwoorden en hulpwerkwoorden te gebruiken. Of bijvoorbeeld maar één betrekkelijk voornaamwoord voor alles: ‘die meisje’.
Neem de Engelsen, zegt Van der Sijs. ‘De bovenlaag is daar na Willem de Veroveraar een paar eeuwen lang tweetalig geweest, die sprak Frans en Engels. Daardoor loopt het Engels nu voorop als efficiënte taal, het heeft bijvoorbeeld geen woordgeslacht en maar één lidwoord.’
Door taalcontact nemen wij die grammatica langzamerhand over: ‘Wij zeggen naar het voorbeeld van het Engels: ‘Hij was er niet, want ziek.’
Wat het Nederlands betreft, is de invloed van taalcontact tussen heterogene bewoners uit verschillende windstreken goed te zien in het Afrikaans. Anders dan in het vanouds veel homogenere Nederland heeft het Afrikaans nog maar één lidwoord: ‘die’. Het Afrikaans kent ook geen onderscheid tussen ‘hen’ en ‘hun’ maar gebruikt altijd ‘hulle’. En in het Afrikaans hebben bijna alle werkwoordsvormen in de tegenwoordige tijd dezelfde uitgang: ‘ek, jy, hy, ons, julle, hulle loop’.
In haar boek 15 eeuwen Nederlandse taal beschrijft Van der Sijs alle veranderingen die het Nederlands doormaakte door taalcontact. ‘Een interessante periode is bijvoorbeeld die van de Frankische Merovingen (430-751 na Chr. red.), toen was er taalcontact tussen de Romeinen en Germanen. En in dat voormalige rijk zie je de ontwikkeling van lidwoorden, voorzetsels, voornaamwoorden en hulpwerkwoorden ontstaan.’
Er zijn veel meer vergelijkbare voorbeelden van gemeenschappelijke grammaticale kenmerken binnen Europa, die volgens taalkundigen niet te herleiden zijn tot de gemeenschappelijke voorouder van vrijwel alle Europese talen, het Indo-Europees.
Neem de bepaalde versus onbepaalde lidwoorden: ‘een’ huis versus ‘het’ huis. Of een lijdende vorm met een voltooid deelwoord: het boek wordt geschreven. Taalkundigen noemen Europa daarom een ‘taalbond’: een gebied met kenmerken die zijn ontstaan door taalcontact. Deze kenmerken samen noemen ze ‘Standaard Gemiddeld Europees’.
Misschien ook een leuke term om te onthouden voor wanneer iemand weer eens op hoge toon zegt: ‘In Nederland praten we Nederlands.’
Nog een mooie vraag werd ingestuurd door lezer Ruud Komen: waarom heeft het alfabet (maar) 26 letters? Het Nederlands kent namelijk allerlei klanken waar het alfabet geen letters voor heeft. Luister bijvoorbeeld eens naar de manier waarop mensen die het Utrechts (‘Utregs’) beheersen de lange aa uitspreken: ‘ik ga’ klinkt in Utregs als ‘ik goat’. Daar heeft het Nederlandse alfabet dus geen aparte letter voor.
Dus hoezo 26 letters? Wie of wat bepaalt dat?
‘Het kortst mogelijke antwoord’, zegt Nicoline van der Sijs, ‘is dat we ons alfabet van de Romeinen hebben overgenomen en dat het toen niet helemaal paste op de taal die wij spraken.’
Het langere antwoord is dat het schrift al veel eerder dan het alfabet is uitgevonden: in 3300 voor Christus in een gebied in het Midden-Oosten dat de Vruchtbare Halvemaan wordt genoemd. Daar is de landbouw ontstaan, net als de eerste steden en staten.
De Soemeriërs begonnen hier als eersten met tekeningetjes en pictogrammen een boekhouding bij te houden van bijvoorbeeld graanvoorraden of verkochte schapen. Rond 3100 voor Chr. ontstond daaruit het Soemerische spijkerschrift. En niet veel later begonnen de Egyptenaren hiërogliefen te gebruiken, waarschijnlijk naar voorbeeld van de Soemeriërs.
Aanvankelijk ging het dus om een soort beeldtaal: een tekeningetje of pictogram was een woord. Voor boekhouden werkte dat nog prima: schaap, brood, graan. Tot mensen ingewikkelder zaken op papier wilden zetten, bijvoorbeeld een sterk verhaal: hallo, Homerus. Daarvoor waren pictogrammen niet meer voldoende.
De Feniciërs ontwikkelden zodoende rond 1000 voor Chr. het eerste schrift dat was gebaseerd op klanken in plaats van afbeeldingen. Dit bestond uit alleen 22 medeklinkers en aanvankelijk werd alle kanten op geschreven: van links naar rechts en omgekeerd; van boven naar onder of weer naar boven. Dit bleek niet de handigste methode, dus werd van rechts naar links standaard, zoals nog steeds in het Hebreeuws en Arabisch het geval is.
De Grieken namen het Fenicische alfabet over. De eerste gevonden inscripties dateren uit 800. Ze veranderden wel het een en ander: de Grieken gingen de tekens voor Fenicische medeklinkers die niet in het Grieks bestonden, gebruiken voor klinkers. En ze voegden ook nog wat extra tekens toe voor hun eigen klinkers. Bovendien zouden ze uiteindelijk van links naar rechts schrijven. En jawel: prompt noteerde Homerus de epische Ilias en Odyssee.
Zo werd ons moderne alfabet in de basis een feit. De Noord-Italiaanse Etrusken namen het Griekse alfabet over en die leerden het weer aan de Romeinen, die het op hun beurt onze kant op brachten.
Maar dat alfabet paste dus niet volledig bij onze taal, daarom veranderde er in de loop der eeuwen nog het een en ander. ‘Veel gebakkelei over het aantal letters en de volgorde’, zegt Van der Sijs, die in haar boek een hele reeks geleerden noemt en de wijzigingen die ze steeds weer aanbrachten.
Zo telde een alfabet in een spellinggids uit 1530 nog 23 letters. De j, v en w ontbraken in die opsomming, terwijl ze in sommige oude teksten al wel voorkwamen, maar niet altijd zo gebruikt als nu. Twintig jaar later telde een spellinggids 27 letters, waaronder een f ondersteboven, die voor de v stond. Nog vijf jaar later hanteerde een spellinggids 24 tekens, toen waren de j en y geschrapt.
In het jaar 1584 vond Van de Sijs het eerste alfabet dat bestaat uit dezelfde 26 letters als het onze. En nu? Unanimiteit is er nog steeds niet, zegt Van der Sijs: ‘De Winkler Prins-encyclopedie laat het alfabet nog steeds eindigen met x,ij, y, z en hanteert dus feitelijk een alfabet van 27 letters.’
Ook de woordenschat van talen evolueert. In alle moderne talen zijn er veel meer woorden bij gekomen, onder meer dankzij de opkomst van de techniek, zegt Van der Sijs: ‘De woordenschat is van oudsher uitgebreid met nieuwe woorden door het maken van afleidingen, zoals deksel van dekken. En met samenstellingen (stoel + poot = stoelpoot).’
Dit soort woorden zijn voor de taalgebruikers ‘volkomen begrijpelijk’. Maar door migranten en taalcontact komen er ook leenwoorden binnen. ‘Daarvan is de betekenis moeilijker te doorzien.’
En leenwoorden komen en gaan. Zo weet over een tijdje niemand meer wat we met het Engelse leenwoord ‘fax’ bedoelden, zo’n woord verdwijnt daarna weer langzaam. Intussen komen er dan weer bruikbare woorden bij: het ‘appje’. Op die manier, zegt Van der Sijs, is ongeveer 40 procent van de Engelse leenwoorden na 35 jaar alweer uit het Nederlands verdwenen en vervangen door een ander (leen)woord.
Bovendien zijn er ook nog ‘leenbetekenissen’: ‘Neem de uitdrukking ‘een lekkende ambtenaar’. Die betekenis had lekken oorspronkelijk helemaal niet bij ons, die komt rechtstreeks uit het Engels.’ Deze betekenis is pas in 1984 opgenomen in de Dikke Van Dale. Andere voorbeelden van Engelse leenbetekenissen: ‘chemie’ tussen mensen; ‘wollig’ taalgebruik, ‘giftig’ gedrag.
De uitdrukking ‘talen slijten’ klinkt als iets dat je niet wil en dat is precies wat Nicoline van der Sijs tegen deze (wel vaker gebruikte) manier van zeggen heeft. Op het moment dat taal begint te veranderen – en dat is continu – leidt zo’n houding namelijk onherroepelijk tot klachten over taalverloedering en het elkaar hardnekkig wijzen op taalfouten.
Zoals veel taalkundigen heeft Van der Sijs een grondige hekel aan taalpurisme (‘Oeh! Daar kan ik helemáál niet tegen!’). Taalpurisme heeft een behoudende kant die al snel tot uitsluiting van mensen leidt en dat bevalt haar niet.
De jonge Nederlander die ‘die meisje’ zegt, volgt het soort taalveranderingen na die de ontwikkeling van het Nederlands al eeuwen kenmerken. Iemand die ‘die meisje’ zegt, voelt dus feilloos aan welke kant veranderingen hier op gaan.
Betekent dit dat we allemaal maar wat moeten doen? Nee natuurlijk, daarom hebben we een officiële spelling die iedereen kan opzoeken in Het Groene Boekje. De Algemene Nederlandse Spraakkunst (ANS) beschrijft daarnaast de Nederlandse grammatica. De ANS kan op zeker moment ook ‘die meisje’ gaan vermelden. ‘Misschien eerst met de aantekening dat die vorm (nog) niet algemeen aanvaard is, maar die waarschuwing kan uiteindelijk verdwijnen.’
Over complexe taalregels gesproken: in dat Groene Boekje is in de loop der jaren veel nodeloos ingewikkelds vastgelegd, dat volgens Van der Sijs beter kan worden gestroomlijnd. Waarom schrijven wij s-klanken die we wij aan taalcontact met de Fransen en veel andere talen danken bijvoorbeeld nog steeds met een c, zoals in ‘citroen’? ‘In Zweden zetten ze ieder leenwoord gewoon direct om naar de eigen spelling van die klank.’
In de jaren tachtig deed toenmalig hoofdredacteur van Van Dale Guido Geerts een ‘manhaftige poging’ onder meer de spelling van de woorden met een c die als een k klinken ook zo te schrijven, maar dat voorstel is toen ‘ontploft’, zucht Van der Sijs. ‘Zo gaat het altijd.’ Niet de taalkundigen doen daar zozeer moeilijk over, ‘maar meestal schrijvers, uitgevers, leraren, ambtenaren, mensen voor wie de taal ook hun gereedschap is. Dat begrijp ik.’
Precies zo verzetten media, waaronder de Volkskrant, zich tegen de laatste officiële spellingwijzigingen uit 2005. Sindsdien was op krantenredacties een alternatieve, behoudende spellinglijst de norm, die bekend werd als het Witte Boekje. In het begin had dat nog iets heroïsch, maar gaandeweg kreeg het Witte Boekje toch meer weg van een vorm van cultureel kapitaal voor krantenlezers, die alleen maar tot extra verwarring leidde en jonge mensen buitensloot. Sinds vorige maand is de krant daarom alsnog overgestapt op Het Groene Boekje.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant