Om mee te tellen in de kunstwereld, moest Kinke Kooi abstracte lijnen op grote doeken schilderen. Ze koos haar eigen weg, die recentelijk tot een doorbraak leidde. Kooi tekent waar ze zin in heeft, ook als dat cellulitis, okselhaar of menstruatiebloed is.
Zeven jaar geleden kocht het Rijksmuseum een tiental tekeningen van Kinke Kooi aan, een dwarsdoorsnede van haar werk. Het tweeluik Dikke reet en Vette worst (1991) zat erbij. Twee vellen papier zijn het, net iets kleiner dan A4, waarop inderdaad te zien is wat de titels beloven. Met een eindeloze hoeveelheid ronde streepjes van roze balpen laat ze het vlees als het ware uit het papier stulpen.
Een klassieke Kooi, kun je wel zeggen. Door de kenmerkende tekentechniek, maar ook door de gedachtegang die tot het idee leidde. Waarom, vroeg ze zich namelijk af, tekent niemand nou gewoon eens grote billen met al hun plooien en kuiltjes, terwijl zo veel vrouwen die hebben? Dus ging ze het zelf doen. Met de rookworst als maatschappijkritisch commentaar ernaast. Want met al zijn rondingen en kreukels ligt die wel overal in de aanbieding te glanzen.
Over de auteur
Alex Burghoorn is kunstverslaggever van de Volkskrant. Hij schrijft over kunstpolitiek en subsidiebeleid.
Maar, zegt Kooi, hoe mooi de selectie ook was die conservator Alied Ottevanger in 2017 voor het Rijksmuseum had gemaakt, ‘ik wilde er voor de volledigheid nog een paar gevaarlijke werken aan toevoegen’.
Het waren de twee gefotografeerde naaktportretten Butterfly en Geurwaaier, ook uit de jaren negentig, waarop ze met dunne kleurlijnen stralenkransen van acrylverf had geschilderd rond haar okselhaar en, op de tweede, ook haar schaamhaar. Ze had er destijds durf voor nodig gehad, omdat ze zowel de maker als de toeschouwer daar raken ‘waar de griezel zit’. Bij vrouwen hoorde je, zeker toen, geen oksel- en schaamhaar te zien volgens de maatschappelijke conventies – of, met andere woorden, volgens de regels van het patriarchaat.
‘Ik heb ze er toen als schenking aan de museumcollectie bij gedaan, want ik dacht dat ik ze toch niet zou verkopen.’
Hoe snel de tijden veranderen. Het Rijksmuseum koos deze zomer Butterfly (1997) als blikvanger voor de verzameltentoonstelling ‘Point of View’ – over hoe ideeën over gender door de eeuwen heen zijn verbeeld. Met haar handen achter haar hoofd gevouwen ontbloot Kooi op de foto haar okselholten. Met haar gezicht in het midden en de veelkleurige aura’s aan beide kanten rond het okselhaar lijkt ze wel een vlinder uit te beelden; de butterfly uit de titel.
Het werk hangt sinds juli aan de museumgevel, op posters in stad en land, en is zelfs in de museumwinkel te koop als sjaaltje (39,95 euro). Tot een paar jaar geleden was het nog met punaises opgeprikt aan de muur van haar atelier. De gaatjes zijn nog in het papier te zien als je dicht op het ingelijste werk staat. Het deelt als okselhaaricoon een museumzaal met werken van de bekende vrouwelijke kunstenaars Marlene Dumas en Charley Toorop.
Het markeert de doorbraak die Kinke Kooi het laatste jaar beleeft. Aan het eind van 2023 won ze de Gerrit Benner Prijs, een oeuvreprijs voor kunstenaars uit haar geboorteprovincie Friesland. Na veertig jaar kunstenaarschap zette de bijbehorende solotentoonstelling in het Fries Museum haar in Nederland stevig op de kaart. Sinds de eeuwwisseling mocht ze dan al naam hebben opgebouwd met tentoonstellingen in de toonaangevende galerie Feature Inc. in New York, over drie maanden schittert ze in de polder als een van de ‘pioniers’ van de moderne vrouwenkunst op de verzameltentoonstelling I Hit You With a Flower van het Stedelijk Museum Schiedam.
Waar kwam het idee voor Butterfly vandaan?
‘Als kind vroeg ik aan mijn moeder: waarom hebben wij haar onder onze oksels? Mijn moeder is een revolutionaire vrouw, echt een powerlady. Maar dit wist ze niet. Dat zegt iets over onze maatschappij. ‘Misschien om ons te beschermen’, zei ze. Maar dat vond ik vreemd. Wat valt er te beschermen als je je armen eigenlijk altijd naar beneden hebt?
‘Het bleef in mijn hoofd hangen, en vele jaren later kwam de vraag terug toen ik een film over vlinders zag. Daarin werd uitgelegd uit hoe zij hun seksuele geursignalen – feromonen – verspreiden via een waaier aan haartjes op hun lijf. Toen wist ik het: oksel- en schaamhaar zijn bedoeld om je geur te verspreiden. Dat is heel natuurlijk. In die tijd, de jaren negentig, mochten mannen dat wel gewoon doen, maar vrouwen niet. Zij moesten zich scheren, en hoewel opvattingen sindsdien zijn veranderd, is dat nog steeds de norm.
‘Toen drong de wreedheid ervan tot me door: wij vrouwen moeten leeg zijn en dan kun je van alles op ons projecteren, zoals ook op de witte muren van een museum voor moderne kunst. Met het modernisme is in de 20ste eeuw heel veel vrouwelijkheid verdwenen. Net zoals moeder Maria met het calvinisme uit de protestantse kerken is verdwenen, en we achterbleven met de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.
‘Nou goed, dat bedacht ik niet allemaal tegelijk, hoor. Ik ben eerst het werk gaan maken en gaandeweg drongen dat soort gedachten zich op. Dat is het leuke van kunst: je zet een enge eerste stap en dan rolt zich vanzelf een heel verhaal uit.’
Met die laatste zin raakt Kooi de kern van haar loopbaan als kunstenaar. Toen ze aan het eind van de jaren tachtig vastliep op het geijkte pad, nam ze een afslag waarvan de richting zich pas na verloop van tijd openbaarde. De 63-jarige kunstenaar vertelt er even vrolijk als associatief over op haar zolderatelier in een oud koetshuis aan de rand van het Park Angerenstein in Arnhem. Ze woont er met haar man Roland Schimmel, die ook beeldend kunstenaar is. Hun volwassen dochter en zoon wonen inmiddels op zichzelf.
Op haar tekentafel ligt een groot vel kladpapier, vol probeersels met zuurstokkleuren. Aan de muur hangt een grote tekening in wording. Die bevat allerlei elementen die in haar werk van de afgelopen jaren terugkeren: slingerende planten, plooiende stoffen en parelsnoeren schurken tegen elkaar aan, met hier en daar verrassende hoekjes en tussenruimten waar je ineens een huiskamertje inkijkt. Het is een caleidoscopische voorstelling, die even doet denken aan de graficus M.C. Escher, maar dan veel uitbundiger en niet zo mathematisch van opzet.
‘Ik ben heel dyslectisch, net als mijn hele familie’, zegt Kooi al vroeg in het gesprek. ‘Mijn vader, een Friese boer, zei altijd: als wij eenmaal van school zijn, dan redden we ons wel. Hij wist dat het moeilijk was om ons naar het systeem te voegen.
‘Mijn opa was een beelddenker, en kwam daarmee al op school in de problemen. De leraar vroeg een keer: waarom is vlees zo goed verteerbaar? Het antwoord gaf hij erbij: omdat de koe het gras voor jou al heeft verteerd. In plaats van dat aan te nemen, stelde mijn opa zich een koe voor en hoe je die in zijn geheel opat. Dus merkte hij op: dan zijn botten en tanden ook goed verteerbaar.
‘Zo'n opmerking kwam brutaal over en hij kreeg van de leraar een klap. Na een paar keer ging hij terugslaan en werd hij van school gestuurd. Toen heeft mijn overgrootmoeder hem naar een school voor moeilijk opvoedbare kinderen gestuurd. Daar was een directeur die hem gelukkig heel goed begreep.
‘Later, toen hetzelfde met mijn vader gebeurde, adviseerde die directeur mijn opa om zijn kinderen naar de school van Kees Boeke in Bilthoven te sturen. Dat was een revolutionaire man. Boeke wilde geen belasting betalen en ging daarom zelfs demonstratief naast de openbare weg lopen. Hoe dwars kun je zijn? Op die school gaf Maria Krabbe les, een vooruitstrevende lerares. Zij zei tegen mijn vader: ‘Jij bent niet moeilijk opvoedbaar, jij bent woordblind – jij denkt in beelden en niet in woorden.’ Ze was daar een pionier in.
‘Toen het ernaar uitzag dat ik in Friesland naar de huishoudschool zou gaan, vonden mijn ouders dat een slecht plan voor mijn ontwikkeling, omdat ik ook een beelddenker ben. Ze hebben me op mijn 12de in de kost gedaan bij mijn tante in Haarlem, waar ik naar de vrije school ging. Het was een goede zet. Ik heb daar veel werk gemaakt, waarmee ik naar de academie kon. Maar het was ook wel eenzaam.’
Het klinkt in alle onaangepastheid als een ideale aanloop naar de kunstacademie.
‘Het was 1980 toen ik begon en het was een bozige tijd met een terugslag voor de emancipatie, na het feminisme van de jaren zestig en zeventig. Zo van: genoeg geluld daarover. Ik hoop trouwens niet dat zoiets nu weer gebeurt, na alle vooruitgang van de afgelopen jaren.
‘Bij kunstgeschiedenis vertelden ze dat de kunst is begonnen met mannen die rotstekeningen maakten. De vrouwen maakten versieringen op potten. Dat was decoratie. Mannen maakten kunst. Op de academie werden ook wel opmerkingen gemaakt als: zodra jij kinderen krijgt, is je carrière afgelopen.
‘Indertijd kondigde de nieuwe directeur van Museum Arnhem, Liesbeth Brandt Corstius, wel aan dat de helft van de nieuwe aankopen van het museum voortaan werk van vrouwelijke kunstenaars zou zijn. Baanbrekend. Maar voor veel mannen op de academie betekende het dat je niet meer in dat museum hoefde te komen. Vrouwenkunst, dat is ‘ronde vormen met een gat erin’, zei een leraar laatdunkend tegen een vriendin van me.’
Wat voor soort werk moest je in die tijd maken om mee te tellen?
‘Het ging om het grote gebaar. Met een grote kwast schilderde je virtuoos als een zwaardvechter op een groot doek. Het moesten ‘autonome vormen’ zijn: abstracte lijnen en figuren die alleen aan zichzelf refereerden en niet verwezen naar de buitenwereld. Toen dacht ik: dat wil ik helemaal niet. Waarom moet je alleen maar aan jezelf refereren? Ik voel me juist verbonden met alles.
‘In de kunstwereld moest je cool zijn. Ik kon dat helemaal niet. Als je op een opening van een expositie iemand vragen stelde over een werk, dan kreeg je geen antwoord, maar een vraag terug. Zo van: hoezo is dat belangrijk? Het lukte me nooit om zo cool te zijn. Ik ben daar veel te tegemoetkomend voor.
‘Het doet me denken aan rechercheurs in detectiveseries. Als hun hulpje vraagt waar ze naartoe gaan, dan geven ze geen antwoord en lopen gewoon weg. De ander moet dan maar mee. Bij de vrouwelijke detectives over wie de laatste jaren tv-series zijn gemaakt, zie je dat ze volgens het script autistisch zijn, of psychische problemen hebben om hun gedrag te verklaren. Want waar halen ze anders het lef vandaan? Maar een man die geen antwoord geeft, is gewoon stoer.’
Hoe kwam u van de autonome vormen naar de Dikke reet en de Vette worst?
‘Mijn eindexamen is niet zo goed beoordeeld. Na de academie werd ik niet gevraagd voor tentoonstellingen. Ik kreeg geen kunstenaarsbeurs en liep vast. Ik was heel ontevreden met mezelf. Ik kan er heel slecht tegen als ik dingen moet doen die ik niet wil. Dan kom ik op een gegeven moment niet meer van de bank af.
‘Het was echt kiezen of delen: wel of geen kunstenaar zijn. Ik dacht: als ik echt kunstenaar wil worden, ga ik niet meer bluffen, alleen nog maken wat ik zelf wil. Toen heb ik mezelf beloofd: ik begin gewoon te maken wat ik wil, en het hoeft niet meteen goed te zijn. Ik begin en dan word ik steeds beter. Dat gaf een enorme flow.
‘Van de grote doeken was ik in de academietijd onzeker geworden. Daar moet je steeds van een afstandje naar kijken, en dan ging ik twijfelen. Hoe meer afstand ik nam, hoe kritischer ik werd. Dus ik ging voor de verandering tekenen. Op papier. Gewoon priegelen. Met dunne lijntjes, steeds in herhaling naast elkaar. Daar werd ik rustig van. Het was bijna meditatief.
‘Het was ook handiger om klein te gaan werken. Ik had er altijd een hekel aan om busjes te moeten regelen om schilderijen te vervoeren. Ik ben een slechte regelaar. Het was eigenlijk uit den boze om je te laten intimideren door praktische zaken, want het ging om de Grote Kunst. Maar ik ging alleen nog werk maken dat in de auto past. Papier kon je ook zo fijn makkelijk opbergen.
‘Zo was ik bezig toen ik in 1989 voor het eerst zwanger werd. Dat heeft de omslag echt in gang gezet. Ik wilde mezelf zwanger tekenen, maar ik hoorde een stem in mijn hoofd zeggen: dat kan echt niet. Een zwanger lichaam tekenen? Schandalig! Het was iets om van te griezelen. Dat hield je bedekt.
‘Maar ik had met mezelf afgesproken dat ik zou tekenen wat in me opkwam. ‘Durf het dan!’, zei een andere stem daarom. Toen ging ik het doen – dat is het mooie van kunst maken: je kunt het gewoon doen, zonder dat je het hoeft te verdedigen of uit te leggen. Zo ging het daarna ook met de cellulitisbillen en -benen, met menstruatiebloed.’
Vonden de mensen het inderdaad griezelig toen u dat werk toonde?
‘Ja, dat voelde je. Als je iets griezelig vindt, dan ga je er omheen, dan mijd je het. Ooit hoorde ik dat iemand mijn werk had aangedragen bij een tentoonstellingscurator en die had gezegd: nee, dat is van die lijfelijke vrouwenkunst. Dat heeft in Nederland met mijn werk toch langer geduurd dan in de Verenigde Staten.’
Hoe komt het dat je zo kunt griezelen van het verbeelden van iets dat al bestaat zolang de mens bestaat?
‘Als je beelden nooit ergens ziet, zijn ze eng. En met het lichaam van vrouwen gaat dat ver terug. Denk aan de onbevlekte ontvangenis van Maria, de beroemdste zwangerschap uit de christelijke wereld.
‘De moeder van mijn man heeft elf kinderen gekregen. Na elke geboorte moest ze in de kerk boete doen omdat ze bevlekt een kind had gekregen. De moeder van een vriendin van me was blij dat ze de pastoor kon vertellen dat ze eindelijk in verwachting was, maar die zei toen dat ze op zondag alleen via de achterdeur de kerk binnen mocht gaan. Veel mensen kennen die verhalen niet.
‘Als je kijkt naar schilderijen van Bijbelfiguren, dan zijn die allemaal even dun. Het christendom is erg antilichaam: je ziet zelden dat Maria voluit zwanger is. Het is een voorbeeld van wat ik visuele uithongering noem. De samenleving krijgt allerlei dingen die normaal zijn, niet te zien. Beelden van zwangere vrouwen, van dikke vrouwen in onze samenleving zijn er niet – dat is pas de laatste jaren een beetje aan het veranderen.
‘De functie van kunst is om te tonen wat je in het dagelijks leven, in de beelden van de media, niet ziet. Het is onnatuurlijk als je visuele informatie onderdrukt. Onze samenleving gelooft erg in lezen, en dat is begrijpelijk. Maar kijken, goed kijken, is net zo belangrijk.
‘Iedereen kan bijvoorbeeld zien dat mannen tepels hebben. Maar wie vraagt zich af waarom dat eigenlijk zo is? De maatschappij heeft daar een blinde vlek voor. Mijn opa had een klap gekregen als hij die vraag in de klas had gesteld. Waarom hebben mannen tepels? Ik ben nu bezig aan een serie werken rond die vraag. Mannen dragen op hun lichaam het symbool van geven. Als je daarbij stilstaat, veranderen allerlei ideeën over mannelijkheid.’
Is dat niet toch autonome kunst: alledaagse dingen tekenen die de meeste mensen niet zien?
‘Dat is wel lollig, ja. Niemand is autonoom, natuurlijk. Je komt bij je moeder vandaan, en je vader, en iedereen raakt door van alles beïnvloed. Veel van de zogenaamd autonome vormen op de kunstacademie leken op elkaar. Daar heb ik geen commentaar op, maar wees er eerlijk over. Iedereen is beïnvloed.
‘Als ik teken, heb ik het gevoel alsof ik een visueel vacuüm vul – er is een gat en dat moet ik opvullen. Wat visueel afwezig is, maak ik zichtbaar. Het is wat kunst kan: de beelden en verhalen aanvullen die je anders niet ziet of hoort. Zo houden we de samenleving gezond.
‘Is het gat autonoom of ben ik autonoom? Geen idee. Ik heb die gaten niet gecreëerd, ik vind ze alleen. Net als water, dat de weg naar een laagste punt volgt.’
Het werk ‘Butterfly’ van Kinke Kooi is nog t/m 1 september te zien op de tentoonstelling ‘Point of View’ in het Rijksmuseum in Amsterdam.
1961 Geboren in Leeuwarden
1980-1985 Studie aan de Academie voor Beeldende Kunsten in Arnhem
1993 Solotentoonstelling in Museum Arnhem
1998 Eerste galerie-expositie bij Feature Inc. in New York
2016 Jeanne Oosting Prijs voor figuratieve schilderkunst
2023 Gerrit Benner Prijs voor haar hele oeuvre; overzichtstentoonstelling in Fries Museum
2024 ‘Butterfly’ blikvanger van tentoonstelling ‘Point of View’ in Rijksmuseum
Kinke Kooi is getrouwd met kunstenaar Roland Schimmel. Ze hebben twee kinderen.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant