Sinds de aanval van Hamas op 7 oktober vorig jaar zijn alle werkvergunningen ingetrokken van Palestijnen die op de Westelijke Jordaanoever wonen en in Israël hun brood verdienen. De geldnood wordt nu schrijnend. ‘We lopen aan alle kanten vast.’
Er staan twee banken in de woonkamer van Abu Akram, twee logge eilanden in een grote, lege ruimte. De rest van het meubilair? ‘Verkocht’, zegt hij bitter, terwijl hij zijn 5-jarige zoontje op zijn hoofd kust.
In theorie heeft Abu Akram gewoon een baan. Hij installeert aluminium kozijnen voor een Israëlisch bedrijf en zijn baas zou hem graag weer op de bouwplaats zien. Het punt is dat de Palestijn op de bezette Westelijke Jordaanoever woont en dat zijn werkvergunning sinds de aanval van Hamas, op 7 oktober vorig jaar, is ingetrokken. ‘Ik kan dus al ruim tien maanden niet meer werken’, zegt hij. ‘En daarom heb ik ook al tien maanden niets meer verdiend.’
Over de auteur
Sacha Kester is buitenlandredacteur van de Volkskrant en schrijft over België, Israël en het Midden-Oosten.
Hij is niet de enige. Luttele uren nadat de aanval van Hamas was begonnen, trok Israël alle 140 duizend werkvergunningen in van Palestijnen die op de Westelijke Jordaanoever wonen en in Israël hun brood verdienen. Dat is vaker gebeurd na aanslagen of tijdens eerdere oorlogen, dus in eerste instantie bleven mensen rustig op de bank zitten.
Ook Abu Akram raakte niet direct in paniek. ‘We hadden wat spaargeld’, vertelt hij, ‘en we dachten dat ik na een paar weken wel weer aan de slag zou kunnen gaan.’ Maar na een paar maanden werd het lastiger. Het spaargeld raakte op en de uitgaven gingen door: het gezin moest natuurlijk wel eten, nieuwe schoenen kopen voor de kinderen en de huur betalen. ‘Toen zijn we de juwelen van mijn vrouw gaan verkopen. En vervolgens waren onze meubels aan de beurt.’
Maar wat nu? De man wijst om zich heen, naar de lege huiskamer, en schudt verdrietig zijn hoofd. ‘Ik weet het niet meer.’
Abu Akram vervloekt zichzelf dat hij vroeger niet meer geld heeft weggezet. Dat kon, want hij verdiende omgerekend bijna 2.500 euro per maand, wat in het gebied als een heel goed salaris geldt. Die hoge beloning is de reden dat veel Palestijnen staan te trappelen om voor de bezetter te werken: het is drie keer zoveel als zij op de Westelijke Jordaanoever met een goede baan zouden kunnen verdienen.
Maar nu is de kraan dus dichtgedraaid. En al het geld dat normaal gesproken de Palestijnse economie binnenstroomde, dat werd uitgegeven aan huizen, restaurants of auto’s, is er niet meer – waardoor andere sectoren eveneens pijn voelen.
Daarnaast wordt de Westelijke Jordaanoever ook op andere manieren economisch gemangeld door Israël: de vrije doorvoer van goederen wordt belemmerd en de belastinginkomsten die Israël voor de Palestijnse Autoriteit ophaalt, worden achtergehouden. Volgens Israël is dat allemaal nodig vanwege de veiligheid, maar volgens de Wereldbank leidt het tot ontslagen, onbetaalde salarissen en een terugval van de lokale productie.
De werkloosheid in het gebied wordt geschat op 40 procent en de ellende die dat veroorzaakt is overal zichtbaar. Zo proberen opvallend veel kinderen op straat snoep, zakdoekjes of losse sigaretten te verkopen. Een heleboel hotels en restaurants zijn gesloten. En de taxi’s staan stil: vanwege de talloze wegversperringen van het Israëlische leger valt er bijna niet meer te reizen tussen de Palestijnse dorpen en steden.
‘We lopen aan alle kanten vast’, zegt de manager van een restaurant in Ramallah die zijn naam liever niet noemt. ‘Mensen die in de dorpen wonen kunnen niet naar hun werk in de stad komen, omdat de wegen weer zijn geblokkeerd. Hierdoor zijn ook vrachtwagens veel langer onderweg en is de transportprijs omhooggeschoten. Dat merk je weer in de prijs van producten. Voorheen betaalden we bijvoorbeeld 2,50 euro voor 3 kilo tomaten, nu krijg je voor datzelfde bedrag nog maar 1 kilo.’
Ook aan de andere kant van de grens was het intrekken van al die werkvergunningen een aderlating: Israëlische bedrijven zaten plotseling zonder werknemers. Palestijnen zijn werkzaam in het toerisme en de agrarische sector, maar vooral in de bouw. Niv Baram (niet zijn echte naam) staat op een bouwplaats in Tel Aviv: er wordt gewerkt aan een appartementencomplex van twaalf verdiepingen, met een inpandige parkeergarage. Vanaf het dakterras van het penthouse hebben de bewoners straks uitzicht op de Middellandse Zee.
‘Er lopen nu weer allemaal mensen rond’, zegt Baram terwijl hij om zich heen wijst. ‘Timmermannen, metselaars, noem maar op. Maar er was niemand meer. Het grootste deel van ons personeel was Palestijns, net als bij de meeste andere bouwbedrijven. Zij zijn goedkoper en er zijn niet veel Israëliërs die zin hebben om dit zware werk in de hitte te doen. Als die Palestijnen plotseling allemaal wegvallen, ligt dus ook het werk stil.’
Dat kostte handenvol geld, vertelt Baram. Al die grote bouwkranen bijvoorbeeld moeten worden gehuurd, en het geld moet van tevoren worden betaald. ‘Het gaat om enorme bedragen. Elke dag dat er niet wordt gewerkt, verliest ons bedrijf tienduizenden euro’s.’
De gevolgen voor de Israëlische economie zijn groot, want de bouwsector neemt ongeveer 20 procent van Israëls bruto binnenlands product voor zijn rekening. Met dat argument in de achterzak is de sector een lobby begonnen om in vredesnaam zo snel mogelijk voor alternatieven te zorgen. Er werd een noodconferentie gehouden en in achterkamertjes met politici gepraat in de hoop meer (en sneller!) personeel uit het buitenland naar Israël te kunnen halen.
‘Het begint een beetje te lopen’, vertelt Baram. ‘Een kwart van de mensen dat hier nu rondloopt, komt uit Sri Lanka, en ik weet dat er ook veel Moldaviërs, Indiërs en Chinezen deze kant op zijn gehaald.’ Voor sommige bedrijven kwam dat te laat: een groot deel van de oogst is vorig jaar bijvoorbeeld niet binnengehaald, omdat ook in deze sector veel Palestijnen werken. Maar zelfs nu er weer personeel is, verlangt Baram naar zijn vroegere collega’s. ‘Allereerst zijn die Sri Lankanen duurder en leveren ze slechter werk. Maar het gaat mij vooral om de Palestijnen zelf: goede, hardwerkende gasten die niets met terrorisme hebben te maken. Ik mis ze, we zagen elkaar elke dag. En ik weet dat ze het nu moeilijk hebben.’
Het Qalandiya-checkpoint, een soort grensovergang tussen Israël en de Westelijke Jordaanoever, wordt door Palestijnen diep gehaat. Vanuit Israël ben je er zo doorheen: je wandelt soepel langs de muren en de wachttorens, en daarna door hekken en sluizen. Niemand houdt je aan, niemand stelt een vraag.
De tocht andersom, vanuit het bezette gebied naar Israël, is heel andere koek. Mensen staan soms urenlang in de file voordat ze de grens over kunnen rijden, of worden, als ze te voet ‘oversteken’, op elkaar gepropt in een soort kooi. Paspoorten en vergunningen worden gecontroleerd door zwaarbewapende soldaten, tassen worden nagekeken. Als het papierwerk niet klopt, word je opgepakt of teruggestuurd.
Het checkpoint, zegt Israël, houdt terroristen tegen die aanslagen willen plegen. Voor veel Palestijnen is het echter een dagelijkse vernedering die ze moeten ondergaan om hun werk, de school van de kinderen, hun familie of het ziekenhuis te kunnen bereiken. Mits ze daar de juiste vergunningen voor hebben, natuurlijk.
Saad Obaïd woont vlak bij Qalandiya: eerst moet je naar links, langs een groenteboer waar een oude vrouw net een zak tomaten laat afwegen, en dan rechts een steegje in waar de brandende zon niet bij kan komen. Kinderen lopen nieuwsgierig mee, een aantal katten schiet juist schichtig weg.
Het was altijd wel handig om zo dicht bij het checkpoint te leven, vertelt Obaïd, want ook hij moest elke dag naar Israël om op een bouwplaats te werken. ‘De wekker ging om half 5 ’s morgens, en dan stond ik om 5 uur bij Qalandiya. Soms kostte het een kwartiertje om erdoor te komen, soms anderhalf uur, dat was onvoorspelbaar. Eenmaal aan de andere kant reden we naar Oost-Jeruzalem, en daarvandaan gingen we met collega’s naar de bouwplaats, waar dan ook in het land.’
Zeventien jaar lang werkte de 61-jarige Obaïd bij hetzelfde bedrijf. Hij legde elektriciteit aan, sleutelde aan waterleidingen, stuukte muren en werd ingezet voor onderhoud of renovatie. ‘Ze waren blij met me’, vertelt hij stralend. ‘Ik was een van hun beste krachten, juist omdat ik zo veel ervaring heb en alles kan.’
Ook Obaïd heeft de sieraden van zijn vrouw moeten verkopen. Daarmee zouden ze het nog wel even hebben gered, maar toen werd hun dochter ziek. ‘Ze is 27 jaar oud’, vertelt zijn echtgenote Alaa Obaïd, die koffie en een schaal chocoladekoekjes op tafel zet – bezoek moet tenslotte in de watten worden gelegd, ook als je geen rode cent meer hebt. ‘Ze begon flauw te vallen, en is het zicht aan één oog kwijtgeraakt.’
Mevrouw Obaïd kijkt paniekerig. ‘We willen graag weten wat de oorzaak is, dus onze dochter heeft een MRI nodig. Normaal gesproken zou dat geen probleem zijn, want we hebben altijd genoeg geld gehad, maar nu zullen we moeten lenen. Dat vind ik heel moeilijk, want je weet niet wat er komen gaat. Wat als blijkt dat onze dochter een dure behandeling nodig heeft? Hoe gaan we dat betalen? Ik wil niet klagen hoor, in Gaza hebben de mensen het veel zwaarder, maar ik weet niet hoe wij verder moeten nu.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant