Onbevangen doken de jonge talenten deze sportzomer overal op in de stadions. Is het eigenlijk wel zo verstandig dat zij mogen meedoen aan wedstrijden voor volwassenen? Hoogleraar Nicolette Schipper-van Veldhoven pleit voor een ondergrens van 18 jaar.
Als er iets is waar ‘wonderkinderen’, grote jonge sporttalenten, zich op kunnen voorbereiden, dan is het die ene vraag: hoe gaan ze om met de druk?
Voetballer Lamine Yamal, die deze zomer 17 werd, zegt dat hij er eigenlijk niet mee bezig is. ‘Als je te veel over dingen nadenkt, dan krijg je dat gevoel van druk.’
Over de auteur
Dirk Jacob Nieuwboer is sportverslaggever van de Volkskrant en schrijft over voetbal en handbal.
Ook Cavan Sullivan kan zich op 14-jarige leeftijd al uitstekend afsluiten van de buitenwereld. ‘Het gaat echt alleen om wat ik van mezelf denk’, zei de jongste debutant ooit in de MLS, de hoogste Amerikaanse voetbaldivisie.
Zijn landgenoot Quincy Wilson (16) had altijd al gedroomd om de 400 meter te lopen op de Olympische Spelen, dus wat kon er in Parijs misgaan? ‘Als ik vrij ren, dan kunnen er mooie dingen gebeuren.’
Druk? Dat is iets voor anderen, voor volwassenen. Jaloersmakend onbevangen doken ze deze sportzomer overal op in de stadions. Yamal won als basisspeler met Spanje zelfs de titel, voortdurend lachend, genietend van ieder moment. Wat kan daar nu mis mee zijn?
‘Goeie vraag’, zegt sportpedagoog Nicolette Schipper-van Veldhoven. ‘Er hoeft niet per se iets mis te zijn, maar je kunt je ook de vraag stellen waar het voor nodig is. Waarom moet een kind het opnemen tegen ouderen? Volgens mij is dat alleen maar omdat we van medailles de heilige graal hebben gemaakt.’
De hoogleraar sports, risks and safety aan de universiteit van Twente en lector sportpedagogiek aan de Hogeschool Windesheim vindt het hoog tijd voor een duidelijke leeftijdsgrens: onder de 18 zou niemand aan wedstrijden met volwassenen mogen meedoen. ‘Het is leuk om medailles te winnen, maar waarom kan dat niet vanaf 18 jaar?’
Natuurlijk is geen kind gelijk, bovendien hebben verschillende sporten en landen andere culturen. De werelden van de Russische kunstrijdster Kamila Valieva, die op 15-jarige leeftijd op doping werd betrapt en door haar coach in het openbaar werd vernederd, en de vrolijk voetballende Lamine Yamal liggen mijlenver uiteen. Schandalen met autoritaire coaches, onmenselijke trainingsregimes en eetstoornissen trekken de aandacht, maar ook zonder overduidelijke misstanden zijn er genoeg vragen te stellen.
Sportbonden kunnen zelf bepalen of ze een leeftijdsgrens hanteren en gaan daar heel anders mee om. Schaatsbond ISU verhoogde die onlangs van 15 naar 17 jaar. Voetbalbond Fifa werkt niet met een minimumleeftijd, maar in Nederland ligt die op 15 jaar. Op de Spelen vond de skateboardbond het geen probleem dat de 11-jarige Chinese Zheng Haohao meedeed.
Schipper-van Veldhoven kijkt daar door haar pedagogische bril met verbazing naar. Bij kinderen zou volgens haar ontwikkeling centraal moeten staan. Langzaam steeds meer stapjes zetten op weg naar een zelfstandig bestaan. Dat kan prima samengaan met presteren. ‘Maar als hun leven om prestaties gaat draaien, komt het onder druk te staan.’
Juist de stralende Yamal is daarvan een goed voorbeeld. Hij kwam op zijn 7de al terecht op La Masia, de academie van Barcelona-talenten. Daar hielden begeleiders met psychosociale opleidingen zijn ontwikkeling in de gaten. Zij moesten ervoor zorgen dat het niet alleen op het veld goed zou gaan, maar ook ernaast.
Yamal doet nog steeds zijn best, tot op het EK probeerde hij braaf zijn huiswerk bij te houden. Maar ondertussen groeide hij in zijn tweede seizoen uit tot basisspeler van Barcelona en Spanje, op het EK speelde hij zijn vijftigste wedstrijd van het seizoen. Met een glimlach, zeker, zonder druk te voelen, vast, maar wie durft hier te zeggen dat zijn persoonlijke ontwikkeling nog leidend is?
De jonge Spanjaard heeft al menig leeftijdsrecord gebroken, maar is zeker niet de enige jonge voetballer die zwaar wordt belast. Spelersvakbond Fifpro bracht vorig jaar een rapport uit waarin jonge spelers werden vergeleken met vroegere iconen. Real Madrid-ster Jude Bellingham speelde voor zijn 20ste 14.445 minuten in officiële wedstrijden, geen enkel Engels talent uit het verleden kwam daar bij in de buurt. Wayne Rooney kwam er met 10.989 nog het dichtst bij.
Yamals teamgenoot Pedri werd in datzelfde rapport vergeleken met Xavi. Allebei debuteerden ze jong bij Barcelona, maar Pedri had op zijn 20ste al vier keer zoveel gespeeld. Hoogte- of dieptepunt was het jaar 2021, waarin hij als 19-jarige 78 wedstrijden speelde. Daarna kwam hij nauwelijks nog aan spelen toe omdat hij de ene na de andere blessure opliep. Ook Gavi en Ansu Fati, twee andere talenten van Barcelona, werden na een bliksemstart door blessures teruggeworpen.
Komt dat doordat ze te veel hebben gespeeld op jonge leeftijd? Een eenduidig antwoord op die vraag is er niet. Blessures kunnen meerdere oorzaken hebben, aanleg, oververmoeidheid, botte pech, het kan allemaal een rol spelen. Tegenover de Barcelona-spelers staan anderen die nergens last van hebben. Bellingham liep op het EK weliswaar op zijn laatste benen, maar die waren nog wel heel.
Toch is het wel zeker dat topsport op jonge leeftijd risico’s met zich meebrengt. De internationale schaatsbond ISU inventariseerde de wetenschappelijke onderzoeken en kwam tot een duidelijke conclusie over jongeren die meedoen aan wedstrijden met volwassenen. Die worden blootgesteld ‘aan belasting en risico’s die ongepast worden geacht voor hun leeftijd’.
De bond besloot in 2022 na jaren discussie de minimumleeftijd voor deelname aan seniorenwedstrijden stapsgewijs te verhogen van 15 naar 17 jaar. Het schandaal met kunstrijdster Valieva gaf het zetje, maar de bond besloot ook de andere disciplines, zoals shorttrack en lange baanschaatsen, mee te nemen.
Voor de medische commissie was het niet moeilijk om met argumenten te komen, want die somt een waslijst aan risico’s en gevaren op. Dat intensief trainen invloed heeft op het lichaam blijkt al uit het feit dat topsporters gemiddeld twee jaar later aan hun puberteit beginnen. Zeker in sporten als kunstrijden en gymnastiek is dat een probleem, omdat daar intensief trainen en weinig eten geregeld worden gecombineerd.
Bovendien zijn lichamen in de groei extra kwetsbaar. Zo zijn de groeischijven minder hard dan volgroeid bot, en zelfs twee tot vijf keer zachter dan de toch al kwetsbare banden en pezen. Voorzichtigheid is dan geboden, maar als kinderen moeten deelnemen aan belangrijke wedstrijden komt dat onder druk te staan. ‘En daardoor loopt de sporter meer kans op blessures’, concludeert de ISU.
‘Natuurlijk kunnen jonge sporters ook goed begeleid worden’, zegt Schipper-van Veldhoven. ‘Maar prestatiedrang zet het altijd onder druk. Dat zie je zelfs in de amateursport, daar gebeurt het ook dat kinderen worden uitgescholden door trainers of ouders langs de kant. Ja, bij sport hoort dat een beetje, zeggen ze dan. Nou, daar hebben we ook bakken wetenschappelijk onderzoek van, dat dat drillen, het druk zetten, juist niet leidt tot presteren.’
De hoogleraar herhaalt een aantal keer dat presteren voor haar ‘geen vies woord’ is. Ze vindt het prachtig om gedreven mensen het beste uit zichzelf te zien halen. Of dat nu in de sport is of in de wetenschap of waar dan ook, maar talentvolle sporters krijgen er meteen een volwassen leven bij, waarvan de vraag is of ze er wel klaar voor zijn.
Dat ‘wonderkinderen’ zelf vaak zeggen dat ze geen druk ervaren, zegt niet alles. Zelden is er eentje bij die zegt dat hij geen oog heeft dichtgedaan of geen hap door de keel heeft gekregen. Alsof ze het handboek voor wonderkinderen erbij hebben gepakt, antwoorden ze allemaal in dezelfde trant. Het zijn echt wonderen, deze kinderen.
Misschien is het waar, maar het is ook vaak wat hun omgeving van ze verwacht en bevestigt. In profielen van jonge talenten is een vast onderdeel dat ouders, trainers, begeleiders, zaakwaarnemers zeggen dat ze zo heerlijk nuchter zijn en met beide beentjes op de grond zijn gebleven. Iedereen wil er graag in geloven, zeker in sporten waar er miljoenen lonken.
Jaren later blijkt dan vaak dat het toch allemaal niet zo soepeltjes ging. ‘Ik werd een volwassen wereld in geduwd’, zei de Australische zwemmer Ian Thorpe, die op zijn 15de al wereldkampioen was en veel later ontdekte dat hij ‘een normale jeugd’ had gemist. ‘Misschien zag ik er op camera heel volwassen uit, maar in andere delen van mijn leven was ik helemaal niet zo rijp.’
Net als die andere topzwemmer Michael Phelps kreeg hij zware mentale problemen. Dat kwam niet alleen door topsport, maar ook de Amerikaan wees na zijn carrière op de nadelen. ‘Het is moeilijk als je op zo’n jonge leeftijd fasen in je ontwikkeling mist’, zei hij in een interview. ‘Ik was 15 en moest me staande houden in een wereld waar ik het op moest nemen tegen mannen van 30 jaar. Er werd van me verwacht dat ik volwassen was en niet een kind van 15 jaar.’
Niemand weet nog of Yamal ooit zo’n interview zal geven. Het hoeft niet mis te gaan, maar is dat de juiste benadering? De vraag is volgens Schipper-van Veldhoven wat het belangrijkst is. ‘Als je het sportsysteem vooropstelt, wil je natuurlijk die medailles winnen. Dan maakt het eigenlijk niet uit hoe jong sporters zijn.’
Als opvoeding en ontwikkeling vooropstaan, komen er vanzelf andere antwoorden uit. Schipper-van Veldhoven gunt kinderen hun eigen ontwikkeling, hun eigen wereld. Ze kunnen zich nog steeds meten met de besten, maar wel van hun eigen leeftijd. ‘Ik denk dat zo’n jongen als Yamal ook heel veel plezier heeft als hij het jeugd-EK speelt’, zegt ze.
En het zou helpen als iedereen om hem heen het sprookje wat relativeert. ‘We hebben er met zijn allen van gemaakt dat het volwassen-EK en de volwassen-Spelen de top zijn’, legt ze uit. ‘Dan vinden kinderen dat ook het hoogst haalbare. Maar we kunnen ook besluiten dat het niet top is om ze daar toe te laten.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant