Home

Julie Andrews blijft altijd een dame, maar ik kan best een tikkeltje rancuneus zijn

Het was me een waar genoegen, maar aan elk genoegen komt een eind en dus schrijf ik vandaag mijn laatste column. Dat komt goed uit, want ik mag graag het laatste woord hebben – noem mij een zoetere wraak.

Als er iemand is die de kunst van het laatste woord verstaat, dan is het Julie Andrews. Voordat ze doorbrak als grande dame van de musicalfilm, speelde zij als allereerste de rol van Eliza Doolittle in de musical My Fair Lady. Die rol maakte haar in één klap tot de publiekslieveling van Broadway, ze zou de rol maar liefst drie jaar spelen.

Toen haar ter ore kwam dat er een film gemaakt zou worden van My Fair Lady, hoopte ze dan ook te mogen auditeren. Maar Jack Warner, de producent, wilde haar niet eens uitnodigen; ze mocht dan een Broadwayster zijn, ze had geen filmrollen op haar naam staan en was dus niet beroemd genoeg. Audrey Hepburn was zijn uitverkorene.

Die afwijzing was voor Julie Andrews een bittere pil. En geef haar eens ongelijk. Hoe verknocht ik ook ben aan Hepburns vertolking in My Fair Lady, ze was niet half de zangeres die Julie Andrews was. Hepburn kreeg voor de filmopnamen wel zanglessen aangeboden, maar dat mocht niet baten. Haar zanglijnen werden uiteindelijk ingezongen door een andere zangeres: Marni Nixon. Om het af te toppen werd Rex Harrison, die samen met Julie Andrews in My Fair Lady op Broadway had gespeeld, wél gecast voor de verfilming.

Gelukkig werd Andrews vlak daarna door Walt Disney (in hoogsteigen persoon!) gevraagd voor de titelrol in Mary Poppins. Dat bleek een schot in de roos. Het leverde haar zowel een Oscar als een Golden Globe op. Bij de uitreiking van de Golden Globes eigende ze zich op iconische wijze het laatste woord toe. Tijdens haar dankwoord zette ze de man die haar had afgewezen fijntjes in het zonnetje. ‘Finally, my thanks for a man who made a wonderful movie and who made all this possible in the first place: mister Jack Warner.’ Ze serveert geen rancune (ze is en blijft een Dame) maar wel een spoonful of sass!

Ik daarentegen kan best een tikkeltje rancuneus zijn. Het familielid dat zich tijdens Kerstmis hardop afvroeg waarom ik ‘zo graag wilde zingen, want echt goed zou ik toch niet meer worden’, de regisseur die mij, toen ik net afgestudeerd was als actrice, zei dat hij theater zag als ‘mijn hobby’tje’ en de man die zei dat ik moest afvallen als ik succes wilde hebben in het theater – ik moest en zou ze het tegendeel bewijzen.

Ooit stuurde een 81-jarige man mij na het zien van mijn voorstelling een e-mail. Hij schreef dat ik een pleister op mijn mond moest plakken, nooit meer iets moest zeggen en alleen nog maar piano moest spelen, ‘want dat kon ik wel’. Ik dacht misschien dat ik kon schrijven, maar daarvoor was ik echt te gewoontjes, grof en smakeloos.

Een half jaar later zag ik mijn kans schoon: ik stuurde hem een e-mail terug, met in de bijlage louter lovende recensies over eerdergenoemde voorstelling. Bewijsdrangerig, ik weet het, maar ik kon het niet laten. In het kader daarvan sluit ik graag af met de woorden waarmee ik ook mijn eerste column afsloot. Lekker puh.

Source: Volkskrant columns

Previous

Next