In de wereld van politiek-strategische communicatie is weinig toevallig, dus was het eerste interview van deze krant met de nieuwe minister van Justitie en Veiligheid David van Weel tamelijk opmerkelijk. Het is opmerkelijk dat de VVD zich als eerste van dit kabinet zo mag profileren met deze minister op deze thema’s. Nu is de profileringsdrang van de VVD niet verwonderlijk, de partij kent interne onrust en er is noodzaak aan wat bestuurlijke kleur op de wangen.
Van Weel heeft daarvoor een goed profiel, als voormalig topambtenaar, raadsadviseur en assistent-secretaris-generaal van de Navo. En nu door de VVD geposteerd op een van haar belangrijkste bewindsposities, en zodoende the man to look out for. Daarom verdient juist dat interview extra aandacht.
De minister sprak onder meer over het begrenzen van het demonstratierecht. Partijpolitiek gezien een begrijpelijk punt, want een stokpaardje van de VVD en in lijn met eerdere uitspraken van Klaas Dijkhoff, Mark Rutte en Dilan Yesilgöz waarmee de law and order partij zich kan profileren. Dat stokpaardje is dus niet nieuw, maar de politieke constellatie waarin dit nu prominent naar voren komt wel. En die is zorgelijk.
Deze VVD-minister kan zich hierop profileren omdat in het hoofdlijnenakkoord een onderscheid wordt gemaakt tussen ‘vreedzaam demonstreren en ordeverstorende acties’. De minister bekent dat ‘een heel belangrijk punt’ te vinden en voegde daar op NPO Radio 1 aan toe dat ‘onderscheid scherper te willen maken’. Volgens hem moet hij dat doen om ‘gezagstrouwe burgers’ tegemoet te komen.
Allereerst behoort het, als sociale interventie, tot de kern van demonstreren om ordeverstorend te zijn. In het hoofdlijnenakkoord staat dus een oneigenlijke tegenstelling. Want als demonstreren namelijk ordebevestigend zou zijn, is het geen demonstratie. Ter vergelijking, een staking die het productieproces niet verstoort noemen we doorgaans verlof.
Ten tweede is het nieuwe en waarschijnlijk aan Trump ontleende frame van ‘gezagstrouwe burgers’ interessant. Het tegendeel zijn namelijk ‘gezagsontrouwe burgers’ of wellicht ‘gezagsondermijnende burgers’, en voor je het weet ‘criminelen’.
Het past binnen een bredere trend van het verdacht maken van demonstreren. Demonstraties moeten plaatsvinden op ‘juiste en vergunde’ plekken, zoals het Malieveld, moeten vooraf aangemeld zijn en mogen de openbare orde niet verstoren.
Over de auteur
Mark van Ostaijen is bestuurssocioloog aan de Erasmus Universiteit. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Dat lijkt evident, maar om te demonstreren heb je geen vergunning nodig. Demonstreren is namelijk geen gunst, maar een mensenrecht. Het demonstratierecht is een van de belangrijkste burgerrechten van onze democratie. Jaren geleden bezocht een vriend uit Mexico-Stad me in Den Haag. Al wijzend op en fietsend langs het Malieveld keek hij me meewarend aan: ‘Dus jullie laten je vertellen waar je mag demonstreren?’
Burgemeesters, die demonstraties kunnen reguleren, beëindigen of verbieden zien zich door dit soort ministeriele uitspraken gesterkt om binnen dat verdachte vertoog te opereren. En niet alleen burgemeesters. Inmiddels hebben ook universiteitsbestuurders een heuse ‘richtlijn’ opgesteld om demonstraties aan banden te leggen met een aanmeldplicht, weigeren van anonimiteit en invoeren van identificatieplicht.
Dat geldt ook voor mijn eigen universiteitsbestuur. Zo liet het College van Bestuur ‘uit voorzorg’ de volledige Rotterdamse campus ontruimen, werden extra beveiligingscamera’s opgehangen en is nu zelfs met nieuwe pasjes een identificatieplicht ingevoerd. Dat die ‘richtlijn’ een inbreuk vormt op Europese en nationale wetgeving toont waarom het demonstratierecht ‘serieus onder druk staat’. Een petitie van bezorgde collega’s die hiertegen ageren is inmiddels door velen ondertekend.
De uitspraken van de minister staan dus niet op zichzelf. Het pas binnen een brede bestuurlijke houding in Nederland waarbij demonstranten op voorhand verdacht worden gemaakt, want ‘waarom moedwillig de wet overtreden als je ook binnen de wet kunt demonstreren’, aldus Van Weel. Dat criminogene beeld van demonstreren staat haaks op het beeld van actieve burgers die zich engageren met de publieke zaak en de moeite nemen om zich collectief op afgesproken tijd en plaats te verenigen. Zoiets verdient proportionele publieke middelen en waardering.
Zo was het socioloog en PvdA-politicus Bram Peper die in NRC stelde dat het ‘kenmerkende aan democratische wetsvorming is dat er bijna altijd een wetsovertreding aan voorafgaat. De legitimiteit van een democratisch stelsel wordt eerder bedreigd door een gebrek, dan door een teveel aan burgerlijke ongehoorzaamheid’.
Zodoende, laten we niet verdacht maken wat niet verdacht is. Verdacht zijn namelijk niet zozeer burgers die gebruikmaken van een mensenrecht, maar bestuurders die dat recht willen begrenzen. Zodoende is deze minister inderdaad the man to look out for.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant