WhatsApp geeft ons talloze mogelijkheden, maar creëert ook een constante stroom aan berichten en de verwachting dat we meteen reageren. Een gezondere relatie met onze smartphones vereist een nieuwe online etiquette.
Tien jaar terug was ik tweedejaarsstudent. Ik had mijn telefoon een paar uur uitgezet om me te concentreren op een tentamen. Toen ik hem opnieuw opstartte, kreeg ik zo’n verwoestende stroom berichten binnen dat mijn Whatsapp crashte en mijn telefoon het opgaf. Laatst kon ik me, haastig onderweg naar een vriendin, haar huisnummer niet meer herinneren. Ze had het vast een keer geappt, dacht ik, en opende mijn telefoon. Ik zag zoveel ongelezen berichten dat ik in de stress schoot, ze begon te scannen en een paar opende. Twee minuten later stond ik, volledig afgeleid van de huisnummerzoektocht, nog naar mijn scherm te kijken met mijn fiets midden op straat.
Die niet-te-stoppen stroom aan berichten lijkt een bulldozer die besturingssystemen laag voor laag omverwerpt. De afgelopen tien jaar is mijn telefoon niet meer gecrasht. Maar hoe moet ik al die notificaties en gegevens verwerken, als een smartphone het al amper aankon?
Overprikkeld raken door appcontact, betekent niet dat ik er geen plezier uit haal. Het is een van de meest laagdrempelige vormen van contact, met steeds dynamischere mogelijkheden. Spraakmemo’s, stickers, ingebouwde koppelingen naar sociale media, podcasts of nieuwsartikelen: ik gebruik ze allemaal. Het verbindt me met vrienden, familie, online cultuur en de rest van de wereld. Dat je in theorie met vijftig mensen tegelijk een gesprek kan voeren, is een wonder op zichzelf.
Over de auteur
Stella Letschert is beleidsadviseur voor Defensie op het gebied van AI en schrijft over digitalisering en online cultuur.
Dit is een ingezonden bijdrage, die niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de Volkskrant reflecteert. Lees hier meer over ons beleid aangaande opiniestukken.
Eerdere bijdragen in deze discussie vindt u onder aan dit artikel.
Tegelijkertijd weten we allemaal hoe gemakkelijk je opgeslokt kunt raken door sociale media en WhatsApp. Online zijn is steeds minder een bewuste keuze. Journalist Pandora Sykes schrijft treffend dat ze zou kunnen sterven ‘zonder bepaalde online gesprekken ooit te hebben voltooid’.
De gemiddelde WhatsApp-gebruiker opent de app 25 tot 30 keer per dag. Dat dit altijd uit een oprechte behoefte aan contact komt, is moeilijk voor te stellen. Naast de sociale verantwoordelijkheid om contact met vrienden en familie te onderhouden, is Whatsapp ook steeds vaker onderdeel van ons werk. Potentieel altijd online beschikbaar zijn, betekent dus ook dat werken nooit stopt.
Het ontwerp van apps beïnvloedt hoeveel prioriteit we aan interacties geven. Gesprekken met de meest recente activiteit verschijnen bovenaan. Maar dat zijn in de meeste gevallen groepschats, niet per definitie het contact waaraan je de meeste behoefte had – zoals vrienden van wie je al een tijdje niets hoorde of die tante die bijna jarig is. De mogelijkheid om een gesprek met vijftig mensen tegelijk te voeren, legt de nadruk op ‘geen berichten missen’ en niet ‘te laat reageren’; veel minder op spontaan contact.
Dat onze aandacht steeds meer uitgaat naar het (snel) beantwoorden van berichten is zorgelijk. Niet meteen reageren kan ons schuldig laten voelen. Elk moment een nieuwe melding kunnen ontvangen, houdt onze aandacht in het hier en nu. Voor langetermijndenken en reflectie moeten we nadrukkelijker tijd maken.
De impliciete aanname dat we altijd online beschikbaar zijn, is onhoudbaar. De opkomst van offline retreats, digital detox challenges en telefoonvrije zones tonen een groeiend bewustzijn van de impact van offline tijd. Zelfs telefoonaanbieders, met een commercieel belang om onze aandacht zo lang mogelijk op een scherm te houden, spelen hierop in met ‘niet storen’-instellingen, statistieken over schermgebruik en gratis mindfulness-apps.
Offline tijd vereist discipline. Sommigen hebben het nodig om chatapps of smartphones, zoals auteur Zadie Smith bijvoorbeeld, helemaal op te geven. Omgekeerd is om kunnen gaan met een constante online aanwezigheid ook indrukwekkend. In een wervingscampagne van de Britse landmacht werden ‘phone zombies’ geprezen om hun ‘focus’, ‘selfie addicts’ om hun zelfvertrouwen. Generaties die zijn opgegroeid met digitalisering zijn relatief goed in belangrijke vaardigheden als de snelle verwerking van grote hoeveelheden informatie en online profilering.
Mijn eigen relatie tot mijn telefoon voelt als balanceerwerk. Phubbing, ‘fear of missing out’ van online updates, dwingt me tot app-pauzes, die vroeger of later weer resulteren in een mini-telefoonverslaving. Na een ongelukkige val ben ik wel gestopt met lopen terwijl ik app. Ook zeg ik geen sorry meer voor late reacties. Ik heb e-mail herontdekt als langzamere online communicatie, bel vaker en ben trots op een inmiddels zevenjarige pencorrespondentie met een vriend in het buitenland.
Los van ‘goed’ of ‘slecht’ zijn in appen, vereist een gezonde balans voor iedereen een andere intensiteit van gebruik. Erkenning voor hoe moeilijk het is om die balans te vinden, zou helpen. WhatsApp minder centraal stellen in sociale interactie, en kleine en praktische gedragsregels ook. Wat is bijvoorbeeld een normale reactietijd? Kun je een reactie ‘verschuldigd’ zijn? Is het gepast om minder offline contact te hebben met je partner en familie, dan online met vrienden en collega’s?
Deze digitale etiquette lijken we nog niet te hebben uitgevonden. Maar om grip te krijgen op appcontact, hebben we haar hard nodig.
Wilt u reageren? Stuur dan een opiniebijdrage (max 700 woorden) naar opinie@volkskrant.nl of een brief (maximaal 200 woorden) naar brieven@volkskrant.nl
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant