Home

Raad van State gelooft niet in mestplan van oud-minister Adema

De Raad van State (RvS) velt een kritisch oordeel over de nieuwe Meststoffenwet van voormalig landbouwminister Piet Adema. De wet moet ervoor zorgen dat de Nederlandse mestproductie volgend jaar fors daalt, maar het adviescollege ziet dat niet gebeuren.

Adema kwam in april met voorstellen om de mestproductie van de Nederlandse veehouderij snel omlaag te brengen. Het kabinet moest actie ondernemen, omdat de Europese Commissie het Nederlandse mestplafond met ingang van 2025 heeft verlaagd vanwege de slechte kwaliteit van het Nederlandse oppervlaktewater. Dat is sterk vervuild met meststoffen uit (hoofdzakelijk) de landbouwsector. Omdat Nederlandse boeren veel drijfmest en kunstmest over hun land verspreiden, raken sloten en andere watergangen vervuild met nitraten (stikstof) en fosfaten.

De verlaging van het mestplafond betekent dat Nederlandse veehouders volgend jaar 9 procent minder fosfaat en 6 procent minder stikstof mogen produceren. Adema wil die reductie afdwingen door de productierechten van melkvee-, pluimvee- en varkenshouders vanaf 2025 met 30 procent af te romen zodra zij die rechten verkopen. Een productierecht is het recht om een bepaald aantal landbouwdieren te mogen houden. De rechten zijn door de overheid ooit gratis aan boeren verstrekt. Ze zijn nu veel geld waard, omdat boeren die hun veestapel willen uitbreiden altijd eerst de benodigde extra productierechten van een stoppende boer moeten kopen.

Over de auteur
Yvonne Hofs is politiek verslaggever van de Volkskrant en schrijft over financiën, economische zaken en landbouw, natuur en visserij.

Volg alles over de kabinetsformatie hier.

Verplichte afroming

Het met 30 procent afromen van de productierechten staat in het wetsvoorstel dat de Raad van State nu kritisch heeft beoordeeld. Het adviescollege dat de kwaliteit van alle wetgeving beoordeelt voordat het kabinet die aan het parlement voorlegt, meent dat de afromingsmaatregel ‘ontoereikend’ is om aan de Brusselse eisen te kunnen voldoen. Het is volgens de RvS ‘onvoldoende zeker’ dat er volgend jaar voldoende verkooptransacties van dierrechten zullen plaatsvinden om tot de vereiste reductiepercentages te komen. Ook omdat de verplichte afroming niet geldt bij de verkoop van dierrechten binnen de familie, bijvoorbeeld als kinderen de boerderij van hun ouders overnemen.

Adema onderkende bij de bekendmaking van zijn voorstel trouwens al dat de maatregel an sich waarschijnlijk te weinig zal opleveren. Hij hoopte dat de mestproductie ver genoeg zou dalen door andere maatregelen, zoals het toedienen van eiwitarm veevoer aan melkkoeien. Minder eiwit in het voer vermindert het stikstofgehalte in de mest. Maar de Raad van State is ook daar kritisch over, omdat het kabinet nergens hard maakt hoeveel die voermaatregel dan gaat opleveren.

Hoge verwachtingen

De oud-minister koesterde ook hoge verwachtingen van de landelijke beëindigingsregelingen voor veehouderijen die dicht bij natuurgebieden zitten. Adema’s collega-minister Christianne van der Wal stelde die regelingen in juli 2023 open. Tot nu toe hebben 376 veehouders een stoppersovereenkomst getekend. Ze moeten hun bedrijf daarna binnen twaalf maanden beëindigen.

Maar onder die stoppers zijn slechts 75 melkveehouders, terwijl die sector het meeste bijdraagt aan het mestoverschot. Varkens- en pluimveehouders laten vrijwel al hun mest afvoeren, terwijl de meeste mest van melkkoeien op boerenland wordt uitgereden – waarna de nitraten en fosfaten uitspoelen naar het oppervlaktewater en dat verontreinigen.

Adema wilde in 2025 ook nog een generieke stoppersregeling voor álle veehouders openstellen, om de veestapel maar zo veel mogelijk op vrijwillige basis te laten krimpen. In die regeling worden dan geen eisen meer gesteld aan de belasting van de boerderij voor nabijgelegen natuur: elke veehouder die wil stoppen zou zich hiervoor moeten kunnen inschrijven.

Aanvullende maatregelen

Het probleem is echter dat er geen geld meer is voor zo’n regeling, omdat de nieuwe coalitie het Landbouwtransitiefonds van 24,3 miljard euro heeft geschrapt. Maar zelfs als die ‘brede’ stoppersregeling er toch komt, zal hij niet bijdragen aan het behalen van het door Brussel opgelegde mestplafond in 2025. De doorlooptijd van zo’n beëindigingsregeling, het traject vanaf de openstelling tot het opdoeken van een veehouderij, is minstens twee jaar. Een regeling die het kabinet in 2025 openstelt, zal dus pas in 2027 de mestproductie verlagen.

De Raad van State vraagt het kabinet daarom ‘aanvullende maatregelen’ te nemen ‘om te verzekeren dat de noodzakelijke vermindering van stikstof- en fosfaatuitstoot in 2025 wordt behaald’. Het adviescollege raadt het kabinet af het wetsvoorstel in deze vorm bij de Tweede Kamer in te dienen. Dat is een advies, dus het kabinet kan het oordeel van de Raad van State negeren.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next