Home

Is Nederland vol met 18 miljoen inwoners? In 1950 was het aantal van 10 miljoen inwoners ‘alarmerend’

Sinds vorige week telt Nederland 18 miljoen inwoners. Is het land daarmee vol? In de jaren vijftig van de vorige eeuw werd al verontrust gereageerd op de bevolkingscijfers: 10 miljoen inwoners – dat kon niet anders opleveren dan armoede.

Iedereen in Nederland was het er in 1950 wel zo’n beetje over eens: bevolkingsgroei was de opmaat tot armoede. Een klein land kon tenslotte slechts een beperkt aantal mensen huisvesten, voeden en van werk voorzien. Dat het inwonertal de eerste naoorlogse jaren in Nederland sterker steeg dan in de omringende landen, was een bron van zorg.

Zelfs de rooms-katholieke Volkskrant, spreekbuis van bisschoppen die kinderrijkdom als zegen aanprezen, onttrok zich niet aan die consensus. ‘Wij hebben onze tienmiljoenste inwoner’, schreef een ‘speciale verslaggever’ op 15 juni 1950. ‘En eigenlijk is hij niet welkom.’ In andere kranten werden aan ‘bevolkingsgroei’ adjectieven als ‘verontrustend’ of ‘alarmerend’ toegevoegd.

De inschrijving van de achttienmiljoenste inwoner – vorige week donderdag ergens in Nederland – gaf hooguit aanleiding tot de vermaning om de bevolkingsgroei enigszins beheersbaar te houden. De paniek die bij de aanvang van de naoorlogse geboortegolf om zich heen greep ontbrak. Waarom werd Nederland in 1950 met 10 miljoen inwoners ‘voller’ geacht dan met 18 miljoen inwoners in 2024?

Landwinning en industrialisatie

Destijds zou de demografische werkelijkheid van 2024 ver buiten de sfeer van het bevattelijke hebben gelegen. Niemand voorzag dat de aanhoudende bevolkingsgroei de welvaart niet zou temperen, maar juist aanjagen.

‘We moeten er rekening mee houden dat ongeveer 100 duizend Nederlanders per jaar ons land als landverhuizers zullen moeten verlaten’, hield Johannes van den Broek – minister van Financiën in het oorlogskabinet-Gerbrandy – zijn landgenoten al in november 1945 voor. Ofwel: het te verwachten geboorteoverschot moest door emigratie worden weggewerkt. Landwinning en verdere industrialisering zouden weliswaar enige werkgelegenheid scheppen, maar daarmee zou nooit het hoofd geboden kunnen worden aan de snelle bevolkingsgroei.

Emigratie was dus het toverwoord, slechts een jaar of tien voordat aan de randen van Europa de eerste gastarbeiders werden gerekruteerd, en zo’n vijftig jaar voordat Nederland tot het besef kwam dat het zich tot een immigratieland had ontwikkeld – of het dat nu leuk vond of niet. In de Troonrede van 1950 stelde koningin Juliana ‘een krachtige bevordering der emigratie’ in het vooruitzicht.

Chronisch blijmoedig

Met ‘chronisch blijmoedige’ propagandafilms (aldus historicus Mirjam Prenger), allerhande cursussen en een ruimhartige tegemoetkoming in de reiskosten werden ‘misbare’ Nederlanders verleid tot de aanschaf van een enkeltje naar de andere kant van de wereld. Tussen 1947 en 1963 emigreerden metterdaad 410 duizend van hen – overwegend naar Canada, Australië en de Verenigde Staten.

Helemaal onomstreden was dit migratiebeleid niet. Raakte Nederland niet zijn tafelzilver kwijt als ‘de besten van ons volk’ elders blijk zouden geven van hun voorbeeldige aanpassingsvermogen, vroeg een lezer van NRC – een gediplomeerd ingenieur – zich af. Zij zouden voor Nederland behouden kunnen blijven als zij werden ‘uitgezonden’ naar de resterende overzeese gebiedsdelen, zoals Suriname en Nieuw-Guinea.

De bevolkingsgroei boezemde de Nederlanders minder angst in naarmate het hun meer naar den vleze ging. Pas in 1977 werd het thema weer geagendeerd door de staatscommissie Bevolking en Welzijn in Nederland, voorgezeten door de emeritus hoogleraar sociale geneeskunde Piet Muntendam. Die meende dat Nederland met 14,3 miljoen inwoners de grens van het behapbare wel zou hebben bereikt.

Open zenuw

In dat verband stelde hij ook het thema immigratie aan de orde: ze zou op de demografische ontwikkeling ‘geen noemenswaardige invloed’ mogen uitoefenen – ook ter voorkoming van het ontstaan van ‘herkenbare minderheden’. Daarmee raakte hij onbedoeld een open zenuw in een land dat de vensters naar de buitenwereld juist wagenwijd had opengezet.

Het rapport van Muntendam c.s. werd dan ook opgeborgen in een diepe la, en kwam daar pas weer uit toen een staatscommissie onder leiding van staatsraad Richard van Zwol zich vorig jaar over de vraag boog die in een land met 18 miljoen inwoners urgenter is dan ooit: waar ligt de grens van de bevolkingsomvang? Bij 20 miljoen, wat de commissie betreft. Maar dan zou de regering wel bereid moeten zijn het mes in de arbeidsmigratie te zetten. En daar ziet het vooralsnog niet naar uit.

In de rubriek ‘Toen’ duiken historici van de Volkskrant in de geschiedenis achter de actualiteit.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next