Bertus Bakker is 100 jaar. Hoe kijkt deze mollenvanger in hart en nieren terug op de eeuw die achter hem ligt?
Bertus Bakker bracht een groot deel van zijn leven door onder de blote hemel; als palingvisser, mollenvanger en uitvoerder in de bouw. Nu, op zijn 100ste, is zijn actieradius beperkt en komt hij nog zelden buiten. In het levensverhaal van de in Nedersaksisch dialect sprekende Genemuider komen opvallend veel getallen en jaartallen voorbij.
Waar vermaakt u zich nog mee?
‘Alleen praten kan ik nog goed. Ik zit of in de gemeenschappelijke ruimte om te kletsen, óf hier in mijn rolstoel voor het raam van mijn kamer, de radio binnen handbereik. Van lezen hou ik niet, ik heb nog nooit een boek gelezen. Alleen met mijn rechteroog kan ik nog zien. Kijk, er loopt een vogel over het gras, wat voor een zie ik niet.’
Een merel, een vrouwtje
‘Dat bedoel ik, ik zie dat het een vogel is, maar niet welke.
Lijkt u op uw vader of op uw moeder?
‘Mijn moeder, zij was rustig. Mijn vader was fanatiek – in het opkomen voor de mensen. Als een arbeider klachten had over zijn baas, dan vroeg hij: ‘Ben je lid van de bond? Eerst lid worden, dan help ik je.’ Hij was actief bij de christelijke vakbond, de CNV. Elke maand ging hij naar Utrecht voor een vergadering van de Bondsraad, waar hij lid van was.
‘In de jaren dertig was er grote werkloosheid, veel mannen zaten in de werkverschaffing: kanalen graven, sloten baggeren. Werklozen gingen naar het café – een borrel kostte 5 cent – want daar zaten de bazen. Al pratend hoopten ze op werk.
‘Mijn vader pakte alles aan en heeft altijd hard gewerkt. Ik ook, na de oorlog werkte ik mee aan de Zuiderzeewerken en het herstel van de dijken in Zeeland na de watersnoodramp. Werken is gezond zolang je het beuren kunt. In de bouw versjouwde ik een betonnen band van beton, voor langs de straten, van 45 kilo op mijn schouder. Tot aan mijn pensioen heb ik 25 jaar voor dezelfde baas gewerkt, als uitvoerder bij bouwwerkzaamheden zoals de aanleg van riolering, straten en kanalen – een duvelstoejager noemde ik mezelf.’
Moest u al jong aan de slag?
‘Op mijn 14de, na acht jaar lagere school. Ik was goed in cijfers, maar niet in de rest.’ (In rap tempo:) ‘55 x 55 = 3.025, 65 x 65 = 4.225, 95 x 95 = 9.025. Daar heb ik een ezelsbruggetje voor.
‘Mijn eerste baan was mattenkloppers maken, voor 2,50 gulden in de week. Ik maakte de steel, met een windsel bond ik de rotan stengels vast. Na een jaar werken vraag je opslag, had ik van mijn vader meegekregen. Dat kan niet, zei de baas. Daarop ben ik naar de tapijtfabriek aan de overkant gegaan. Ik kon er meteen aan de slag, garens verven voor 6,50 gulden per week. Er stond een weefraam waarmee 60 meter tapijt op een dag werd geweven. Nu maken ze met machines een kilometer.’
Hoe was het om op te groeien in een groot gezin?
‘Ik had negen broers en twee zussen. De oudste was van 1914, de jongste van 1934. Mijn vader was streng, als je iets verkeerd deed, kreeg je een tik. Ik kon een kwajongen zijn. Op zondag, als de boeren naar de kerk waren, ging ik weleens een appel stelen. Die at ik meteen op, zoveel kreeg ik niet thuis. Als kind wil je spelen, maar daar kwam het niet van. Mijn vader zorgde er altijd voor dat je wat te doen had, uit school moest ik meteen aan het werk.’
Hoe waren de levensomstandigheden?
‘Er was geen overvloed. Als ik boodschappen moest doen, zei de kruidenier: ‘Zeg maar tegen je moeder dat er nog achterstallige betalingen op de lijst staan’. Bij de slager moest ik een stuk koe zonder botten vragen, dat woog minder en was dus goedkoper. ‘Zeg maar tegen je moeder dat er geen koeien zonder botten bestaan’, antwoordde de slager. In ons kleine huis sliepen we als kinderen op één kamer. Ik was 8 jaar toen we in een normaal huis van 69 vierkante meter gingen wonen.’
Aan welke periode in uw leven denkt u het vaakst terug?
‘Aan de oorlogsjaren. In 1942 werden honderd mannen uit Genemuiden tewerkgesteld in Keulen, daar zat ik bij. We sliepen in een schoolgebouw op stro. De wc’s stonken enorm. We moesten burgers helpen die waren getroffen door bombardementen: tussen het puin naar hun eigendommen zoeken, woningen repareren of helpen met verhuizen. Als sabotage lieten we een keer een orgel of piano van een verdieping vallen. Ik was nog maar 18 jaar, later besefte ik dat die mensen er ook niks aan konden doen dat hun wijk was gebombardeerd.
‘In 1943 ging ik met een kameraad mee naar een bioscoop. Er werden films van de Wehrmacht vertoond, over veroveringen van het Duitse leger aan het front. Ik viel er bij in slaap, en ben nooit meer gegaan.
‘Bij een medische controle voordat ik met verlof naar huis mocht, constateerde een Duitse arts verschijnselen van tuberculose. Op een groene kaart schreef hij dat ik tbc had. Na mijn verlof ben ik niet teruggekeerd naar Duitsland. Bij elke controle schrokken de Duitsers als ik begon te kuchen en die kaart liet zien. Ik deed alsof en voelde mij helemaal niet ziek. Thuis ben ik schapenwol gaan spinnen, elke dag een klos. Mijn vader ging ermee naar een boer en ruilde die voor melk en eieren.’
Wat heeft de meeste indruk op u gemaakt?
‘Met mijn vader en broer Koen, geboren in 1919, was ik in 1941 vlak bij Zwolle mollen aan het vangen. Een NSB-boer op wiens land Koen stond, riep: ‘Ik wil oe niet hebben!’ Met een riek kwam hij op mijn broer af, die naar een ongeladen revolver greep die hij bij baggerwerkzaamheden in Amsterdam had gevonden. Toevallig kwam er net op dat moment politie te peerd langs, die arresteerde mijn broer. Koen werd opgesloten in het Oranjehotel in Scheveningen, overgebracht naar Kamp Vught en daarna volgden nog acht concentratiekampen in Duitsland. Uiteindelijk is hij in april 1945 door de Amerikanen bevrijd uit het concentratiekamp in Dachau.
‘Een paar weken na de Bevrijding zag ik Koen terug in mijn stamcafé, café Oordijk in Zwolle. Met een andere broer was ik die dag dikke biezen blokmatten aan het venten. We liepen het café binnen en zagen Koen zitten, hij woog nog maar 66 pond en droeg een SS-uniform waarvan hij alle rommel, zoals emblemen, had afgetrokken. Na de bevrijding uit Dachau had hij een kapotte auto gevonden die hij in elkaar had gezet om ermee naar huis te rijden. Bij de grens werd de auto van hem afgepakt en is hij lopend verder gegaan. Het was een enorme verrassing Koen in dat café te zien zitten. We hebben hem achterop de fiets mee naar huis genomen.’
Heeft Koen verteld wat hij in de kampen had moeten doorstaan?
‘Hij vertelde nergens over. Koen is 22 jaar later, in 1967, omgekomen bij een ongeluk op een dijk bij Amsterdam. Met zijn auto kwam hij in het water terecht.’
Hier aan de muur hangen zwart-witfoto’s van twee knappe jonge mannen.
‘Die bovenste ben ik, daaronder hangt mijn broer Hein. Hij was van 1914, dus de oudste. Hein kon niet meekomen op school – hij was de leepste niet – en daarom zette de juffrouw hem op de achterste bank in de klas. Zodra mijn vader daar lucht van kreeg, deed hij hem op een andere school, een openbare. We zijn allemaal naar de openbare gegaan.
‘Met Hein ben ik altijd in ons ouderlijk huis blijven wonen, ook na de dood van onze ouders in 1978 en 1981. Bij een nicht konden we elke dag gekookte groente en een stukje gebakken vlees halen, ik zorgde voor de aardappelen. Hein is 93 geworden.’
Is er iets wat u achteraf toch anders had willen doen?
‘Omdat op de groene kaart uit de oorlog stond dat ik tbc had, durfde ik het niet met vrouwen aan te leggen, ook al kwam ik er zat tegen. Die tbc bleef in mijn hoofd zitten. Achteraf had het best gekund. Maar ik had er niet zo’n belangstelling voor: door de week was ik weg voor mijn werk en in mijn vrije tijd was ik in de natuur. Ik kan hier wel een uur over gaan praten, maar daar schiet ik niks mee op.’
Waar heeft u het meeste plezier aan beleefd?
‘Aan peuren. Dat deed ik ’s nachts, bij het Vogeleiland. De dikke palingen die ik ving, nam ik mee om op te eten, de kleintjes gooide ik terug. Ik ben altijd het liefst in de buitenlucht geweest: peuren, eieren zoeken, mollen vangen. Mollen vangen zat er van jongs af aan al in en ben ik tot mijn 94ste blijven doen. Ik moest mijn rijbewijs verlengen en dacht: nu stop ik ermee. In mijn jeugd trok ik er met vier broers op uit. Ik heb weleens 104 mollen op een dag gevangen. Aan de grond voelde je ze bewegen, de hond die we bij ons hadden kon een mol sneller pakken dan wij. We spiesten ze en hingen ze te drogen achter de kolenkachel. De velletjes verkochten we, daar werden jassen van gemaakt. In de winter, als hun vacht dik is, kreeg je 14 cent per stuk.
‘Ik ben altijd een natuurmens geweest. In het plantsoen hiervoor staat een kastanjeboom, staat hij nou links of rechts?’
Rechts
‘Dat bedoel ik nou, ik zie niet alles meer.’
geboren: 6 juli 1924 in Genemuiden
woont: in een verpleeghuis in Genemuiden
beroep: uitvoerder in de bouw
familie: nog één broer (89), neven en nichten
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant