Als acteur behoorde Alain Delon tot de besten. Zijn leven buiten het scherm stond bol van de criminele contacten, gebroken harten en provocaties. Dit weekeinde overleed de man die bekendstond om zijn bijna onnatuurlijke charisma.
Een minutenlange staande ovatie kreeg Alain Delon toen hij in mei 2019 de Palm d’or d’Honneur ontving op het filmfestival van Cannes. Vanzelfsprekend was dat applaus niet. De Franse acteerlegende, die dit weekeinde op 88-jarige leeftijd overleed in zijn huis in Zwitserland, werd vaak verguisd. De ere-Palm kwam het festival van Cannes op stevige kritiek te staan: vanwege Delons politieke overtuigingen, vrouwonvriendelijke uitspraken en oude beschuldigingen van huiselijk geweld zou hij de bekroning niet verdienen.
‘Het is een oeuvreprijs, geen Nobelprijs voor de vrede’, reageerde festivaldirecteur Thierry Frémaux droogjes. ‘Alain Delon heeft het recht om te denken wat hij denkt.’
Over de auteur
Pauline Kleijer schrijft voor de Volkskrant over film.
De ophef was tekenend voor Delon, wiens fabelachtige carrière altijd gepaard ging met relletjes. Hij was geliefd als acteur, maar zijn privéleven was schimmig. De Franse roddelbladen raakten er van begin af aan niet over uitgepraat.
Delon afficheerde zich in de jaren tachtig met rechts-nationalistische politici als Jean-Marie Le Pen. Hij werd als arrogant beschouwd, omdat hij over zichzelf sprak in de derde persoon. Hij had criminele vrienden en zou daarmee duistere zakendeals hebben gesloten. En dan waren er nog die terugkerende geruchten over het geweld tegen vrouwen, onder wie Rosalie van Breemen, zijn Nederlandse ex-echtgenote.
Eén ding bleef boven elke discussie verheven: Delon was een geweldig acteur. In zijn hoogtijdagen wilde iedereen hem hebben. Befaamde regisseurs als Luchino Visconti, Michelangelo Antonioni, René Clément en Jean-Pierre Melville stonden voor hem in de rij. Delons filmografie is dan ook een aaneenschakeling van onbetwiste klassiekers, van Plein soleil en Il gattopardo tot Le cercle rouge. Een natuurtalent was hij, met een bijna onnatuurlijk charisma.
Toch lag het niet voor de hand dat hij acteur zou worden. Delon kende een lastige jeugd. Zijn gescheiden ouders wisten niet wat ze met hem aan moesten en stuurden hem achtereenvolgens naar een pleeggezin en een internaat. Hij werd vaak van school getrapt en begon op zijn 14de te werken, onder meer in de slagerszaak van zijn stiefvader. Op zijn 17de besloot hij het leger in te gaan, waar hij twee jaar diende tijdens de oorlog in Indochina.
Terug in Frankrijk wilde Delon nog steeds niet deugen. Hij begaf zich in criminele kringen en rekruteerde zijn beste vrienden en vertrouwelingen uit de onderwereld. Het bracht hem later in flinke problemen.
De filmwereld kwam pas in zicht toen hij een relatie kreeg met de actrice Brigitte Auber. Zij nam hem mee naar het filmfestival in Cannes en wilde acteerlessen voor hem betalen. ‘Met zo’n kaaklijn en zulke blauwe ogen is dat toch niet nodig,’ oordeelde de docent zodra Delon zijn opwachting maakte. Dat bleek te kloppen: ook zonder acteeropleiding kon Delon aan de slag.
‘Mooi als een god’, noemt de regisseur Pierre Gaspard-Huit hem in de documentaire Alain Delon, la solitude d’un fauve (‘De eenzaamheid van een wild dier’) uit 2019. Gaspard-Huit gaf de beginnende filmster zijn eerste hoofdrol, naast Romy Schneider in de romantische film Christine (1958).
Met Schneider kreeg Delon een relatie die vijf jaar zou duren. Het verloofde stel was ongekend populair en lag voortdurend onder een vergrootglas bij de roddelpers. Ze werkten in 1969 nog een keer samen in Jacques Derays fraaie zwembadthriller La piscine.
Binnen een paar jaar tijd bewees Delon zijn veelzijdigheid. Hij speelde de goedhartige Rocco in Rocco e i suoi fratelli (Luchino Visconti, 1960), de kille moordenaar Ripley in Plein soleil (René Clément, 1960), de adellijke Tancredi in Il gattopardo (Visconti, 1963) en een materialistische beurshandelaar in L’eclisse (Michelangelo Antonioni, 1962). In 1967 werkte hij voor Le samouraï voor het eerst samen met regisseur Jean-Pierre Melville, met wie hij nog twee veelgeprezen en invloedrijke misdaadfilms zou maken, Le cercle rouge (1970) en Un flic (1972).
In de films van Melville is goed te zien wat Delon zo bijzonder maakte. De acteur beheerst zijn lichaam als geen ander. Als de huurmoordenaar Jeff Costello in Le samouraï praat hij weinig; zijn gecontroleerde bewegingen vertellen het verhaal. Pas in de laatste scènes toont de ijskoude Costello zich kwetsbaar. Plotseling — en voor het eerst — heeft Delon een open blik, die inslaat als de bliksem.
Melville maakte optimaal gebruik van het mysterie dat Delon omgaf. Altijd bleef de acteur onpeilbaar, een eenzame samoerai, zijn verfijnde uiterlijk in contrast met wat wel een ruw innerlijk moest zijn.
Zelfs zijn biografen vonden het moeilijk Delon te doorgronden. Les mystères Delon noemde biograaf Bernard Violet zijn boek, verschenen in 2000, waaruit de acteur naar voren komt als een man met vele gezichten. Zo was er Delon de gevaarzoeker, die in 1968 werd verdacht van betrokkenheid bij de moord op zijn Joegoslavische vriend en bodyguard Stefan Markovic. Politieonderzoek leverde niets op, maar de geruchten over Delons liefde voor vuurwapens en zijn banden met de onderwereld waren niet meer te stoppen.
Daarnaast was er de politieke provocateur, die zijn rechtse mening niet onder stoelen of banken stak in een tijd dat intellectueel Frankrijk daar niets van moet hebben. Er was Delon de hartenbreker, die Romy Schneider en tal van andere vrouwen in de steek liet. En de afwezige vader, die — naar alle waarschijnlijkheid — een kind verwekte bij zangeres Nico, maar dat weigerde te erkennen. De zoon in kwestie, Ari Boulogne, overleed in mei 2023 onder trieste, verwaarloosde omstandigheden.
Ondanks al die verhalen bleven veel regisseurs met hem weglopen. Delon was ook een zeer trouwe vriend, volgens dezelfde biografie. Zijn band met Melville — de Franse Hitchcock — was zelfs zo goed dat Delon na diens plotselinge overlijden in 1973 wilde stoppen met acteren. Hij ging toch door en reeg een groot aantal policiers aan elkaar, waarvan hij er eentje zelf regisseerde: Pour la peau d’un flic (1981). Ook was hij te zien in het fraaie oorlogsdrama Monsieur Klein (1976) van Joseph Losey.
In de jaren tachtig en negentig werkte hij samen met regisseurs als Volker Schlöndorff, Jean-Luc Godard, Jacques Deray en Patrice Leconte. Daarna volgden nog wat rollen in televisiefilms en -series, waarna hij zich grotendeels terugtrok uit het openbare leven. Verrassend genoeg leek hij in 2018 terug te keren in een film van Bertrand Blier, maar de productie werd zonder opgaaf van redenen stopgezet.
Delon was eenzaam, vertelde zijn dochter Anouchka aan de nog altijd nieuwsgierige Franse media, maar hij had ook behoefte aan die eenzaamheid. Met zijn honden en een kat woonde hij op een landgoed in Zwitserland. Hooguit liet de kluizenaar nog van zich horen in sporadische interviews waarin hij afgaf op de huidige tijd, een ‘époque de merde’. Een dubbele beroerte maakte hem de laatste jaren slecht ter been.
Professioneel eerherstel, zo zou de oeuvreprijs uit 2019 gezien kunnen worden, voor een van de knapste acteurs die de Europese cinema kende. Het applaus in Cannes bracht Delon tot tranen. ‘Niemand hoeft het met mij eens te zijn’, zei hij. ‘Maar er is één ding waar ik trots op ben en dat is mijn carrière.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant