Traditiegetrouw duiken in de zomertijd berichten op over plagen en ziekten in de natuur. Een frisse duik in de stroom van alarmerende nieuwtjes.
Ineens stond er in mijn Haagse buurt een geel waarschuwingsbord bij een slootje dat langs het villacomplex van de Russische ambassade slingert. ‘Contact vermijden i.v.m. purperzwavelbacterie’, luidde de alarmkreet. Wat was hier aan de hand? Een bacteriologische oorlogsvoering van Oekraïense zijde? Of was het Moeder Natuur die de Russen eens een poepie wilde laten ruiken?
Het laatste, moeten we vooralsnog aannemen. De purperzwavelbacterie leeft op bij warm weer, in stilstaand water waar bladafval op de bodem ligt te rotten. Door die combinatie neemt het zuurstofgehalte in het water af en het zwavelgehalte toe – ideale omstandigheden voor de bacterie. Die absorbeert zonlicht, waardoor het water rood of paars kleurt. Gevaarlijk is de bacterie niet, wel kan ze mens en hond irriteren na contact. De Russen komen met de schrik vrij.
In deze rubriek geeft Jean-Pierre Geelen, natuurredacteur van de Volkskrant, zijn persoonlijke commentaar op opmerkelijke confrontaties tussen mens en natuur.
Het is een vertrouwd patroon: elke zomer slingert er door het medialandschap een gestage stroom plaagnieuwtjes over de natuur. De eerste berichten over de eikenprocessierups vormen de Vlaggetjesdag voor het nieuwe seizoen, het eindigt via de tussenstations blauwalg, bosbranden en noodweer vaak met een plaag van wespen of – met stip binnengekomen – de Aziatische hoornaar. Het geruststellende nieuws voor de bezorgde burger: de plaagdruk van de eikenprocessierups valt dit jaar reuze mee, mede door het lage aantal vlinders dat vorig jaar is geteld.
Duiken we dieper in de berichtenstroom, dan stuiten we op botulisme, die vertrouwde zomergast. Onder meer bij Poelgeest en in de Horsmeertjes op Texel vissen vrijwilligers deze dagen tientallen verlamde eenden en andere watervogels op uit het water. De bacteriële infectie ontstaat in ondiep en stilstaand water bij temperaturen boven de 20 graden. Dan komen bacteriën tot leven die giftige stoffen vormen en leiden tot spierverslapping bij watervogels. De pechvogels kunnen geen voedsel meer opnemen, de meest verzwakte eenden kunnen hun kopje niet meer boven water houden en verdrinken.
Moeder Natuur is een monster.
De mens maakt het er niet beter op. Tussen de bacteriën door zwemmen we deze weken langs berichten over verstikkende waterplantjes uit verre streken. Waterschap Aa en Maas ‘luidt de noodklok’ – ook een vertrouwd zomergeluid – over de grote waternavel. Het plantje groeit in Noord- en Zuid-Amerika en belandde in Europa als populaire vijverplant. Toen vijverbezitters ervan af wilden, gooiden ze die in sloten. Daar woekert de ‘invasieve exoot’ al sinds het begin van deze eeuw tot een soort groen tapijt dat – niet alleen in Noord-Brabant – elk ander leven verstikt en ook de stroming in slootjes stillegt.
De gemeente Lopik is intussen in gevecht met de cabomba (ook wel: waterwaaier), een andere exotische aquariumplant die het leven in onze sloten verdringt en bedreigt. ‘Waarschijnlijk heeft iemand een keer een vissenkom leeggegooid in de sloot met een plantje van een tuincentrum erin. Zo’n agressieve soort verspreidt zich als een malle’, zei een bestrijder tegen RTV Utrecht.
En zo diepen we toch nog een bijzondere paradox op uit de zomerse nieuwsstroom. Om invasieve exoten aan te pakken, kun je het beste beginnen bij de wortels van het kwaad: het gedrag van de inheemse domoor, een hardnekkige woekeraar.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns