De rubriek Beeldvormers onderzoekt hoe een foto onze kijk op de werkelijkheid beïnvloedt. Deze week: de mooiste beelden van de jaarlijkse Perseïden werden weer niet in Nederland gemaakt.
Dat het op veel vlakken oneerlijk verdeeld is in de wereld, is natuurlijk geen nieuws. Rijkdom is oneerlijk verdeeld. Grondstoffen zijn oneerlijk verdeeld. De mensen die nooit significant bijdroegen aan klimaatverandering, maar wel de rottige gevolgen voor hun kiezen krijgen: oneerlijk verdeeld. Weten we. Maar dat het allemaal ook heel unfair is wanneer het aankomt op het kijken naar de Perseïden, de meteorenzwerm uit de baan van de komeet Swift-Tuttle die jaarlijks in augustus in onze atmosfeer terechtkomt – daar had ik nooit zo over nagedacht.
Totdat ik de foto’s zag die de afgelopen week op de mooiste plekken ter wereld van de ‘vallende sterren’ waren gemaakt. Ja, hállo.
Hallo, Salgótarján, Noord-Hongarije (zie hierboven), waar blijkbaar geen lichtvervuiling is en waar je behalve die vliegende gruisdeeltjes en hun heldere lichtsporen ook de hele (hele?) Melkweg kunt zien. Hallo, New Brighton, Engeland, waar afgelopen week niet alleen de nachtelijke sterrenhemel, maar ook de spierwitte vuurtoren én het spookachtige noorderlicht in een beeld werden vastgelegd door een fotograaf met onnoemelijk veel mazzel.
En goedemorgen Wigry, Polen, met je vallende ster en voorbijtrekkende satelliet, in lange sluitertijd gevangen boven de torens van een sprookjesklooster. Overal ter wereld hadden fotografen hun uiterste best gedaan.
Sterrenkijken is geen wedstrijd, en toch voelde ik me op mijn stadsbalkon met veel te veel omgevingslicht een verliezer, een nachtblinde die iets belangrijks had gemist. Wellicht zijn er plekken in Nederland waar de sterrenregen in volle glorie te zien is (in dat geval: van harte). Maar de meesten van ons zijn aangewezen op overdreven lumineuze uitkijkposten, ook de mensen in Drenthe.
‘Waorumme bennen de nachten hier zo licht?’, zingt Daniël Lohues in Nils Holgerssons Blues. Komt door de groentekassen, die ’s nachts als verraderlijke lantaarns de ganzen het bos insturen.
Het is geen wedstrijd, en toch zijn er oorden waar behalve de afwezigheid van lampen ook de omgeving zodanig meewerkt, dat je er foto’s kunt maken die gaan over het mysterie van het leven. Kijk dan naar de plaatjes van de berg Nemrut in Oost-Anatolië, Turkije. Deze archeologische grafheuvel is werelderfgoed; waarschijnlijk ligt hier koning Antiochus uit de 1ste eeuw voor Christus begraven. Er zijn grote lichamen van zachtroze stenen die voor de berg zitten: de koning zelf, vergezeld door leeuwen, adelaars en goden als Zeus en Tyche. Hun hoofden liggen aan hun voeten.
Ook daar kun je naar de Perseïden kijken. Jaloers keek ik naar de geluksvogels die zich in de beginnende avondschemering hadden verzameld. Dankzij de ondergaande zon waren de stenen van de grafheuvel nog rozer, het rood en oranje van omslagdoeken nog warmer; de fotograaf hoefde er achteraf niets meer aan te doen.
De foto die hij daarna van de nachtelijke lucht maakte, met als enige lichtbron nog een likje roze aan de horizon en de snelle flits van zijn camera, is hemels mooi. Bijna had ik ‘buitenaards’ geschreven, maar buitenaards is de foto nu net niet. Het is juist een werelds beeld, sterk verankerd in de geschiedenis van de mensheid en haar relatie met vergankelijkheid, de eeuwige geheimzinnigheid van het heelal, het verglijden van de tijd en alles wat we voor een groot deel een beetje zijn vergeten.
Het was geen wedstrijd, en toch heeft berg Nemrut gewonnen.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant