Als je een moeder hebt die kookt, dan kook je zelf niet, zo eenvoudig is het. De mensen die gedwongen werden iedere dinsdagavond voor hun ouders te koken, zijn ongetwijfeld sneller zelfstandig geworden. De mensen met een moeder als de mijne hebben zelfs naar hun eindexamen nog liefdevol tot broodbeleg verwerkte restjes meegenomen. En zijn dus eters, geen koks.
De eerste jaren dat ik mezelf moest redden, dacht ik dat de oplossing was om van alles een frittata te maken. Eieren had ik toch wel, en ze bedekten eventuele verkoolde/nog waterige groenten met de mantel der liefde. Ik deed het in ieder geval beter dan mijn eerste huisgenoot, die aan de afwas te zien losse ketchup at uit een kom.
Over de auteur
Charlotte Remarque schrijft voor de Volkskrant over literatuur.
Jaren later kwam corona. Ik woonde inmiddels met twee vrienden en een poes. Hij sloeg aan het ramen zemen, zij begon te haken en stekelige komkommers te verbouwen. Dat was de zomer dat ik écht ging koken. De kringloopwinkels stroomden vol met fonduesets, poffertjespannen, madeleinevormpjes en andere slachtoffers van de coronaschoonmaak, en ik nam ze allemaal mee naar huis.
Ik begon waardering te krijgen voor de traag-aandachtige trance waarin je raakt als je iets arbeidsintensiefs kookt. Deeg kneden, stekelige groenten schillen, iets laten au bain-marie laten smelten zonder dat er stoom in komt, dingen een voor een aanschroeien voordat je ook maar kunt beginnen na te denken over stoven – een oefening in geduld (moeilijk) en vaak ook in scheikunde (nog moeilijker).
Toen de opsluiting voorbij was, bleek dat mensen hun tijd aan veel indrukwekkender hobby’s hadden besteed dan koken. Schaken bijvoorbeeld, banjo spelen of marathons lopen, of alle Russen lezen in het oorspronkelijke Russisch. Daar zit je dan met je kaneelbroodjes.
Het wierp bij mij de vraag op hoe we naar koken en eten kijken – als we het te veel intellectualiseren is dat aanstellerij, maar banaal is het toch zeker niet?
Wat mij had geholpen toen was een boek dat pas een paar jaar later verscheen, The Upstairs Delicatessen van boekrecensent Dwight Garner. Het gaat over ‘eten, lezen, lezen over eten, en eten tijdens het lezen’ en is een grappige autobiografie waarin Garner van een dik jongetje met een stapel stripboeken een man wordt met een onstilbare honger naar zowel literatuur als eten – beide highbrow én lowbrow. Spuitkaas en Wittgenstein, zeg maar.
Ik leerde dat een intellectueel bestaan niemand ontslaat van gedachten over koken en eten. Tsjechov at kersen niet per kers maar deed er twintig tegelijk in zijn mond. Wittgenstein kon het best nadenken terwijl hij piepers jaste. J.D. Salinger deed sojasaus op zijn popcorn. Toni Morrison kon geen vernietigender belediging opschrijven dan ‘je kip is nog rood bij het bot’. John Updike at grote hoeveelheden augurk.
Sommigen zijn meer drinkers dan eters (Patricia Highsmith schreef dat er ‘niets gaat boven de tweede martini bij de lunch’), maar feit blijft dat schrijvers óók koks en eters zijn. Dwight Garner lijkt zich ermee te troosten, en het is ook een hele troost: het brein moet gevoed worden, maar het lichaam ook.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant