Waar lopen de correspondenten van de Volkskrant tegenaan in hun dagelijkse leven? Vandaag: Jeroen Visser belandde in Zweden in het warme bad van de door ouders gerunde ‘voorschool’.
We werden verwacht in het kantoor van de kleuterschool. De laatste dag van onze jongste (6) naderde snel en het was tijd voor het slotgesprek met de juf. Onze zoon was er zelf ook bij en hij probeerde zich steeds dieper in het kussen van de bank te drukken. ‘Normaal praten we alleen met je ouders’, zei de juf tegen hem. ‘Maar als je straks naar school gaat, ben je er ook altijd bij als je ouders met de juffen en meesters praten. Dus dan kunnen we nu alvast een beetje oefenen.’
Met het gesprek kwam een einde aan drie jaar op deze school in Stockholm, die voor ons de belangrijkste introductie was in het Zweedse leven. Het is een oudercoöperatief, waar ouders het bestuur vormen en allerlei nevenwerkzaamheden doen zoals klussen, werving van nieuwe leerlingen en het beheren van de website. Dat bespaart de school veel kosten, waardoor er extra geld naar onderwijspersoneel gaat. Zo kent de school zes leerkrachten (waarvan er één dubbelt als kok) op twintig leerlingen.
Dit soort oudercoöperatieven komt veel voor in Zweden. Ze zijn vaak opgericht in de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw, toen er een tekort was aan gemeentelijke opvangplekken. Ouders hoeven overigens niet zelf voor de klas te staan. Alleen als er veel leerkrachten ziek zijn, springen de ouders in. Afgelopen jaar moesten we – tot plezier van onze zoon – twee keer inspringen, beide keren door de warme lunch en de tussendoortjes klaar te maken.
In Zweden blijven kinderen tot hun zesde op hun förskola, die dus opvang en kleuterschool ineen is. Onze zoon begon hier op zijn derde, toen we naar Zweden verhuisden. Dat was weliswaar later dan de andere kinderen, maar ook niet eens zoveel later. De meeste ouders sturen hun kind pas vanaf anderhalf jaar naar de opvang. Ik weet nog de horror op het gezicht van een ouder toen ik vertelde dat veel kinderen in Nederland met drie maanden naar de crèche gaan. ‘Maar, maar, dat kun je een kind toch niet aandoen?’ (Gaan kinderen eenmaal naar de opvang, dan is dat meestal ook elke dag. Deeltijdopvang komt weinig voor).
De keuze voor een coöperatief heeft ons zeker geholpen met onze integratie hier, door het vele contact met andere ouders. We hebben er goede vrienden gemaakt, met wie we deze zomer op vakantie zijn geweest. Soms vroeg de school wel veel tijd. Het afgelopen jaar was ik voorzitter van de kluscommissie en moest ik regelmatig met boor en gereedschapskist op pad om een losgeraakte plank of kast vast te maken. Daar kwamen nog de achtervang, de taarten bakken voor uitjes en de schoonmaakavonden bij.
Bovenal was het een leuke school met lieve juffen en veel aandacht voor de kinderen. Een van de hoogtepunten was de jaarlijkse traditionele Sankta Lucia-viering op 13 december, wanneer alle kinderen – al dan niet verkleed als peperkoekmannetjes – liedjes zingen om het donker te verdrijven.
Afgelopen juni was het – natuurlijk door de ouders georganiseerde – afscheidsfeest, waarbij de leerkrachten elk vertrekkend kind een map gaven met foto’s, werkjes en verslagen van hun tijd op school. De leerlingen kregen ook een herinneringszakje met daarin zes dingen, waaronder een gum, ‘want iedereen maakt fouten, maar die kun je vaak ook weer corrigeren’, een pleister, ‘voor toekomstige wonden die bedekt moeten worden’, en een steen, ‘want als het even tegenzit kun je die vastpakken en dan weet je dat we er altijd voor je zijn’.
Je kon ons toen al opvegen natuurlijk, en daar kwam het afsluitingsgesprek vorige week nog bovenop. Om onze zoon nog één keer een boost te geven, vertelde de juf tien minuten lang waarom hij zo’n fijn kind was. Ze sloot af met: ‘Je bent een fantastisch mens en het is makkelijk om van je te houden. We zijn zo blij dat we je hebben leren kennen en we zijn ervan overtuigd dat alles goed zal gaan op je nieuwe school.’ Je had de stralende blik op zijn gezicht moeten zien.