Home

Stille getuigen van de oorlog in Nederlands-Indië wachten op nabestaanden

Vandaag worden de slachtoffers herdacht van de oorlog tegen Japan en de Japanse bezetting van voormalig Nederlands-Indië. In museum Bronbeek liggen nog altijd bezittingen van oorlogsslachtoffers, van trouwringen tot identiteitsplaatjes. Het museumhoofd is op zoek naar de nabestaanden.

Het aluminium identiteitsplaatje is waarschijnlijk gemaakt van de eetketel die hij in het kamp bij zich had. Zijn maten hebben een stukje van het dunne metaal gebruikt om daar informatie over hun overleden vriend in te kerven: Jan Kers, stamboeknummer 92175, Knil, 25 jaar oud, 17 juni 1943.

Zes jaar eerder was Jan vanuit zijn woonplaats Apeldoorn naar Nederlands-Indië gekomen, om daar in dienst te treden van het Koninklijk Nederlands Indisch Leger (Knil), dat het gezag in de kolonie moest handhaven. Na de inval van Japan was hij krijgsgevangene gemaakt. Eerst in een kamp op Java, na ruim een jaar was hij via Singapore overgebracht naar het Japanse kamp Futase.

Vijf dagen na aankomst werd hij ziek, zo valt te lezen op zijn Japanse krijgsgevangenenkaart. Drie weken later stierf hij aan een acute darmontsteking. Hij werd gecremeerd, het door zijn vrienden gegraveerde naamplaatje werd bij zijn asresten gevoegd.

De as van de jonge wachtmeester der artillerie kwam na de oorlog terug naar Nederland, de urn werd bijgezet op de erebegraafplaats in Loenen. Maar het naamplaatje ligt heel ergens anders: in Bronbeek, het rijksmuseum over het koloniaal-militair verleden. Ruim 81 jaar nadat Jan Kers in Japan was bezweken, haalt museumhoofd Pauljac Verhoeven in het ondergrondse depot van Bronbeek voorzichtig diens naamplaatje uit een bruine envelop van de gravendienst.

Over de auteur
Ellen de Visser is wetenschapsredacteur van de Volkskrant en schrijft geregeld over de Tweede Wereldoorlog.

Een hele reeks lichtblauwe archiefdozen heeft hij staan, op de bovenste plank van een van de vele stellingen in het museumdepot. Ze zijn gevuld met de nalatenschappen van vele tientallen oorlogsslachtoffers uit voormalig Nederlands-Indië: trouwringen, sleutels, briefkaarten, foto’s, adresboekjes, schrijfgerei, horloges en heel veel identiteitsplaatjes. Het gaat vooral om bezittingen van oud Knil-militairen, vaak tevoorschijn gekomen bij opgravingen, keurig geregistreerd door de afdeling ‘piëteitsvoorwerpen’ van de gravendienst en vlak na de oorlog teruggestuurd naar Nederland.

Verhoeven kreeg de nalatenschappen vijftien jaar geleden van de afdeling oorlogsnazorg van het Rode Kruis, die ze had aangetroffen in een kist die daar al tientallen jaren stond. Pogingen om nabestaanden te traceren waren kennelijk mislukt. Een paar oorlogsweduwen werden over de bezittingen ingelicht, zo valt op te maken uit summiere aantekeningen die het Rode Kruis heeft toegevoegd. Zo kwam de trouwring met de inscriptie ‘Lieneke’ de weduwe van Knil-militair Julius Mispelblom Beijer niet bekend voor. En herkende de echtgenote van de in 1944 overleden reserve eerste luitenant Cornelis Haring de zegelring niet die op zijn naam stond.

Maar van veel andere slachtoffers is de familie nooit opgespoord. Terwijl de bezittingen voor nabestaanden van grote emotionele waarde kunnen zijn, beseft Verhoeven. Het zijn persoonlijke spullen die mensen bij zich hadden toen ze werden afgevoerd naar kampen, en die vaak meegingen in hun graf. Verhoeven wil er alles aan doen om ze terug te bezorgen.

Ook van oorlogsslachtoffers uit nazi-Duitsland liggen er nog bezittingen in archieven, persoonlijke eigendommen die werden afgenomen en geregistreerd toen ze in de kampen aankwamen. Een Volkskrant-team van historisch onderzoekers wist het afgelopen anderhalf jaar veel van die gestolen herinneringen thuis te bezorgen, bij de nabestaanden. Verhoeven zou dat spoor graag volgen. Juist in deze weken, waarin de slachtoffers van de Japanse bezetting worden herdacht, merkt hij, net als ieder jaar, hoe groot de impact is van de oorlogsgeschiedenis op kinderen en kleinkinderen.

Na de inval van Japan in het toenmalige Nederlands-Indië werden ruim 80 duizend Nederlandse mannen, vrouwen en kinderen opgesloten in kampen. Dienstplichtige militairen kwamen in kampen voor krijgsgevangenen terecht en moesten zware dwangarbeid verrichten. Vrouwen en kinderen werden in burgerkampen opgesloten waar de leefomstandigheden vaak vreselijk waren.

Zaterdag vindt op Bronbeek de herdenking plaats van de duizenden doden die vielen bij de aanleg van de Birma-Siam en de Pakan-Baroe spoorweg. Onder de oude bomen op het landgoed staan voor het indrukwekkende namenmonument honderden stoelen klaar. Eind deze maand worden iets verderop de slachtoffers herdacht die vielen in de Japanse vrouwenkampen en jongenskampen. Verhoeven: ‘Families komen hier naartoe, dit is bijna heilige grond, het laatste stukje Indië, hier voelen ze zich thuis.’

Ook dit jaar zullen ze weer met vragen komen: Wat is er met hun familie gebeurd? In welk kamp zaten ze? Hoe zijn ze omgekomen? ‘Na de oorlog is er nauwelijks over gesproken, dat heeft vermoedelijk ook met de dekolonisatie te maken. Mensen hadden jaren ellende in kampen achter de rug en kregen na de bevrijding te maken met terreur. Daar hangen zoveel gevoeligheden omheen, dat ze vaak lang niet hebben durven informeren naar het lot van hun familieleden. Soms horen ze van mij voor het eerst in tachtig jaar hoe hun vader of opa is omgekomen. Dat geeft ze dan toch rust.’

In Nederlands-Indische families gaat bovendien de hardnekkige mythe rond dat Japan na de capitulatie alle informatie over de kampen zou hebben vernietigd, zegt Verhoeven. ‘Dat hoor ik nabestaanden zo vaak zeggen: er is toch niks meer.’ Dat klopt niet, zegt hij, er is een goudmijn aan informatie beschikbaar, alleen liggen de documenten over de hele wereld verspreid.

Hij vond naoorlogse rapporten in een Zwitsers archief en delen van kampadministraties in een Amerikaans archief. Omdat Britse troepen na de capitulatie van Japan de macht in Nederlands-Indië overnamen en Australiërs een aantal eilanden controleerden, zijn veel documenten later in Britse en Australische archieven beland. Verhoeven weet dat er in Japan en in Indonesië ook nog veel informatie beschikbaar is, maar waar? ‘Toen de oorlog voorbij was, ontstond er een burgeroorlog. Het uitzoeken van de administratie had geen prioriteit.’ Zelfs het Nederlandse Rode Kruis-archief is, om privacyredenen, nog altijd niet vrij toegankelijk.

Het is voor Verhoeven ‘een persoonlijke frustratie’ dat hij nabestaanden niet beter kan helpen. Zijn ideaal is een website die van alle oorlogsslachtoffers alle relevante documenten laat zien, zoals het Duitse Arolsen archief dat doet voor de miljoenen slachtoffers van nazi-Duitsland. ‘Ik kan families vaak alleen een algemeen verhaal vertellen, maar ik wil het zo graag persoonlijk maken. Het is eigenlijk beschamend dat we nabestaanden tachtig jaar na de oorlog zo weinig informatie kunnen geven. Terwijl die er wel is.’

*

Jan Kers uit Apeldoorn was net 19 jaar toen hij op woensdag 24 februari 1937 aan boord ging van de ms Johan van Oldenbarnevelt voor een onzeker avontuur. Drie maanden eerder had hij getekend voor vijf jaar “overzeeschen’’ dienst en daar een premie van 100 gulden voor gekregen; een bedrag dat zijn vader Dirk, sinds een paar jaar weduwnaar, waarschijnlijk goed kon gebruiken.

Wat zou hem verteld zijn door het wervingsbureau? Waarschijnlijk dat hij daar, ver weg, een goed salaris kon verdienen, dat hij heen en weer kon reizen, dat hij vroeg met pensioen kon want de tropenjaren telden dubbel. Op een pasfoto die na aankomst is gemaakt blikt hij, in zijn uniform, nog wat onzeker in de lens: pet op schoot, handschoenen in de hand, kaarsrechte scheiding in het zwarte haar.

Op de envelop waarin na zijn dood zijn naamplaatje is bewaard, staat zijn naam fout geschreven. De r op het plaatje is voor een y aangezien. Verklaart dat misschien waarom het in Bronbeek is beland en niet bij zijn familie?

Zo zijn er meer vragen die Verhoeven moet zien te beantwoorden. De twee brillen, de zakmesjes en de sleutelbos uit een massagraf in Garoet zijn niet meer thuis te brengen, net zo min als het muntgeld en de ringen van de onbekende bemanning van een neergestort vliegtuig. Maar het veldzakboekje van dienstplichtig soldaat J.A. Hartog zou hij graag aan de nabestaanden geven, net als de bril en de tirailleurfluit van sergeant 1e klas Frederik Evers, die in 1942 omkwam in de Tjiaterstelling. En welke inscriptie staat er op de zegelring die in het graf van soldaat Dirk van Tongeren werd gevonden? VT? Dan was de ring van hem. Of toch VL? Dan behoorde het sieraad toe aan tweede luitenant Van Lingen die in Zuid Borneo in hetzelfde graf lag.

De meest bescheiden nalatenschap in het depot van Bronbeek is van de 9-jarige Elisabeth de Graaf, die stierf in een kamp in Moentilan. Van haar is een bruin rubberen knoopje bewaard gebleven. ‘Waardeloos’ heeft de gravendienst in Bandoeng er indertijd achter geschreven. De grootste collectie is van voormalig Knil-militair Willem Mandike, die in 1953 sneuvelde in de Korea-oorlog. Van hem is een hele doos overgedragen met daarin onder andere gesp en mouwembleem van zijn uniform, portefeuille, foto’s, brieven van zijn vriendin, een gebedenboek, klosjes garen, een toegangskaartjes voor de Amsterdamse bioscoop Tuschinski en een wegenkaart van Nederland.

In de jaren vijftig is geprobeerd om zijn nabestaanden te vinden maar hun adres in Indonesië bleek niet te kloppen en zo kwam zijn nalatenschap bij het Nederlandse Rode Kruis terecht. Daar heeft de doos met zijn spullen ruim vijftig jaar in een kast gestaan, zo blijkt uit een interne notitie.

Willem Mandike kreeg postuum twee militaire onderscheidingen. Omdat zijn familie onvindbaar was, zijn die alleen nooit uitgereikt.

Meer informatie

Klaas van Vuure, Nico Geesdorp, Willem Fontein, Karel Vodegel: zo zijn er nog tientallen andere namen van oorlogsslachtoffers van wie er in Bronbeek bezittingen liggen. Museumdirecteur Verhoeven heeft een lijst gemaakt met de namen van de slachtoffers en een beschrijving van hun laatste bezittingen, zodat hij vragen van nabestaanden snel kan beantwoorden.

Wie meer informatie zoekt, kan mailen naar: loket.bronbeek@mindef.nl

Gestolen herinneringen

In het depot op Bronbeek ligt ook de nalatenschap van Arie Jaring, die nooit in Nederlands-Indië is geweest maar op 22-jarige leeftijd vanuit kamp Amersfoort naar concentratiekamp Neuengamme (bij Hamburg) werd gedeporteerd. Zijn bezittingen, waaronder een persoonsbewijs, foto’s en een briefje van zijn neef Nelis, zijn daar afgepakt en geregistreerd. Ze zijn na de oorlog uit Duitsland teruggestuurd naar Nederland, samen met de nalatenschappen van nog eens 2.400 oud-gevangenen. Veel bezittingen konden in de naoorlogse periode worden geretourneerd maar kennelijk zijn de spullen van Arie in de verkeerde doos beland en nooit opgemerkt, waarna ze vijftien jaar geleden naar Bronbeek zijn gestuurd.

Anderhalf jaar geleden begon een Volkskrant-team met het traceren van nabestaanden van oud-gevangenen uit Duitse kampen, van wie er nog altijd persoonlijke bezittingen in archieven lagen. Gestolen herinneringen heet dat project, waar we nog steeds aan werken. Van 75 nazi-gevangenen lagen er nog nalatenschappen, hun families waren nooit opgespoord. Tot nu toe hebben we 62 nalatenschappen terugbezorgd bij de nabestaanden. We zullen ook op zoek gaan naar de familie van Arie Jaring, die het concentratiekamp overleefde. Waar mogelijk staan we Bronbeek bij.

Source: Volkskrant

Previous

Next