Home

Hoe ver van de terrassen je ook gaat, je komt altijd de toerist in jezelf tegen

Ik ga echt wel graag op vakantie, maar dat komt onvermijdelijk met een probleem. Vakantie maakt me toerist. En er zijn niet zo gek veel letters verschil tussen toerist en terrorist. De t-ist is dwingend. Waar hij verschijnt, bepaalt hij de sfeer – en zelden in positieve zin. Dus zien lokalen hem net zo lief gaan als komen. Al is dat in het geval van toeristen dubbelzinnig, want waar zij komen, zijn er ook inwoners en wethouders die dollartekens zien. Amsterdam zette onder vorige burgemeesters de poorten wagenwijd open; metershoge rode letters waar toeristen op konden klimmen, zwaaien, wippen en fotograferen, ze vervuilden de pleinen van de stad. Uiteindelijk rest van een dorp of stad weinig meer dan bezienswaardigheid.

Mijn bikini en bergschoenen waren gepakt, toen op de terrasjes van de Ramblas buitenlanders met waterpistolen uit Barcelona werden verjaagd. Ik lachte om de onthutste t-isten, ik dacht: laten we dat ook in Amsterdam doen, maar toen stond daar grijnzend mijn eigen koffer.

Lastig dilemma voor wie van reizen houdt. Daarom ga ik graag op pad met op mijn voorhoofd een ander etiket. Als schrijver naar verre oorden, dan heet het werk. Of als wandelaar door gebieden waar mensen niet snel heengaan – het is de aanwezigheid van andere toeristen die de reiziger toerist maken. En dus nam ik deze zomer de trein naar de bergen van Roemenië.

Je zou denken: daar kun je onmogelijk t-ist zijn, op nog een andere Volkskrant-columnist in de Karpaten na gaan mensen naar Italië, Spanje, Portugal of Frankrijk, maar ik kwam op de koffie, of eigenlijk: stuitte op de beer.

Bruin, groot, snel, sterk, en doorgaans schuw. Toen wij acht jaar geleden met kleine kinderen door de wouden van Transsylvanië liepen, gingen we zingend de bossen door – geluid zou beren op afstand houden. En inderdaad, de beer die ons trof wist niet hoe snel hij een boom in moest. Omdat we toch beren in volle glorie wilden, begingen we de zonde. We betaalden als toerist honderden dollars. Vanuit een schuilhut kregen we zicht op een open plek. Met een kabelbaan werd voedsel voor beren gedropt. Machtig waren ze.

Waar dat dus toe leidt: er zijn nu beren die mensen associëren met eten. Dat is makkelijker dan 30 kilo aan besjes, insecten, wortels en knollen bij elkaar scharrelen, dus eisen die beren wat ze toekomt. Ze vallen mensen aan, want die hebben áltijd eten bij zich. In de streek waar we nu sliepen, was vlak voor ons vertrek een 19-jarige Belgische door een beer meegesleept. Het meisje werd gevonden ‘met wonden onverenigbaar met het leven’, in een ravijn waar volgens geruchten nog twee lijken zouden hebben gelegen.

Nu we toerist bleken, moesten we ons wapenen tegen wat we zelf hadden aangericht. Weer lapten we honderden dollars, nu voor berenspray en een groot mes – dat laatste voor de psychologie en a good show. We moesten oefenen. Hoe de beer mentaal krachtig en with gusto! al spuitend tegemoet te treden. Spray en paramilitaire exercitie waren wel de smaakmaker van de vakantie.

De weg naar huis voerde langs het Belvédère in Wenen, Schiele en Klimt die al lang op me wachtten. Eenmaal in het museum stonden tussen mij en Schiele hordes t-isten uit Azië. Soms hadden ze een gids, maar dat was, net als ons mes, voor de vorm. De Chinese bezoekers hoorden niks. Keken niet. Ze beleven de wereld door een scherm. En daar vielen toerist en terrorist weer samen. Niet luisteren, niet zien, alleen schieten.

Over de auteur
Marcia Luyten is journalist en columnist van de Volkskrant. Luyten presenteerde Buitenhof en werkte zes jaar in Afrika. Ook schreef ze onder meer Het geluk van Limburg en de biografie Moederland, de jonge jaren van Máxima Zorreguieta. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier de richtlijnen van de Volkskrant.

Source: Volkskrant

Previous

Next