Ik ben geen man die om woorden verlegen zit. Ik praat veel en laat weinig over aan andermans verbeelding. Tegelijkertijd smul ik van films en boeken met zwijgzame mannen. Lang fantaseerde ik over hoe mystiek mijn eigen uitstraling zou zijn als ik het zilveren spreken inruilde voor het gouden zwijgen. Ook ik kon een stoere, stille man zijn.
De gesloten vader, de ongrijpbare vriend, de cowboy. Het gebrek aan woorden van deze archetypen suggereerde diepe gronden. Tegenover deze stille wateren waande ik me een oppervlakkig stroompje, uitmondend in een spraakwaterval.
Tijdens films kon ik het niet laten mijn bewondering voor deze (anti)helden in het oor van mijn medekijker te fluisteren. En in romans krabbelde ik vaak aantekeningen in de kantlijn, wat niets anders is dan praten op papier.
Zo ontcijferde ik wel de coolste karaktereigenschappen. In de kern bleken de streeffiguren emotioneel afstandelijk, afgesloten of afgestompt. Deze mannen waren vaak of zelfs de hele tijd boos. Wilde ik dat voor mezelf? Nee. Wilde ik cool zijn? Ja.
Vorig jaar was ik hoe dan ook boos. Ik was te armlastig om aan schrijven te denken en ik dacht te veel aan schrijven om aan een baan te denken. Er kwamen geen scheppende woorden noch sollicitatiebrieven uit mijn pen. Soms zei mijn lief dat ik de hele dag met maximaal twee woorden antwoord gaf. Ik had het dus wel in me. Mijn mannelijke coolheid werd echter overschaduwd door de existentiële misère.
Mijn woordendroogte bracht me naar de woestijnen van het Oude Testament. Ik kreeg de ingeving om de eerste vijf Bijbelboeken te lezen; van het scheppingsverhaal tot de aankomst van het volk Gods in het beloofde land. Hun leider Mozes was een stotteraar, en juist hij was door de Heer uitverkoren om de mensenkudde met toespraken en al te hoeden.
Ik bedacht dat, als God iets heldhaftigs met mij van plan was, dat te maken moest hebben met de zegen van mijn overvloedige spreken. Toen het messiascomplex uiteindelijk wegebde, besefte ik dat ik ook gewoon tevreden kon zijn met hoe breedsprakig ik geschapen ben.
Op momenten waarop ik terugval in het woordeloze duister, en weer de zwijgzame man idealiseer, sla ik op de tast mijn Bijbel open. In het evangelie volgens Johannes lees ik: ‘In het begin was het Woord; het Woord was bij God en het Woord was God. Het was in het begin bij God. Alles is erdoor ontstaan en zonder dit is niets ontstaan van wat bestaat. In het Woord was het leven en het leven was het licht van de mensen. Het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet in haar macht gekregen.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant