Home

‘Op straat werd ik ‘pinda’ genoemd, omdat ik halfbloed ben. Het werd ons moeilijk gemaakt’

Ed van de Logt is 100 jaar. Hoe kijkt deze in Nederlands-Indië geboren techneut terug op de eeuw die achter hem ligt?


Ed van de Logt woont nog zelfstandig, samen met zijn vrouw An in Eindhoven, waar hij zijn hele werkende leven voor Philips heeft gewerkt. De 100-jarige is geboren en opgegroeid in het toenmalige Nederlands-Indië, waar hij als 17-jarige door de Japanse bezetter krijgsgevangen werd gemaakt, waarna 3,5 jaar zware dwangarbeid volgde aan de Birmaspoorlijn. Van de Logt is mantelzorger voor zijn 92-jarige vrouw, die zich af en toe in het interview mengt.

Hoe ziet uw dagelijks leven er uit?

‘Ik zorg voor mijn vrouw, die door reuma niet zoveel meer kan, ook Indisch koken lukt haar niet meer. Ik maak soms het warme eten, maar meestal verwarm ik een kant-en-klaarmaaltijd in de magnetron. Ik doe de afwas, en zuig de keuken. Voor de andere huishoudelijke klussen hebben we een hulp. Verder zit ik een groot deel van de dag hier op de bank te lezen, vooral spannende boeken over de Tweede Wereldoorlog, zoals Werkers aan de Birma spoorweg van H.L. Leffelaar en Gevangenen van de Japanners, van Gavan Daws. En ik bezoek alle veteranendagen. De volgende is op 15 augustus in Eindhoven, en daarna 17 augustus op landgoed Bronbeek in Arnhem van de Stichting Herdenking Birma-Siam en Pakan Baroe spoorweg. Ik heb een buddy vanuit het veteraneninstituut die mij begeleidt.’

Zijn vrouw: ‘Jij moet altijd de veteranenkrans leggen omdat je de enige bent die nog kan lopen.’

(Hij laat een uitnodiging zien voor de herdenking op 17 augustus op Bronbeek, waarin hij ‘eregast’ wordt genoemd.)

Welke herinneringen heeft u aan uw jeugd in Nederlands-Indië?

‘Ik ben geboren in Batavia, dat nu Jakarta heet, in een gezin met vijf kinderen, ik was de middelste. Mijn vader was Nederlands, mijn moeder Chinees. Zij stond vrijwel alleen voor de opvoeding van de kinderen, omdat mijn vader vaak maanden weg was voor zijn werk, maar dat deed ze heel goed. Ze had hulp van een keukenmeid, een huishoudster en een baboe, die voor de kinderen zorgde. We droegen altijd witte kleren, elke dag schone, dat was normaal in de Oost.

‘Mijn vader was bouwkundig opzichter bij de bouw van kerken, scholen en banken, en had honderd of tweehonderd inheemse arbeiders onder zich. Na de lagere school ben ik naar de technische school gegaan.

‘Ik was 17 jaar toen ik 4 januari 1942 werd opgeroepen voor militaire dienst. Na de aanval van Japan op Pearl Harbor op 8 december 1941 had de Nederlandse regering Japan de oorlog verklaard. Ik zat nog op school en van de ene op de andere dag moest ik met de trein naar het militaire vliegveld Andir vlakbij Bandung, ik had er amper over kunnen nadenken. Alle militairen droegen een beenwindsel van stof tegen slangenbeten. Ik vond het moeilijk om het vast te maken en moest het zelf zien uit te zoeken.

‘Na drie maanden, op 8 maart 1942, capituleerde het Koninklijke Nederlands-Indische Leger (KNIL). Alle militairen van hoge standen en rangen wisten zich snel uit de voeten te maken, en ontkwamen naar Australië en India, maar jonge knapen als ik bleven achter in de kazerne. In mijn leven heb ik mij nooit zo eenzaam gevoeld als op dat moment.

‘De Jappen noemden ons ‘christenhonden’ en verdeelden ons in groepen. In een vrachtwagen werd ik naar Batavia gebracht, waar ik kaalgeknipt werd. Daarna voeren we in het ruim van een schip naar Singapore, bleek later – op het moment zelf had ik geen idee waar we naartoe gingen.’

U was nog maar 17 jaar, was u bang?

‘Nee. Het ruim van het schip was zo laag, dat je er alleen kon zitten of liggen. Wie naar het toilet wilde, moest het dek op. Aan de reling hingen buitenboord twee planken met een gat erin en een leuning waaraan je je kon vasthouden, daar moest je je behoeften doen. Er stond altijd een lange rij, de lui die diarree hadden, konden het niet inhouden, dus liep je door de blubber.

‘Van Singapore voeren we naar Birma, waar we moesten werken aan de aanleg van de Birmaspoorlijn. Ik heb 3,5 jaar lang dwangarbeid gedaan, helemaal tot in Thailand, tot de spoorlijn af was. Elke dag in de hitte van het oerwoud twee kuub zand scheppen en op het talud storten. Het kon er weken regenen, maar je moest altijd doorwerken, zonder er een cent mee te verdienen. We werden als minderwaardigen behandeld, kregen alleen rijstepap te eten en hadden altijd honger. Ik kreeg malaria en dysenterie. Je bent met een hoop volk, maar voelt je alleen.

‘Er waren ook mannen die ontsnapten, het oerwoud in. De Jappen gingen erachteraan. Wie gepakt werd, vond een gruwelijke dood: in de brandende zon staand of ingegraven met alleen het hoofd boven de grond.

‘Mijn ouders hadden tijdens die 3,5 jaar dwangarbeid geen idee waar ik was. Later bleek dat mijn vader in een burgerkamp was opgesloten en mijn moeder met rust was gelaten, ik denk omdat ze Chinees was, haar naam was Im Nio Tjan, ze werd Emma genoemd.’

Zijn vrouw: ‘Je was broodmager toen de oorlog voorbij was, vel over been.’

Hij: ‘Na de bevrijding meldde ik mij als vrijwilliger om inheemse dwangarbeiders vanuit Thailand in goederenwagons naar Rangoon, in Birma, (het huidige Yangon, red.) te brengen. Ik wilde de spoorweg zien en alle bruggen waar we al die jaren aan hadden moeten werken. Van de Thaise politie kreeg ik een geweer, bij het inschieten raakte ik de vleugel van een mooie vogel, die daardoor niet meer kon vliegen. Daar heb ik nog steeds spijt van. Het waren de enige twee kogels die ik in de oorlog heb verschoten.

‘Toen ze merkten dat ik nog fit genoeg was, moest ik van de KNIL naar Biak in Nieuw-Guinea, bij de luchtmacht. Ik ben er in een Dakota heen gevlogen. Daar kreeg ik pas een stamboeknummer, dus werd ik een echte soldaat. Na 4,5 maand ben ik met een schip naar het vliegveld van Soerabaja gebracht. Gelukkig hoefde ik daar alleen wacht te lopen op het vliegveld. Ik mocht een keer meevliegen met een Mitchel-bommenwerper naar Batavia, naar huis, naar mijn moeder en zussen, maar moest snel weer met een boot terug naar Soerabaja. De tweede helft van 1946 kreeg ik verlof van militaire dienst om de technische school af te maken en twee jaar later werd het verlof verlengd om in Nederland naar de hts, de hogere technische school, te gaan.’

Was u veranderd na drie jaar dwangarbeid?

‘Ik denk het wel. Maar ik ben een kouwe kikker, ik ben niet snel van slag of door iets geraakt.’

Kon u aarden in Nederland?

‘Ik was in zoveel landen geweest, niets verbaasde mij meer. Mijn vader had bedacht dat ik tijdens de bootreis van vier weken naar Nederland in de machinekamer kon werken, vuile pompen schoonmaken. Daardoor heb ik bijna niets gezien, alleen toen we door het Suezkanaal gingen kreeg ik toestemming even het dek op te gaan. In Nederland woonde ik eerst een paar weken in bij mijn oudste zus, totdat ik een kamer vond bij een hospita in Dordrecht, waar ik naar de hts ging.

‘Veel Indische mensen die na de onafhankelijkheid van Indonesië naar Nederland kwamen, voelden zich niet welkom. Op straat werd ik ‘pinda’ genoemd, omdat ik halfbloed ben. Het werd ons moeilijk gemaakt. Na de hts wilde ik naar de Technische Universiteit in Delft. Ik had talent voor techniek, niet voor talen. Bij een toelatingsexamen vroeg een professor wat le curé betekende. Ik dacht aan ‘curve’ en antwoordde ‘kromme’, een term uit de wiskunde. Maar het bleek ‘priester’ te betekenen. De professor lachte mij uit en ik werd niet toegelaten.’

Zijn vrouw: ‘Dat is discriminatie.’

‘Als ik de TU had kunnen doen, was ik ingenieur geworden. Na de hts kon ik een baan krijgen bij Philips, op de apparatenafdeling, later bij de technische afdeling waar camera’s werden gebouwd: filmcamera’s, tv-camera’s, beveiligingscamera’s. Ik werd erop uitgestuurd naar landen als Koeweit en Saoedi-Arabië, om camera’s te installeren, bijvoorbeeld in een tunnel of op operatiekamers. Ze dachten bij Philips zeker: ‘Laten we die bruine maar sturen’. Er was racisme, want ik kreeg minder kans om carrière te maken en kreeg minder betaald voor hetzelfde werk dan collega’s die volbloed Nederlanders waren. Ik was niet iemand die met de directeur ging praten.’

U heeft ook in het paleis van een Saoedische prins camera’s opgehangen, hoorde ik.

‘In de verblijven van zijn personeel. Liever had ik promotie gemaakt en loonsverhoging gekregen dan in het paleis te zijn van een prins.’

Het zit u nog steeds dwars, zo te horen.

‘Ja, want daardoor heb ik ook minder pensioen.’

Waar heeft u uw vrouw An ontmoet?

‘Op dansles in Eindhoven, stijldansen, dat doet tegenwoordig bijna niemand meer, ze dansen allemaal alleen, met hun armen zwaaiend.’

Zijn vrouw: ‘Hij was een heel knappe man.’

Wat was het mooiste moment in uw leven?

‘De reis met mijn dochter en een paar Indische veteranen naar Thailand, in 2013. Het was georganiseerd door de Stichting Herdenking Birma-Siam en Pakan Baro-spoorweg.’

Zijn vrouw: ‘Ik heb vliegangst, dus kon niet mee.’

‘We zijn het hele traject van de spoorweg langs gegaan, tot aan de grens van Birma. Het was een goeie tijd.’

Kwamen herinneringen van de dwangarbeid naar boven?

‘Daar had ik geen last van. Het waren de saamhorigheid en kameraadschap tijdens deze reis die mij goed deden. Die mis ik in de tijd waarin we nu leven.’

Ed van de Logt

geboren: 11 april 1924 in Batavia, Nederlands-Indië (nu Jakarta, Indonesië)

woont: zelfstandig, in Eindhoven

beroep: elektrotechnisch ingenieur (ing.)

familie: zijn vrouw An (92), twee kinderen, twee kleinkinderen

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next