Home

Kees ‘de eendenman’ Moeliker: ‘De natuur heeft een helende werking, vogelzang is voor mij een soort therapie’

Kees Moeliker, directeur van het Natuurhistorisch Museum Rotterdam, zet zich in voor meer biodiversiteit. Zelf is hij herstellend van een burn-out. Hij vindt troost in het gefluit van karekieten en de absurditeit van de natuur. ‘Het begint met natuurbesef.’

Typisch Kees Moeliker: de wc’s van het Natuurhistorisch Museum liet hij inrichten met informatieve vitrines. Zo is de rechter wc op de begane grond gewijd aan ‘holtorren’, een niet-bestaande soort, in het alledaagse taalgebruik duidend op jeuk rond de anus die in werkelijkheid door een wél bestaand dier wordt veroorzaakt: de aarsmade, of aarsworm. Het begeleidende informatiebord is verrijkt met een foto van de krioelende witte wormpjes in hun natuurlijke habitat. Museumdirecteur Moeliker schreef zelf de begeleidende tekst. ‘De jeuk treedt op direct nadat een vrouwtje haar eitjes ’s nachts in en rond de aarsopening heeft afgezet. Wij hebben in onze museumcollectie geen aarsmaden, maar wel wormachtige parasieten (Anisakis sp.) uit de darmen van een bruinvis die vermoedelijk net zo irritant zijn.’ Op een piepschuimen vierkantje in dezelfde vitrine zijn twee mestkevers geprikt – geen holtorren, maar ze komen in de buurt ‘dankzij hun voedselkeuze (poep)’.

Humor werkt om de natuur aan de man te brengen, weet Moeliker, die al sinds 1989 aan het Rotterdamse Natuurhistorisch Museum is verbonden. Hij werd destijds aangenomen als educatief medewerker, promoveerde in 1995 tot conservator en werd in 2015 directeur. Onder zijn leiding bezocht vorig jaar een recordaantal van zeventigduizend mensen het museum. ‘Ik probeer altijd de lach te benutten. We hebben als mensen, in z’n algemeenheid, humor nodig om voort te kunnen leven. Maar humor is ook als communicatiemiddel sterk.’

U ondervond: als mensen moeten lachen, zijn ze ontvankelijker voor informatie.

‘Zeker. Ook voor moeilijke dingen. Ik wil natuurlijk niet gelijk weer over die eend beginnen, maar dat is daar een sterk voorbeeld van. Die eend heeft bij mij tot het inzicht geleid dat je met iets raars, iets lachwekkends, een belangrijke boodschap kunt vertellen.’

Even kijkt Moeliker zijn werkkamer rond, op zoek naar een schoteltje om het gebruikte theezakje op te leggen. Dan zet hij een grote glimmende schelp op een houten sokkel op tafel. ‘Doe je zakje hier maar in. Nee, dit is geen museaal object. Dit is een mooie, gewone schelp. We hebben hier in de collectie honderdduizend schelpen, maar deze hoort daar niet bij.’

Die eend, dat is de mannetjeseend die zich in 1995 tegen het glazen gebouw van het Natuurhistorisch Museum te pletter vloog, waarna hij – dood – door een andere mannetjeseend vijf kwartier lang werd verkracht. Moeliker zag het gebeuren, observeerde ‘alle gedragingen’ van de eend en wijdde er in 2001 een wetenschappelijk artikel aan, dat in 2003 werd bekroond met de Ig Nobelprijs, een prestigieuze Amerikaanse prijs voor wetenschappelijk onderzoek dat je eerst aan het lachen maakt en dan aan het denken zet. Sindsdien gaat Moeliker door het leven als ‘de eendenman’. Hij gaf een TedTalk die anderhalf miljoen keer werd bekeken, zat in talkshows en schreef boeken, waarvan het recentste exemplaar, De kikkerkamasutra, een bundeling van eerdere stukken en columns, deze week verscheen.

We moeten het toch over die eend hebben, dus we kunnen het net zo goed meteen doen. Vond u het zelf grappig, toen het gebeurde?

‘Helemaal niet. Ik heb geen moment gedacht: dit is leuk. Ik was in eerste instantie echt verbaasd. Dit hadden ze mij niet geleerd in al die jaren biologieonderwijs. Ik wist niet dat dit voorkwam: zowel het homoseksuele gedrag als de necrofiele kant ervan. Ik schoot in een observatiemodus, heb mijn notitieboekje gepakt, ben op de begane grond aan de andere kant van het raam op een stoel gaan zitten en gaan documenteren.’

Dacht u ook: wat zielig voor die eend?

‘Nou, ik heb hier heel wat vogels tegen het raam horen en zien kwakken. Tientallen. Daar heb ik moeite mee, als een prachtige vogel, zoals een houtsnip, of een eend, aan zijn eind komt doordat een architect een bepaald idee heeft van hoe een gebouw eruit moet zien. Namelijk: van glas, van onder tot boven. Die vogels zien het spiegelende gebouw als een verlengstuk van hun leefomgeving, en vliegen zich dood. De aantallen zijn wereldwijd onvoorstelbaar.’

Was de eend uit uw artikel op slag dood?

‘Hij wel. Maar er zijn ook vogels die even zitten te shaken, vervolgens wegvliegen en dan door een hersenbloeding van de tak vallen. Soms is een vogel niet dood, maar blijft hij voor het gebouw liggen. Dan doe ik de vogel in een doosje, aai ik hem over zijn kopje en bel ik de dierenambulance.’

Terug naar die eend. U wachtte zes jaar tot u uw waarneming publiceerde. Waarom?

‘Ik had goede dia’s van het gebeuren en aantekeningen die ik altijd zorgvuldig heb bewaard. Dat begon met de plaatsaanduiding, de tijd, het weer, om welke diersoort het ging. Hoe ziet het kleed eruit, de veren? Dat is de basis. Daarna heb ik het gedrag geobserveerd. Elke beweging, elke stoot, zeg maar, heb ik zitten turven, maar mijn boekje bleek te klein, want het ging maar door. Ook de pauzes heb ik genoteerd. Als ik nu nadenk over hoe gedisciplineerd ik dat deed, denk ik: nou, goed geregeld. De eend heeft mij niet in de gaten gehad. Ik heb niets verstoord – iets wat mij overigens naderhand werd verweten, door mensen die vonden dat ik onmiddellijk had moeten ingrijpen.’

Waarom zou u hebben moeten ingrijpen?

‘Er waren mensen die vonden dat ik de levende eend had moeten wegjagen om de dode eend zijn rust te gunnen. Een menselijke gedachte: dit kan niet, dit mag niet, laat het stoppen. Mijn wetenschappelijke interesse won, maar na vijf kwartier heb ik gedacht: nu weet ik het wel. Toen ben ik naar buiten gelopen om die dooie eend te pakken en in te vriezen en heb ik de levende eend weggejaagd. Er zijn ook mensen die vinden dat ik had moeten wachten en de natuur op zijn beloop had moeten laten.’

Wat vindt u zelf, achteraf?

‘Ik heb er spijt van, want het is zonde dat we niet weten hoe lang het zou zijn doorgegaan. Naderhand heb ik ook waarnemingen van anderen doorgekregen, van een kalkoen in de Verenigde Staten die de hele dag bezig geweest is met een dood vrouwtje. De crux is natuurlijk dat een normale paring bij een eend hooguit een halve minuut duurt. En dit ging maar door, omdat er geen respons kwam. Ik kreeg bovendien honger, het was tijd voor het avondeten. Praktische zaken stonden de wetenschap in de weg.’

Bij de eend die hier in het museum in een vitrine ligt, staat het bordje ‘necro-eend’, terwijl het dus niet de necro-eend is, maar het slachtoffer van de necro-eend.

‘Dat is correct. Het is het slachtoffer. De necrofiele eend is in leven gebleven, we weten niet waar die is gebleven. Ik heb nog weleens rondgekeken, maar ik kon hem nergens aan herkennen. De eend die beneden in de vitrine ligt, is eigenlijk gewoon een eend. Of nou, hij was wel in een homoseksuele relatie beland.’

Omdat hij na zijn dood werd verkracht door een andere mannetjeseend?

‘Aan die fatale klap ging iets vooraf: ze zaten achter elkaar aan. Tenminste, dat heb ik zo geïnterpreteerd. Het is niet zo dat de ene eend tegen het raam vloog, en dat er toen toevallig een andere eend kwam langslopen die dacht van: hé. Ze waren verwikkeld in een ‘attempted rape flight’, lastige term, maar de ene eend zat achter de andere aan met de intentie om te paren. Dat gedrag kende ik, van heteromannetjeseenden. Het was er ook het juiste jaargetijde voor.’

Uw vriend Erwin Kompanje, klinisch ethicus en al decennia preparateur voor dit museum, zei dat hij er zes jaar bij u op heeft aangedrongen om het artikel te schrijven.

‘Inderdaad, hij heeft me achter mijn broek gezeten. Ik wilde het in een breder kader plaatsen, maar ik kon er geen literatuur over vinden, in 1995. Maar in 2001 kreeg ik een boek onder ogen over homoseksueel gedrag in het dierenrijk, van insecten tot walvissen en alles ertussenin. Eenden kwamen er ook in voor. Toen dacht ik: nu kan ik ermee uit de kast. Ik heb het opgeschreven, een artikel van vier kantjes, dat door zes of zeven in eenden geïnteresseerde vakgenoten werd gelezen. Dat is het lot van de wetenschapper. Maar iemand heeft het Ig Nobelcomité getipt, ik weet niet wie. Ik had nooit van de Ig Nobelprijzen gehoord. Ik won de onderscheiding en het stond wereldwijd in alle kranten.’

U kwam op televisie, werd ‘de eendenman’. Vond u dat leuk?

‘Ik vond het fantastisch. Ik heb ervan genoten. De reacties hebben me ook verbaasd. Ik heb het eendenverhaal honderden keren verteld, in allerlei variaties. Ook in de Verenigde Staten, waar ze ontzettend preuts zijn. Ik had een foto van de penis van het slachtoffer in mijn presentatie, om aan te tonen dat het echt een mannetje was. Want soms hebben vrouwtjes mannenveren, dat bestaat. Voor mij was het een logische illustratie, maar dat plaatje van die eendenpenis, een soort wokkel, vond men in de VS te heftig. Ik heb het verhaal ook verteld op een wetenschapscongres in Genua. Daar zaten allemaal hooggeplaatsten uit het Vaticaan op de eerste rij, met van die mijters. Nou, ik vertellen, over homoseksualiteit in het dierenrijk, en ze zaten elkaar allemaal op de schouders te slaan. Als het om dieren gaat, mag het blijkbaar wel.’

Uw vriend Erwin zei: ‘Kees is introvert, en dat is ook zijn kracht, daardoor kan hij met een uitgestreken gezicht een bizar verhaal vertellen.’

‘Ik ben een verlegen man. Als kind al, en nog steeds. Maar op het moment dat ik met mijn Albert Heijn-tasje met die dode woerd erin op het toneel sta, voel ik me meer een stand-upper dan dat verlegen jongetje uit Rotterdam. Ik ben dan helemaal op mijn gemak.’

Was de eend ook levensveranderend omdat u doorhad: als ik het op deze manier aanpak, kan ik mensen interesseren voor de natuur?

‘Zeker. Ik heb er altijd graag over verteld als ik iets moois zag: een zingende nachtegaal, of gewoon, een braakbal. Maar dit was een verhaal met alle ingrediënten van een bestseller in zich. Seks, dood, de invloed van de mens in de vorm van dat glazen gebouw. We hebben in onze collectie 400 duizend dode dieren, bijna allemaal anoniem. Ik ben dode dieren met een verhaal gaan verzamelen. De dominomus, die 23 duizend steentjes van Domino Day omgooide en werd afgeschoten, bijvoorbeeld, staat hier, en de Cern-marter, die de deeltjesversneller in 2016 heeft lamgelegd. En de McFlurry-egel, die in 2007 dood werd gevonden met zijn kop klem in een ijsbeker van McDonald’s. Door zijn stekels bleef hij hangen achter het deksel, hij is het water in gelopen en verdronken. Zoals hij binnen werd gebracht, met die beker, heb ik hem laten opzetten en tentoongesteld. Ik vind het een krachtig beeld, een keiharde botsing tussen dier en mens. Inmiddels is de verpakking egelvriendelijk, vooral door druk vanuit Engeland. Daar zijn ze heel egel-minded.’

Zou u de beroemde en onlangs overleden gorilla Bokito ook graag tentoonstellen?

‘Hij komt hiernaartoe, nadat er wetenschappelijk onderzoek naar zijn spieren en botten is gedaan, en we gaan hem – Rotterdams natuurhistorisch erfgoed – in het collectiedepot bewaren, als platte huid. De schedel en het skelet bewaren we los. Diergaarde Blijdorp wil niet dat hij wordt opgezet, ze willen niet dat hij weer een publiekstrekker wordt. Daarvoor is de emotionele band die veel mensen met het dier hebben te groot.’

U was een verlegen jongetje met een grote voorliefde voor de natuur. Kreeg u dat van huis uit mee?

‘Mijn moeder hing een pindaslinger voor het keukenraam en daar kwamen mezen op af. Hé, zag ik, dat is geen mus. Dat was de eerste vonk. Op een gegeven moment kreeg ik een vogelboekje van mijn opa en oma. Een buurman die bioloog was, zag in mij een ontluikende natuurvorser en gaf me een schoenendoos met schedels en veren. Ik wilde van elke vogel weten hoe hij heette en begon schedels te verzamelen. Als ik een dode vogel vond, knipte ik de kop eraf met een keukenschaar, die ik altijd bij me had. Ik deed de kop in een plastic zakje, en daarna in een pot met warm water, dan rot het schoon. Die potten stonden in de schuur. Wat ’s zomers ook kan: de kop in een oude nylonkous stoppen, die vastmaken langs een oever, waarbij je zorgt dat de kous in de sloot hangt. Dan wordt de schedel kaal- en leeggevreten door wormpjes.’

U deed uw eerste ornithologische ontdekking in 1973, toen u op uw 12de met een vriendje de eerste nijlgans in Rotterdam waarnam. Hoe ging dat? Was dat een euforisch gevoel?

‘Ja, ja! We zagen ineens een exotische vogel zitten die niet in het vogelboek stond. Heel spannend. We zijn naar de bibliotheek gegaan om uit te zoeken welke het was. Het bleek overigens niet de eerste nijlgans in Rotterdam te zijn; twee maanden eerder waren er verderop ook twee nijlganzen waargenomen, maar die zijn niet bewaard gebleven. Deze wel, omdat ik hem twee dagen later dood vond, in een plastic tasje heb gedaan en naar dit museum heb gebracht.’

De nijlgans is nog steeds uw lievelingsvogel, begreep ik.

‘Ik ben daar echt door gefascineerd. Die vogel is nu ruim vijftig jaar in Nederland, en hoort er inmiddels echt bij. Ik hou er niet van om vogels ‘exoten’ te noemen. Alles is fluïde, en exoot is toch vaak een stigma, in deze tijd.’

Een exoot is een vogel die we hier in Nederland eigenlijk liever niet willen?

‘Ja, die moeten worden uitgeroeid, of tegengehouden, vindt men vaak.’

In het kader van: geef Nederland terug aan Nederlandse vogels?

‘Precies. Veel mensen weten niet dat de knobbelzwaan ook ooit is ingevoerd. De halsbandparkiet, ook zo’n ongewenste exoot. Ik kan me echt opwinden over het gezeur daarover. Die halsbandparkiet vindt men dan lawaaierig. Je zit op een terrasje, de zon schijnt, en ineens komt er zo’n groene golf voorbij. Dat is gewoon geweldig.’

Wat hield u als kind verder bezig?

‘School. Maar daar stak ik niet veel energie in, ik liep de kantjes ervan af. Ik wilde zo veel mogelijk naar buiten, op de fiets overal naartoe. Ik heb de havo netjes afgemaakt, maar ik was geen studiebol. Mijn ouders waren lief en zorgzaam. Mijn vader is nu 90 en heeft altijd bij de PTT gewerkt. Mijn moeder overleed in 2015, was huisvrouw en later verkoper in een damesmodezaak. Ze hebben me mijn gang laten gaan met mijn liefhebberijen. In de vriezer had ik een hoekje voor mijn kadavers. Mijn puberteit stond in het teken van mijn hobby. Ik ging niet naar de disco, maar op de fiets naar de Shetlandeilanden om de papegaaiduiker te zien. Zo ben ik nog steeds. Ik ben eigenlijk helemaal niet veranderd.’

Uw vrouw en kinderen noemen u een natuurnerd, schrijft u. Als u tijdens het eten een slak uit de sla vist, laat u uw eten koud worden en pakt u onmiddellijk de Veldgids slakken en mossels erbij.

‘Klopt. Dan wil ik direct de soort determineren. En dan wil ik ook weten waar die sla vandaan komt, of het Nederlandse sla is, of Italiaanse, of misschien wel uit Senegal.’

Heeft u ooit huisdieren gehad?

‘We hadden vroeger thuis een kat, Vlekkie. Tegenwoordig heb ik het niet zo op huiskatten, ten eerste omdat ik allergisch ben voor elk dier met haren, ten tweede omdat huiskatten ongelooflijk veel vogels doden. Eigenlijk zou het veel beter zijn om huiskatten niet meer naar buiten te laten. Een goudvis en wandelende takken, die hebben we gehad, dat wilden de kinderen graag. De goudvis staat nu thuis in een potje met alcohol.’

Wat heeft u nog meer thuis op sterk water staan?

‘Nou, weinig hoor. Een paar slakjes. En eigen afgedankte organen, zoals mijn galblaas. Die staat in een hoekje van de boekenkast. Nadat mijn galblaas was verwijderd, hadden ze de galstenen, enorme dingen trouwens, in een plastic zakje aan mijn ziekenhuisbed geplakt. ‘En de galblaas dan?’, vroeg ik aan de chirurg. ‘Mag ik die terug?’ Ik heb best even moeten aandringen. Ik heb ook de stukjes van mijn zaadstrengen die bij mijn sterilisatie zijn verwijderd op sterk water staan. Bij die ingreep zat ik er met mijn neus bovenop, toen kon ik meteen zeggen dat ik ze wilde hebben. O, en wat ik ook nog thuis heb bewaard, belangrijk: de navelstrengen van mijn drie dochters, en de placenta’s van de jongste twee. Van mijn oudste dochter Sezen heb ik de placenta niet, toen was ik te verwonderd over de geboorte om eraan te denken. Bij de andere twee was ik er gelukkig bij met mijn hoofd.’

Na de havo ging u een lerarenopleiding biologie doen. Maar ik las op Wikipedia dat u ook heeft gewerkt als bakkersjongen, slagersknecht, leraar Engels in Istanbul en natuurgids in Costa Rica.

‘Dat is correct, ja. In mijn studententijd. Het werken als slagersknecht was interessant. Zo heb ik veel geleerd over de anatomie van het zoogdier. Dat kwam bijvoorbeeld van pas toen er in 1996 een potvis aanspoelde bij Scheveningen, die we voor onze collectie hebben kunnen veiligstellen. Het skelet hangt in onze entreehal. Die hebben we in vijf dagen schoongesneden, met acht museummedewerkers. Zwaar werk, maar in wezen niet anders dan wat ik bij de slager had geleerd. Alles wat overbleef, ging naar Chappi, de hondenvoerfabriek. Het regenpak dat ik toen droeg, hangt nog in de schuur. Als ik daar binnenkom, ruik ik die potvis nog. Geen onprettige geur, overigens. Een beetje zoetig.’

Zijn biologen over het algemeen dierenvrienden?

‘Ik denk dat biologen een grote mate van respect hebben voor al het leven. En dat ze zich bewust zijn van de plaats van de mens in het geheel, die de laatste halve eeuw een ontwikkeling heeft doorgemaakt richting uitbuiter, in plaats van onderdeel van het ecosysteem.’

Bent u zelf vegetariër?

‘Ik heb ernstig geminderd, sinds een jaar of vijftien. Ik stop niet helemaal, omdat ik vlees lekker vind. Ik eet ook eenden, terwijl ik veel van die dieren houd. Dat koppel ik dan los. Confit de canard, pekingeend, heerlijk. Eigenlijk moet je het natuurlijk niet doen. Mijn kinderen zeggen ook: waarom eten we nog vlees? Maar ondertussen eten ze het graag. Ik denk dat ik op een andere manier probeer de planeet te redden.’

Op welke manier?

‘Door nieuwsgierigheid op te wekken voor de levende natuur. Er is gelukkig steeds meer interesse in publieksevenementen zoals de Nationale Tuinvogeltelling, en ik kom in de natuur steeds meer jonge mensen met verrekijkers tegen. Tegelijkertijd gaat het met de Nederlandse natuur bar slecht. De aantallen dieren nemen af, maar ook de biodiversiteit gaat dramatisch achteruit, met name op het gebied van insecten, die cruciaal zijn als voedsel voor andere dieren en als bestuivers. Dat is uitermate zorgwekkend. De huismus, ooit een heel gewone stadsvogel, een vogel die een geschiedenis met de mensheid deelt, is uit veel steden zo ongeveer verdwenen, en dat zegt iets over onze leefomgeving. Als je de stad uitrijdt, zie je distributiecentra en kaalgespoten akkers. Het is triest. En van het nieuwe kabinet hoeven we op dit gebied niets positiefs te verwachten.’

Heeft het zin als mensen tuinvogels tellen terwijl ze tegelijkertijd elke dag vlees eten?

‘Het begint met natuurbesef, denk ik. Je gaat pas iets opofferen als je weet waarom je het opoffert. En als je geen weet hebt van de natuur om je heen, ga je dat nooit doen. Dus het heeft zeker zin als ik mensen stimuleer om een nestkastje op te hangen en het kunstgras in hun tuin te verwijderen. Stop met grindtegels en met die onzinnige Blokker-kraaien, die helemaal niet werken. Zaai bloemenzaad waar insecten wat aan hebben, plaats een bijenhotel, installeer een app op je telefoon waarmee je de natuur om je heen in kaart brengt. Probeer de mens niet te zien als eindproduct van de evolutie, maar als onderdeel van een groter geheel.’

Een interessant verhaal in uw boek betreft de ontdekking van de Boano-vliegenvanger, een uitgestorven gewaand vogeltje, dat u in 1991 waarneemt in Indonesië en vervolgens ‘verzamelt’, een eufemistische term voor doodmaken en conserveren. In de Volkskrant werden vakgenoten geïnterviewd die dat niet vonden kunnen.

‘Ja, zelfs iemand van ons grootste natuurhistorische museum, Naturalis. Die had een enorm pak boter op zijn hoofd, want in dat museum is denk ik 95 procent van de collectie met opzet doodgemaakt – waar niks mis mee is, in mijn ogen. Dat was gewoon het werk, zo werden collecties opgebouwd. Nu niet meer, de tijden zijn veranderd. Nu zou er een foto worden gemaakt, misschien een veertje worden uitgetrokken.’

Hoe ging dat toen met die Boano-vliegenvanger?

‘We hebben een net gespannen tussen de struiken en daar vloog hij in. Daarna pakte ik hem en drukte de borst in, hij was meteen dood. Ik heb hem daar ter plekke geprepareerd, wat ik eigenlijk niet in de vingers heb, en dat werd dus ook geen succes. Maar het was bloedheet, overal vliegen en mieren, dus alles wat bederfelijk was moest eruit. Dat is gelukt.’

U beschrijft hoe een Indonesische collega van het plaatselijke natuurinstituut later tegen u zegt dat u de vogel eigenlijk daar had moeten laten, waar hij hoort.

‘Dat is interessant, want dit was eind vorige eeuw, ver voor de discussie losbarstte over de teruggave van koloniaal erfgoed. De vraag, waarop het antwoord nog niet helemaal is uitgekristalliseerd, is of natuurhistorische collecties daaronder vallen.’

Wat vindt u?

‘Nou, ik denk dat het goed is dat niet-westerse landen ook collecties opbouwen. Dat niet alles op één plek geconcentreerd is, vind ik een goede zaak. Tegelijkertijd is de digitalisering van collecties nu zo verregaand dat de fysieke bewaarplek er minder toe doet.’

Een conservator in Kopenhagen laat u de harten van twee reuzenalken op sterk water zien, een uitgestorven vogel. U schrijft: ‘Wat had ik graag die glibberige harten uit de alcohol gehaald en vastgepakt. In elke hand een, om even direct contact te hebben met de organen die 170 jaar geleden nog hoopvol klopten.’

‘Dat maakte echt iets bij me los. Moet je je voorstellen, het waren de harten van de laatste twee levende individuen van die soort, hè? Het hart is de kern van elk levend wezen dat een bloedsomloop heeft. Ik wilde ze dolgraag vasthouden, om er dichter bij te zijn – wat niet mocht, en terecht. Maar dan ben ik weer even dat nieuwsgierige jongetje van 11, dat contact zoekt met de natuur. Ik hoop niet dat ik dat gevoel ooit kwijtraak.’

U bent, buiten uw werk als museumdirecteur, ook in uw vrije tijd bijna met niets anders bezig. U verlaat het huis niet zonder een van uw tientallen verrekijkers, als u een dode vogel ziet liggen, zet u de auto langs de weg. Is dat soms ook vermoeiend?

‘Ja, ik ben altijd bezig. Te veel. Ik zit nu ook in een burn-out die het gevolg is van dat altijd bezig zijn. Ik ben nu een half jaar uit de running. Het heeft een jarenlange aanloop gehad, maar op een gegeven moment lag ik hier in deze kamer languit, daar op de grond, vanuit het niets. Twee collega’s hebben me opgeraapt en ik lag snel daarna op de hartbewaking. Heel erg schrikken, ik dacht: straks lig ik op Hofwijk, de begraafplaats. In het ziekenhuis zag ik mijn hartfilmpje. We hadden net een tentoonstelling gemaakt over hart en vaten, dus ik wist: dat ziet er prima uit.’

U was er niettemin slecht aan toe.

‘Ja, ik was ingestort, vrij letterlijk. Toen ik wist dat er niks met mijn hart was, kwam ik in een andere dynamiek. Toen heb ik zelf de conclusie getrokken dat mijn hoofd veel te vol zat. Ik merkte, in de aanloop, ook een cognitieve achteruitgang. Ik was niet meer creatief, kon mijn gedachten niet meer op papier zetten en zat het museum in de weg. We waren bezig met een nieuw beleidsplan, normaal gesproken kostte me dat geen enkele moeite, maar nu zat ik maar een beetje naar buiten te kijken. Dat was voor mij confronterend om mee te maken. Angstig.’

Heeft u enig idee waarom het juist nu is misgegaan?

‘Dat weet ik niet precies. Het is een moeilijke tijd in de culturele sector, en dat gaat nog erger worden als de btw naar 21 procent gaat. We moeten laagdrempelig zijn, iedereen moet het museum kunnen bezoeken, maar dan wel zo’n maatregel. Heel contraproductief. Maar goed, voor mijn instorting had ik al veel zorgen. Over financiën, stijgende kosten, over het voortbestaan van een museum met een belangwekkende collectie en boodschap, dat ondanks goede bezoekcijfers toch van subsidie en fondsen afhankelijk is. Bedrijfsmatig was het een slechte tijd. Daar lag ik van wakker. Ik heb moeten zeggen: dit gaat zo niet langer. Nu zit ik soms op een bankje in de buurt naar de karekieten te luisteren. Hoe het werkt weet ik niet, maar de natuur heeft een helende werking. Gewoon, de nabijheid van ander leven dan mensen. Vogelzang is voor mij een soort therapie.’

Hoe is het voor u om nu in uw werkkamer te zijn?

‘Niet vervelend, maar wel raar. Vooral omdat ik hier down en out ben gegaan. Ik dacht: misschien kunnen we voor dit interview beter in het depot gaan zitten, maar daar is de lucht nogal indringend. En mijn boek ademt het museum, daarom leek het me belangrijk om het gesprek in dit gebouw te voeren.’

Bent u in de afgelopen tijd tot nieuwe inzichten gekomen?

‘Nou, wat betreft de nijlganzen: ik vond begin mei al veren, dat leek me vroeg voor nijlganzen om te ruien. Toen ben ik systematisch al die veren in zakjes gaan stoppen. Ik wil dan toch precies weten hoe het zit.’

Ik bedoelde eigenlijk inzichten over uzelf.

‘Uhm, o ja, tuurlijk. Dat het belangrijk is om een striktere scheiding aan te brengen tussen werken en niet werken. Dat deed ik niet. Ik ging altijd door.’

Moeliker heeft, striktere scheiding of niet, nog steeds altijd een verrekijker bij zich, een Leica dit keer. Uit een kakikleurige schoudertas haalt hij nog een ander attribuut: de insectenzuiger, waarmee je een insect kunt opzuigen in een potje om het goed te kunnen bekijken, zonder dat het in je mond belandt. ‘Een slim dingetje. Er was een entomoloog, een insectenkenner, die insecten verzamelde met zo’n zuiger en het presteerde om de eitjes in te ademen. Die verpopten in zijn neusholte en kwamen massaal door zijn neusgat naar buiten.’

Wat verschrikkelijk.

‘Fantastisch. Daar spin ik garen bij, dat vind ik grappig, en ook mooi, omdat het de passie van die wetenschapper illustreert. Hij heeft er wijdlopig over geschreven, wat er allemaal uit zijn neusholten kroop. Van dat soort mensen moeten we het hebben, vind ik.’

We lopen naar buiten, de achtertuin van het museum in, omgedoopt tot Stadsnatuurreservaat, omdat er niet wordt gemaaid en de natuur er zijn gang kan gaan. Hij wijst op een lantaarntje, een libel, ik wijs op een slak. ‘Een segrijnslak’, zegt hij, terwijl hij er een foto van maakt met zijn telefoon, om te documenteren. ‘Op zich een heel algemene soort, maar ik weet niet of hij al in het Stadsnatuurreservaat is waargenomen.’

Daarna haalt Moeliker de insectenzuiger tevoorschijn om een vliegje op te zuigen. Na enkele pogingen is het raak. Ik maak een foto met mijn telefoon. Opgetogen zegt hij: ‘Een onooglijk vliegje, maar ik weet niet welke soort het is, dus het kan zomaar iets bijzonders zijn.’ Hij stopt de insectenzuiger met de levende vlieg erin in de schoudertas. ‘Ik wil weten welke soort het is, dus ik ga hem straks aan een specialist laten zien.’

Later die middag volgt een e-mail:

Hallo Sara,

Helaas is het vliegje dat ik met de insectenzuiger ving in het Stadsnatuurreservaat ontsnapt. Hij moet door het buisje terug gekropen zijn. Slim insect. Nadeel van ‘levend’ verzamelen. Misschien kan ik op de foto die jij maakte zien in welke (vliegen)groep ik moet zoeken.

Het goede nieuws is dat de segrijnslak die jij ontdekte een nieuwe soort is voor het Stadsnatuurreservaat! Het is overal een algemene slak, maar wel de eerste die daar opgemerkt is.

Met groet,

Kees

Naschrift: het vliegje op de foto heeft Moeliker zelfs met de inbreng van specialisten niet op naam kunnen brengen. Hij zit ergens in de familie van de ‘echte’ vliegen en de bloemvliegen. Daarvan zijn in Nederland honderden soorten.

CV Cornelis Willem (Kees) Moeliker

9 oktober 1960 Geboren in Rotterdam.

1973-1978 Havo, Scholengemeenschap Caland, Rotterdam.

1973 Haalt de krant met zijn waarneming van een nijlgans in Rotterdam.

1978-1984 Lerarenopleiding Zuidwest-Nederland in Delft (biologie en geografie).

1986-1989 Docent aan de lerarenopleiding van de Hogeschool Rotterdam.

1989-1995 Educatief medewerker Natuurhistorisch Museum Rotterdam.

1991 Herontdekking van de Boano-vliegenvanger in Indonesië.

1996-heden Columnist en gastauteur voor onder meer NRC, Kijk, Vroege Vogels.

1995-2015 Conservator en hoofd communicatie Natuurhistorisch Museum Rotterdam.

2003 Ig Nobelprijs voor zijn artikel over homoseksuele necrofilie bij eenden.

2006-heden European Bureau Chief van Improbable Research, de organisatie achter de Ig Nobelprijs.

2009 Boek De eendenman.

2009-2010 Presenteert met Frédérique Spigt voor RTV Rijnmond het programma Fauna & Gemeenschap.

2012 Boek De bilnaad van de teek.

2013 TedTalk How a dead duck changed my life.

2015-heden Directeur Natuurhistorisch Museum Rotterdam.

2015 Essay Rotterdamse natuurvorsers.

2016 Boek De kloten van de mus.

2017 Groeneveldprijs (met Jelle Reumer) voor bijdragen aan het debat over natuur in Nederland.

2021 Laurenspenning, Rotterdamse cultuurprijs.

2024 Boek De kikkerkamasutra.

Kees Moeliker is getrouwd en heeft drie dochters. Hij woont in Rotterdam.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next