Home

Iets aan de opgeruimde hoekigheid van een tennisbaan trok me aan

Er zijn van die zomers waarin je leven verandert; je gaat het huis uit, je begint aan je eerste (serieuze) baan, je wordt voor het eerst (echt) verliefd. Wat leest een mens, tijdens dat soort zomers?

Na een lange worsteling met lichaamsbeweging in het algemeen en balsport in het bijzonder ben ik toch bij tennis terechtgekomen. Ik stam af van een familie vol bijziende stilzitters, iets dat mijn goedbedoelende vader probeerde te corrigeren door mij op voetbal te doen. Ik kan me alleen het drijfzandgevoel herinneren van falen terwijl anderen van je afhankelijk zijn.

Maar dat hoeft niet bij tennis, besefte ik toen ik als volwassene nog steeds angstvallig elke sport vermeed. Jij jouw kant, ik de mijne. Als ik faal dan doe ik de ander alleen maar een plezier. En iets aan de opgeruimde hoekigheid van zo’n tennisbaan trok me aan, witte schoenen op rood gravel…

David Foster Wallace schreef in String Theory (2016) dit over tennis: ‘Ik ben van mening dat tennis de mooiste sport is die er is, maar ook de meest veeleisende. Het vereist lichaamsbeheersing, hand-oogcoördinatie, snelheid, uithoudingsvermogen en dat vreemde mengsel van voorzichtigheid en overgave die we moed noemen.’

In het bezit van geen van deze eigenschappen besloot ik toch tennisles te nemen, met een groepje, van Alina, een meisje uit een vampierig Oost-Europees land. Ik zeg meisje omdat ze veel jonger is dan ik. Ze lacht veel en gooit de ballen met chirurgische precisie naar ons toe, die wij vervolgens richting de grond meppen in een beweging die aan tentharingen doet denken, of met een grote boog de lucht in, als waren we een pannenkoek aan het omdraaien.

Wat je moet weten over David Foster Wallace is dat hij met obsessieve aandacht essays geschreven heeft over tennis en tennissers, waarbij hij zijn ogen verliefd over hun uiterlijk laat gaan, hun kleren, hun kleine afwijkingen bij het spelen, zoals een linkerhand die onbewust openspringt elke keer dat de rechter een forehand maakt.

Over de auteur
Charlotte Remarque schrijft voor de Volkskrant over literatuur.

Hij schrijft ook dat je waarschijnlijk denkt dat je weet hoe moeilijk tennis is, als je het een beetje hebt gespeeld. Ja, ik denk dat zeker te weten. Maar je hebt eigenlijk geen idee, schrijft Wallace, hoe moeilijk tennis is als je het écht kunt.

Alina is haar geduld aan het verliezen. Ze verbergt het vakkundig maar ik heb haar door. Ze gaat bijna weg, naar een speciale tennisuniversiteit aan de andere kant van de wereld. Ze zal ons nooit goed zien spelen. Dat besef heeft haar zachtheid geërodeerd.

Er klopt niets van mijn service. Ik laat mijn racket te ver zakken achter mijn rug, waardoor ik kracht verlies. Alina heeft het me al duizend keer verteld. De laatste keer dat ik voor haar serveerde, greep ze ineens mijn racket beet tijdens dat zakken. ‘Te laag’, lachte ze vriendelijk, maar haar grijze ogen waren koel. Mijn arm was verlamd op mijn rug, de bal die ik had opgegooid stuiterde naast mijn voeten. ‘Ik doe het één keer voor.’

Voor het eerst zag ik haar spelen, en begreep ik wat Wallace bedoelde met de ‘compacte nonchalance’ van een sporter die nauwelijks haar best doet. ‘Als een sterke motor in een lage versnelling.’ Voor Alina leek de bal secondenlang in de lucht te hangen, en toen was hij in een flits aan de overkant. ‘Nu jij’, zei ze. Ze lachte niet meer.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant columns

Previous

Next