Home

‘Ik ben veel dichter op de mensen en op het dossier gekropen. Dat is, denk ik, de grote ommekeer geweest’

De menselijkheid terugbrengen in het Groningen­dossier, die taak kreeg staatssecretaris van Mijnbouw Hans Vijlbrief op zijn bordje. In Groningen ontdekte de technocraat zijn zachtere kant. ‘De kunst is om te luisteren naar de mensen die niet schreeuwen’.

Als staatssecretaris van Mijnbouw had Hans Vijlbrief twee jaar lang als belangrijkste doel: definitief stoppen met de gaswinning in Groningen. En toen dreigde dat in het zicht van de haven toch nog mis te gaan.

De Eerste Kamer debatteerde op dinsdagavond 2 april over de wet die de sluiting van het gasveld zou regelen. ‘Laten we niet slechts naar één belang kijken’, zei VVD-senator Caspar van den Berg plotseling, mede namens BBB en de PVV. De partijen hadden vragen over de leveringszekerheid van aardgas, als de kraan in Groningen echt dichtging. Ze wilden de stemming daarom uitstellen.

Verbouwereerd maar fel reageerde Vijlbrief een dag later in de Tweede Kamer. ‘Als het waar is, dan laten we de mensen in Groningen willens en wetens anderhalf jaar extra in onzekerheid’, zei hij. Om te vervolgen: ‘Ik ga een lange vertraging van de Eerste Kamerpolitiek niet meemaken. Dan vertrek ik. Ik accepteer niet dat op onjuiste gronden...’

En toen stokte u, geëmotioneerd. Waar kwam dat vandaan?

‘Uit verontwaardiging. Ik dacht: wat flikken jullie me nu? Zo zijn de verhoudingen niet in dit land. Er zijn 146 zetels in de Tweede Kamer vóór, zullen we even normaal blijven doen met elkaar?

‘De avond daarvoor was ik verbijsterd. De volgende ochtend stond ik op en zei tegen mijn vrouw: als dit doorgaat, treed ik af. Het was een morele grens: dit politieke spel gaat niet gespeeld worden.’

Het raakte ook aan uw belangrijkste belofte.

‘Dat was de diepere laag: ik had beloofd dat de gaskraan dicht zou gaan. Daarom zei ik ook: ik ga mensen in Groningen niet vertellen dat ik mijn belofte niet kan nakomen omdat de Eerste Kamer dat niet wil. Daar ga ik geen verantwoordelijkheid voor nemen.

‘Toen ik tijdens de verkiezingscampagne met een busje door Groningen reed, hoorde ik steeds: wij zijn een wingewest en er worden ons beloften gedaan die niet nagekomen worden. Het wantrouwen zat diep, heel diep. Tot in de nerven.’

Een verhaal van twee werelden: het is de titel van de eerste paragraaf van het tweeduizend pagina’s dikke rapport, dat in februari 2023 verscheen, van de parlementaire enquêtecommissie die de gevolgen van de gaswinning in Groningen onderzocht.

De ene wereld is die van beleidsmakers, politici, regelgevers, uitvoerders, bedrijven en toezichthouders. Die wereld bestaat uit processen en procedures, uit wetten, regels, protocollen en afspraken, uit begrotingen en winst-en-verliesrekeningen. In de andere wereld leven de Groningers, met zorgen over bodemdaling, aardbevingen en veiligheid, en met rompslomp, schade en stress.

‘De twee verhalen verschillen zo wezenlijk van elkaar’, concludeerde de enquêtecommissie, ‘dat ze elkaar maar nauwelijks lijken te raken, terwijl ze in werkelijkheid nauw zijn verweven en op elkaar ingrijpen.’

Vraag het Hans Vijlbrief (60), tijdens ons interview afgelopen juni nog net in functie als staatssecretaris, en hij geeft het ruiterlijk toe. ‘Natuurlijk ben ik een exponent van die eerste wereld’, zegt hij op zijn Haagse werkkamer op het ministerie van Economische Zaken en Klimaat. ‘Een pure technocraat, die heel technocratische functies heeft gehad.

‘Als je thesaurier-generaal bent bij het ministerie van Financiën (schatkistbewaarder, de functie die Vijlbrief van 2011 tot 2018 bekleedde, red.), komt je menselijke kant niet echt tot uiting. En als je in Brussel een Europese top voorbereidt met viceministers van Financiën, kom je niet toe aan de vraag: hoe voel jij je nou eigenlijk?’

Het lijkt een paradox: een ambtenaar in al zijn vezels moest menselijkheid terugbrengen in een dossier dat twaalf jaar lang was overheerst door modellen, protocollen en regelingen. Een dossier bovendien waaruit de basisvoorwaarde voor een goed functionerende overheid – vertrouwen – totaal was verdwenen.

Die man slaagde er als eerste bewindspersoon in een brug te slaan tussen Groningen en Den Haag. Zeker: het tij zat mee, zal hij later erkennen. Namens het kabinet kon hij woord houden door in april het Groningse gasveld definitief te sluiten. Het was allemaal een ‘misverstand’ geweest, verontschuldigde senator Van den Berg zich, na Vijlbriefs dreigement op te stappen. Op 19 april ging de kraan dicht.

Maar dat was niet het enige. Vijlbrief ontdekte het belang van persoonlijk contact – juist in de politiek, waarin het zo vaak om systemen draait. ‘Ik hervond een eigenschap die er altijd wel was, maar die ik was kwijtgeraakt.’

In het kabinet-Rutte IV werd Hans Vijlbrief (D66), daarvoor belast met Financiën, staatssecretaris Mijnbouw. Het klonk als iets van vroeger, ‘mijnbouw’. Zijn volwassen kinderen maakten grappen over een helm en een pikhouweel.

In zijn nieuwe functie kreeg de door de wol geverfde topambtenaar de verantwoordelijkheid over de gaswinning in Groningen, al jaren een hoofdpijndossier in Den Haag. Net als bij de toeslagenaffaire bleek de overheid niet in staat problemen die ze zelf had veroorzaakt op te lossen.

Vijlbriefs start was ronduit vals. Terwijl het kabinet in Den Haag op het bordes stond, stonden duizenden Groningers in digitale en fysieke wachtrijen om in aanmerking te komen voor een subsidie om hun huis mee te kunnen verduurzamen. Ondanks waarschuwingen vooraf van regiobestuurders en Kamerleden was het budget ontoereikend.

De week daarop bezocht Vijlbrief Groningen, voor kennismakingen en een eerste publieke optreden. ‘Beschamend’, noemde hij de gang van zaken met de subsidie in het Provinciehuis, ten overstaan van bestuurders en pers. Onwennig worstelde hij zich langs instanties met afkortingen (‘iets met veel G’s’), zoals men er hier tientallen had zien komen en gaan. Tijdens een fakkeloptocht door de stad, het weekend voor Vijlbriefs bezoek, hadden Groningers nog eens blijk gegeven van hun onvrede over de gang van zaken rond de subsidie en de blijvende onzekerheid over de gaswinning.

Dit leek in niets op het debuut van een man die een omslag teweeg zou brengen. ‘Een nieuwe spits’, zo introduceerde de Groningse commissaris van de koning René Paas hem, die weleens ontspannener kennis had gemaakt. ‘Maar de wedstrijd is pas net begonnen.’

Vijlbrief zelf zei tijdens die entree in Groningen: ‘Ik ben een amateur die pas net komt kijken.’ Dat ze ‘zijn volle inzet’ mochten verwachten, klonk als een winstwaarschuwing. Een journalist vroeg of hij geen ‘offerlam’ was: een politiek stootkussen om de klap en de verantwoordelijkheid van de ongetwijfeld genadeloze parlementaire enquête op te vangen.

‘Ik denk’, antwoordde Vijlbrief, ‘dat ik Groningers veel meer plezier doe door te proberen hun problemen op te lossen.’

Raakte deze klus u meer dan toen u in Rutte III ging over de Belastingdienst?

‘Dit is veel meer onder mijn huid gaan zitten. We zagen al snel dat als we zouden doorgaan op de ingeslagen weg – vanaf een bureau in Den Haag besturen en er zo nu en dan eens heen – we niets zouden opschieten. Eigenlijk had ik vanwege dat subsidiedebacle al na een week door: het moest anders.

‘Ik ben veel dichter op de mensen en op het dossier gekropen. Achteraf had ik dat bij de Belastingdienst ook moeten doen. Dat is, denk ik, de grote ommekeer geweest – voor mij en voor Groningen. Maar dat betekende ook dat het veel meer impact op me had. Ik nam vorige week afscheid van veel mensen in Groningen met wie ik te maken had gehad, bewoners en bestuurders. Dat was behoorlijk emotioneel.’

U besloot algauw regelmatig kantoor te houden in Loppersum. Was dat ook niet een beetje voor de bühne?

‘Dat was zeker niet voor de vorm. Al merkten we dat de vorm wel hielp. Mensen zagen mij, konden me aanspreken. We deden meestal vier gesprekken per dagdeel en bijna zonder uitzondering was er telkens wel één gesprek dat ‘tamelijk stevig’ werd, om het eufemistisch te zeggen. Mensen die boos waren, omdat ze niet verder kwamen met instanties. Of verdrietig, door wat de gaswinning met hun leven had gedaan.

‘Ik voerde die gesprekken via een vast, vrij streng stramien. Ik zei: u hebt twintig minuten, ik ga vooral naar u luisteren en ik beloof u niet dat ik uw probleem ga oplossen. Maar weet één ding: aan uw verhaal heb ik wat voor wat ik verder ga doen in Groningen. Deze wat brute manier van communiceren past bij Groningers, blijkbaar. En bij mij.’

Het leek soms alsof u de verontwaardiging van de Groningers overnam. Niet alleen na de dreigende impasse in de Eerste Kamer, maar ook eerder, in reactie op de parlementaire enquêtecommissie.

‘Ik ben geen acteur. Ik kan emoties niet veinzen. De combinatie van boosheid en strijdvaardigheid, die herken ik.’

Een schoolvriend zei bij uw aantreden: ‘Hans is gepokt en gemazeld in de hoogste lagen van politiek en bestuur. Dit is toch wat anders, met al die boze Groningers.’ Hoe haalde de technocraat die menselijke kant in zichzelf naar boven?

‘Hierover heb ik veel met mijn vrouw gepraat. Zij zei: je hebt het altijd wel in je gehad, dat menselijke, maar het verdween door je werk naar de achtergrond.

‘Ik kom uit een familie van ondernemers. Mijn vader was een goede verkoper. Als we op zaterdagochtend samen door Leiden liepen, legden we in een uur amper een kilometer af, omdat hij steeds werd aangeklampt of zelf mensen aanschoot. Blijkbaar lukt het mij ook makkelijk te communiceren. Dat herontdekte ik eigenlijk in Groningen. Dat de manier waarop ik gesprekken voerde goed viel, dat mensen dat fijn vonden.

‘Ik moet denken aan wat Jan Wigboldus van het Groninger Gasberaad een keer in een interview over mij zei: ‘Ik weet één ding zeker: hij zal ons niet besodemieteren.’ Blijkbaar had ik hem dat gevoel gegeven. Belangenorganisaties klaagden bij mijn aantreden dat ze niet meer aanwezig mochten zijn bij bestuurlijke overleggen. Onzin vond ik dat, dus zei ik: kom er gewoon bijzitten. Zo simpel kan het zijn.

‘Uiteindelijk gaat het wel om wat je bereikt. Mensen hebben weer iets van vertrouwen gekregen. De gaskraan is dicht, schadeherstel is verbeterd. Het is allemaal nog niet ideaal en er moet nog heel veel gebeuren, maar er is echt wel vooruitgang geboekt.’

Hoe was het om op 19 april bij de akker van boer Boon, waar in 1959 het gas was ontdekt, de sluiting van het Groningenveld wettelijk vast te leggen?

Grijnzend: ‘Koud, vooral. Heel Gronings: ik stapte uit in de modder. Maar dit dossier heeft veel historische weerklank. Daarom was het belangrijk om terug te gaan naar die plek. We hadden een tent opgezet in die oude schuur. Die stond helemaal vol met zeer betrokken mensen. Naast mij zat Trijni van der Sluis, de weduwe van Meent (voormalig politicus en sociaal-geograaf, red.), die in de jaren tachtig al waarschuwde voor de gevolgen van de gaswinning.

‘Vorige week kreeg ik nog een briefje van haar. ‘Eindelijk hebben we het gevoel dat er naar ons geluisterd is’, schreef ze. Veel verder kun je niet komen als Haagse bestuurder, denk ik.’

In hoeverre is die omslag nu op uw conto te schrijven?

‘Dat is natuurlijk lastig om over jezelf te zeggen. Ik heb wel een theorie. Geschiedenis is een kabbelende beek en gebeurtenissen die sowieso zouden optreden, worden soms versneld. Door omstandigheden, door mensen. De Sovjet-Unie was sowieso ooit wel gevallen, maar Gorbatsjov versnelde dat proces.

‘Zo is het ook met de gaswinning. Die zou een keer stoppen. Nu wil ik mezelf absoluut niet met Gorbatsjov vergelijken. Maar ik heb wel gezegd: de gaskraan gaat dicht, en ik heb alles daarvoor in het werk gesteld. Ik had ook tegen die Eerste Kamer kunnen zeggen: oké, prima, we wachten er nog een jaartje mee. Dat heb ik niet gedaan.

‘Tegelijkertijd probeer ik in interviews zo veel mogelijk ‘wij’ te zeggen. Er kwam een nieuwe directeur-generaal op het departement, die verantwoordelijk werd voor een versnelde afwikkeling van schade en de versterking van huizen in Groningen. Zij, en ook ambtenaren daaronder, hebben verschil gemaakt. Hetzelfde geldt voor de inbreng en vasthoudendheid van bestuurders uit de regio.’

Voormalig minister Wiebes had al veel technisch voorwerk gedaan om de afbouw mogelijk te maken, en door de parlementaire enquête was de politieke urgentie enorm. Was u op het juiste moment op de juiste plek?

‘Dat probeer ik te zeggen. Tegelijkertijd geloof ik wel dat politici en besluitvormers ertoe doen. Die parlementaire enquête kon ik goed gebruiken. Maar: dat moest nog wel even gebeuren. Ik werd geen ‘offerlam’ – eerder het omgekeerde. Daar ben ik trots op.’

De menselijke maat, ruimte laten voor de leefwereld in de systeemwereld: het zijn nieuwe bestuurlijke clichés. U gelooft er echt in?

‘Het is een cliché, maar het is wel waar. Ik heb campagne gevoerd met de slogan: luisteren naar de zachte stem. Dat is echt een thema voor mij geworden. In geavanceerde maatschappijen is alles zo complex geworden dat we de neiging hebben om het leven van mensen en het systeem uit elkaar te trekken. Om complexiteit te bestrijden met krampachtige regels.

‘De kunst is om als bestuurder die twee werelden weer bij elkaar te brengen. Bijvoorbeeld door heel direct te communiceren en beter te luisteren. Vooral ook naar de mensen die niet schreeuwen.’

Ik was bij zo’n campagnebijeenkomst, in een sportcomplex in Finsterwolde dat vanwege bezuinigingen met sluiting werd bedreigd. Mensen zeiden het allemaal: de politiek moet gewoon lúísteren. Maar ik dacht: ze willen niet alleen dat er naar hen geluisterd wordt, ze willen hun zin krijgen.

‘Er is een precair evenwicht tussen luisteren en populisme. Doen wat iedereen vraagt, dat kan niet. Maar het grappige is: als je de grenzen aangeeft van wat mogelijk is, zoals ik in gesprekken met Groningers deed, vatten mensen dat heel redelijk op. Iedereen begrijpt dat niet alles kan. Wat ze vaak niet goed begrijpen, is hoe de afwegingen tot stand komen en waarom zij dan niet krijgen wat ze willen.’

Schept de belofte om beter te luisteren niet te hoge verwachtingen?

‘De andere kant is dat heel streng zijn voor iedereen ook niets oplost. Dat was wat er in Groningen eerst gebeurde. Het veroorzaakte gedoe, wantrouwen en heel hoge kosten. Dat leidde bijna tot een opstand van mensen die, als hun schadeclaim was afgewezen, met kafkaëske instanties in rechtszaken belandden, met tegenover zich mannen in streepjespak.

‘Ik geloof erin dat een overheid die meer van vertrouwen uitgaat, ook zelf meer wordt vertrouwd. De overheid moet er ook meer zíjn, ter plekke. Waarom vergadert de Tweede Kamercommissie die over Groningen gaat niet in Groningen? Niet alleen voor de vorm, maar om mensen deelgenoot te maken van afwegingen en om aanspreekbaar te zijn.

‘Maar je hebt gelijk, het risico bestaat dat je doorschiet in cliëntelisme en lelijk populisme. Toch, zie wat er nu in het toeslagendossier gebeurt: de Stichting Gelijkwaardig Herstel (de zogenoemde ‘methode-Laurentien’, red.) wordt bekritiseerd, maar levert resultaten op die de overheid eerder niet bereikte. Natuurlijk moet je waken voor willekeur. Maar in het algemeen zijn het bestuurlijke systeem en de mensen om wie het gaat veel te ver uit elkaar gegroeid.’

Hebt u na de Tweede Kamerverkiezingen in november gekeken naar de voorkeurstemmen in Groningen?

‘Ja.’ Na een minzame glimlach: ‘En dat viel tegen.’

In de gemeente Eemsdelta, waar Loppersum in ligt, kreeg u 136 voorkeurstemmen en Geert Wilders 6.425. Zijn kiezers niet ontzettend ondankbaar?

‘Nee, nee, zo zou ik dat niet zeggen. De verkiezingen gingen niet over gaswinning. Ook niet over klimaat – voor mijn partij een belangrijk thema. En ik kon met mijn geloofwaardigheid niet op tegen Wilders’ populistische retoriek.’

Dacht u niet: waar heb ik het allemaal voor gedaan?

‘Natuurlijk denk je dat dan. Drie weken campagne voeren, in dat rotweer...’

Ik bedoel meer: u tweeënhalf jaar inzetten voor Groningen...

‘Nee, het heeft zich niet uitbetaald in harde zetels. Ik had het graag gewild. Maar ik krijg nog steeds veel aardige brieven, en in de noordelijke kranten krijg ik alleen maar lof.’

Is politicus zijn zo’n ondankbaar beroep? U zegt: we moeten luisteren naar de mensen. Maar mogen we van de mensen ook niet iets meer rekenschap verwachten?

‘Het enige wat je daar als consciëntieuze politicus tegenover kunt stellen is de manier van besturen, zoals we het in Groningen hebben gedaan. Dat was de goede manier.’

Het ontneemt u niet de zin om door te gaan?

‘Zeker niet. Ik ga de Tweede Kamer in. Zeker met dit kabinet moet daar een stevige oppositie zijn.’

Gaat u zich daar bemoeien met Groningen?

‘Nee, dat is heel ongebruikelijk.’

Het lijkt me best lastig, om iets dat u zo in de greep nam los te laten.

‘Dat is zo. Maar het is echt ongepast. Je weet dingen. Ik word woordvoerder financiën, terug naar mijn roots. In het toeslagendossier is ook nog genoeg te doen.’

Laat u Groningen achter met een gerust hart?

‘Er is veel in gang gezet. We hebben afgesproken om dertig jaar lang te investeren in Groningen. Maar er moet ook nog veel gebeuren. Het lijkt nu alsof het een job done is. Dat klopt voor een deel: de gaswinning is gestopt. Maar er zit nog een enorme staart aan. Met name het versterken van huizen loopt nog steeds niet goed.

‘En we hebben inmiddels wel geleerd in Den Haag dat de uitvoering natuurlijk veel belangrijker is dan we achter de bureaus geneigd zijn te denken. Maar: er komt weer een aparte staatssecretaris. Dat vind ik bemoedigend.’

CV Hans Vijlbrief

1963 Geboren in Voorschoten
1987 Doctoraal economie, Vrije Universiteit Amsterdam
1992 Promotie economische wetenschappen, Vrije Universiteit Amsterdam
1992-2010 Diverse functies op ministerie van Economische Zaken
1999-2001 Onderdirecteur Centraal Planbureau
2011-2018 Thesaurier-generaal ministerie van Financiën
2018-2020 Voorzitter Eurogroepwerkgroep, Brussel
2020-2022 Staatssecretaris Financiën, kabinet-Rutte III
2022-2024 Staatssecretaris Mijnbouw, kabinet-Rutte IV
2023-heden Tweede Kamerlid D66

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next