Met overmacht won baanwielrenner Harrie Lavreysen vrijdagavond de olympische titel op de sprint. Het is zijn vierde goud, te danken aan zijn imposante benen, snelheid en efficiëntie.
Daar staat Harrie Lavreysen (27), hoog op de Franse wielerbaan, met zijn wielerschoenen op het hout en een vergeten helm op de vloer achter zich. Hij veert ietsjes door zijn machtige benen, en hup, daar tilt hij zijn fiets hoog in de lucht. Hij heeft zojuist zijn olympische finale op de sprint gewonnen, en daarmee zijn vierde gouden medaille veroverd. ‘Wat fucking vet, wat lekker’, denkt hij. En hij beweegt zijn fiets boven zijn hoofd juichend op en neer.
Hij moest hier winnen. Niet voor anderen, niet voor al het oranje op de tribune – ‘net alsof ik hier in Nederland fiets’ – niet vanwege de verwachtingen die dit jaar groter zijn dan ooit, niet omdat mensen tegen hem zeggen dat hij hier, op de Olympische Spelen van Parijs, voor ‘Harries Hattrick’ zal zorgen door op alle drie de onderdelen waaraan hij meedoet goud te bemachtigen. Nee, hij moest hier winnen, ‘gewoon van mezelf, niet van iemand anders. Maar, vandaag, was, zo, zo vet.’
Over de auteur
Lisette van der Geest is sportverslaggever voor de Volkskrant en schrijft over olympische sporten als schaatsen, zwemmen en tennis.
Eerst was er woensdagavond de teamsprint met ploeggenoten Jeffrey Hoogland en Roy van den Berg. Olympisch record, wereldrecord, zonder twijfel de beste. Vrijdagavond had hij onderdeel twee: de sprint. Dat gaat in principe over drie omlopen, drie rondjes en dan man tegen man, tenzij een renner aan twee races al voldoende heeft om de winst binnen te slepen. De Australiër Matthew Richardson, zijn tegenstander, is bepaald niet de minste. Lavreysen had aan twee races voldoende.
Daarmee prolongeert Lavreysen zijn olympische titels van drie jaar geleden. In Tokio in 2021 was hij ook de beste op de teamsprint en de sprint, destijds nam hij het in de finale op tegen Hoogland in een Nederlands onderonsje. Hoogland strandde in de strijd om het brons, moest het in drieënhalve race afleggen tegen Jack Carlin – de derde race werd een herstart, nadat de Brit halverwege volledig van zijn lijn was geweken en Hoogland voor de sokken reed.
Lavreysen is hier op een missie. Hij probeerde het toernooi zo zuinig mogelijk door te komen, spaarde energie waar hij kon, vertelt hij, trappend op een rollerbank; een inklapbaar systeem waar hij zijn fiets op kan zetten om op dezelfde plek zijn benen rond te trappen en zo snel mogelijk uit te werken.
Om die reden fietste hij tot de finalerondes van vandaag ook met een lichter verzet. ‘Zodat ik me niet te vroeg opblaas.’ Een zwaarder verzet is ook zwaardere belasting op zijn spieren. ‘En ik ben flexibeler met lichter verzet. Dat vind ik wel lekker, die mogelijkheid.’
Dat streven naar efficiëntie maakte hem zenuwachtiger voor de halve finale tegen Carlin dan in de finale daarna. Hij wilde niks fout doen, zo fris mogelijk uit die halve finale komen. ‘Ik wist: in de finale moet ik los. Eindelijk met mijn krachten smijten’, zegt hij, waarna een ongelovig lachje klinkt. Twee keer won hij met overmacht.
Hij kent Richardson; de Australiër is twee jaar jonger en Lavreysen noemde hem op voorhand al een van zijn grootste concurrenten hier. ‘Ik ben niet vaak verslagen de afgelopen paar jaar, maar als het gebeurde, was dat door Matthew’, zegt hij.
Aan zijn vorm twijfelde hij niet, dat had de teamsprint al bewezen. ‘Je weet dat je snel bent, maar het is zo’n tactische sport, je bent zo bang voor een fout.’ Daar heeft hij zenuwen voor: voor de kans om fouten te maken. Dat wil hij niet. Hij is de snelste, dat hadden de tijden hem al lang laten weten. Maar het gaat in de sprint ook om het tactisch afrekenen met een tegenstander. Om het op het juiste moment aangaan van de sprint, of om je niet te laten overrompelen. ‘En ik wil gewoon vol rijden. Ik heb geen fout gemaakt. Dat vind ik fantastisch.’
Het onvoorspelbaarste onderdeel heeft Lavreysen nog voor de boeg: de keirin. In dat wielernummer brengt een zogenaamde derny, een brommertje, een groep van zes op gang en verlaat vervolgens de baan, waarna de renners sprinten om de winst. Op de keirin komt het meer aan op tactiek, geluk en acties van tegenstanders dan bij de teamsprint en sprint. In 2021 in Tokio bemachtigde Lavreysen hierop het olympisch brons.
‘Ook als ik er morgen uitvlieg, dat, uh’, zegt hij, voordat hij zichzelf al pratende corrigeert: ‘Nou ja, dat boeit me wel, maar nee, ik ga lekker genieten.’
Hij schudt zijn hoofd, stamelt nog maar eens: ‘Vierde goud. Het is gewoon onwerkelijk. Ik weet: ik doe er alles voor. Dan dacht ik: of het nou wel of niet lukt, het maakt niet uit. Ik heb er alles voor gedaan, maar dat het dan gewoon weer lukt is onwerkelijk.’
Zaterdag draait het weer om efficiëntie, vertelt hij al trappend. ‘Ik hoop morgen met een ritje door te komen en dan zien we het zondag wel.’ Zaterdag kan hij zich met een goede uitslag direct kwalificeren voor het finaleprogramma van zondag. ‘Ik wil door. Maar eerst dit vandaag vieren. Ik wil hier wel bij stilstaan.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant