Wat zijn dit voor vragen? Naar aanleiding van een nieuwe reeks van zijn televisieprogramma Nederland op film, acht dilemma’s voor taalkundige Wim Daniëls.
Nederland op film of Het dorp?
‘Voorop staat dat ik heel blij ben dat ik de kans heb gekregen om tv-programma’s te maken. Ik kom niet uit de tv-wereld. In 2019 schreef ik een boek over de geschiedenis van het dorp in Nederland. Voor Omroep Max was dat aanleiding om een serie over veranderingen in dorpen te maken, Het dorp. Met Huub Stapel croste ik op een motor met zijspan door het land. We hadden een goede interactie. En hetzelfde gevoel voor humor, hoewel hij uit Limburg komt en ik uit Brabant.
‘In Het dorp kon ik wel meer van mezelf leggen dan in Nederland op film, maar ook dat programma vind ik prachtig om te maken, met een geweldige regisseur, Feije Riemersma. We laten amateurfilmpjes zien uit de tijd voor de komst van de videocamera en ik interview mensen die in die filmpjes te zien zijn.
‘Op foto’s uit mijn jeugd zie ik de eenvoud van destijds ook terug. Aarle-Rixtel trekt me nog steeds aan. Ik woon hier heerlijk in Eindhoven, maar ik fiets vaak naar het dorp, naar de plek waar ik vandaan kom.’
Over de auteur
Paul Onkenhout is verslaggever van de Volkskrant. Hij schrijft over media, muziek en populaire cultuur.
Hóúdoe of houdóé?
‘Hóúdoe. De klemtoon moet op de eerste lettergreep liggen. Wie het anders uitspreekt, is geen Brabander. Het is dialect, maar het heeft een grote status gekregen. Houdoe heeft zelfs de Dikke van Dale gehaald en studenten uit Brabant nemen het mee naar de rest van het land.
‘Houdoe is een verkorting van hou du goed. Ik gebruik het zelf vaak, bij de bakker en zo. Nee, niet in het westen, hoewel ik het er vast weleens per ongeluk uitflap. Ik ben een dialectspreker gebleven. Dat komt ook door mijn vrouw. We komen uit dezelfde buurt en praten altijd dialect met elkaar.
‘Ik vind het een fijn woord, houdoe, maar het is niet mijn favoriete Nederlandse woord. Dat is fiets.’
Stadsfiets of racefiets? (1)
‘Racefiets. Renfiets zeggen we hier in Brabant. En dan zeg ik er ook nog een merk bij: RIH. Sommige mensen denken dat het een afkorting is van Rijwiel Industrie Holland, maar dat klopt niet. Het merk is in 1921 opgezet door jongens uit de Amsterdamse Jordaan. De naam namen ze over uit de boeken van Karl May, waarin een paard met die kreet wordt aangevuurd.
‘Mijn RIH kocht ik tweedehands bij een fietsenmaker in Someren. Ik was er trots op en het was zó’n goeie fiets. Ik heb hem later aan mijn broer gegeven, als fietsliefhebber was hij nog fanatieker dan ik. Als adspirant heb ik de Ronde van Gerwen gewonnen, een klassieker onder de criteriums. Het publiek stond bij criteriums destijds rijendik langs de kant.
‘Ik ben altijd van de fiets blijven houden. Ik wist ook niet beter dan dat je fietste. We hadden thuis geen auto of brommer, dat was onbetaalbaar en niemand taalde er ook naar. Als ik meedeed aan de Acht van Chaam, ging ik er op de fiets heen.’
Kolenboer Martien van Ganzenwinkel of Mientje van Oekel van de fourniturenwinkel?
‘In De vervlogen tijd schrijf ik over mijn jeugd in Aarle-Rixtel, zij waren daar bekende figuren. Alleen al vanwege de gong in haar winkel kies ik voor Mientje. Als je de deur opende, klonk die gong. Het was alsof je in een land in Azië was beland. Als ik in Aarle-Rixtel mensen van mijn leeftijd spreek en het gaat over Mientje, beginnen ze ook altijd over die gong.
‘Als de gong was gegaan, stapte Mientje vanuit de achterkamer de winkel binnen. Ik kwam er vaak om iets voor mijn moeder te halen, een klosje garen of breiwol of een ritssluiting of een knoopje. Dan trok Mientje een van de vele laatjes open en pakte ze het. Ze kon altijd alles onmiddellijk vinden, een mirakel; het was echt een gouden winkel.
‘Martien van Ganzenwinkel en Jan, zijn neef, kwamen elke maandag kolen en briketten bij ons brengen. Ze kregen koffie, net als iedereen. Voordat ze gingen zitten, legden ze een zakdoek op de stoelzitting. Vanwege het sjouwen van die zakken waren ze smerig. Martien zette het kopje altijd naast het schoteltje. Hij had een glazen oog, dat haalde hij eruit en legde het dan op het schoteltje. Onvergetelijk.
‘Ik geef veel voordrachten over dorpen en overal hoor ik hetzelfde. Dit soort kleurrijke figuren bestaan niet meer. Het is alsof ze ergens anders zijn ondergebracht, ze zijn totaal verdwenen. In mijn dorp heb ik er veel meegemaakt. We woonden schuin tegenover Janske en Drikaatje, twee excentrieke zussen. Ze gingen met de bus naar Veghel, 25 kilometer verderop, omdat het brood daar 2 cent goedkoper was. En ze reden met een kinderwagen met een pop erin door het dorp, ze hadden geen kinderen.
‘Drika was getrouwd met een man die Janus heette. Janus wilde op een dag messenwerper worden. Hij zette Drika tegen een deur aan en begon messen naar haar toe te gooien. Dat soort bizarre dingen.’
Nostalgie of melancholie?
‘In melancholie blijf je een beetje hangen. En het heeft iets verdrietigs. Ik kies voor nostalgie, hoewel het een neiging oproept om het verleden te verheerlijken.
‘Het was allemaal niet zo mooi als je denkt dat het was, ook in mijn dorp niet. Ik ben nooit vergeten hoe een jongen van kleur eind jaren zestig werd uitgescholden door een man die in het dorp in het bestuur zat van een vakantieclub. Jongens en meisjes gingen nogal vrij met elkaar om, daar wilde die man een einde aan maken. Hij kwam aanstormen en pikte de jongen van kleur eruit. Het was afschuwelijk, ik denk er nog weleens aan terug.
‘Nostalgie is hartstikke selectief, narigheid wordt vaak weggezuiverd. Mijn vader werkte 51 jaar lang bij dezelfde fabriek in Helmond, de Nedschroef. Hij ging er prat op dat hij daar het zwaarste werk deed. Hij was galvaniseur en moest bouten en moeren onderdompelen in een bad zoutzuur. Hij werd gewoon vergiftigd. Om het gif te bestrijden kreeg hij van de baas twee liter melk per dag. Was hij nog hartstikke blij mee ook. Mijn vader had altijd de fabrieksgeur om zich heen hangen.
‘Mijn moeder bracht de laatste jaren van haar leven in een verpleeghuis in Helmond door, ze was dement. Aan de ene kant van het kanaal stond dat verpleeghuis, aan de andere kant de fabriek. Ik ruik ons vader, zei ze een keer. Toen was hij al tien jaar dood. Mensen in fabrieken werden opgeofferd. Dat zijn geen dingen om nostalgische gevoelens over te hebben.’
Stadsfiets of racefiets? (2)
‘Ik heb twee boeken over fietsen geschreven en anderhalf jaar lang, tot mei van dit jaar, een theatervoorstelling gespeeld, Filosofietsen. Ik hou vooral van de geschiedenis van de fiets, hoe het ding is ontstaan en zich heeft ontwikkeld. Ik vind het ook gewoon mooi om te zien, een fiets. Beneden in de kelder staat een fietsje dat ik ooit tweedehands voor mijn zoon kocht. Hij is inmiddels 35. Doe toch weg, zegt hij, maar daar is het fietsje veel te mooi voor. Het liefst zou ik het hier in de kamer zetten.’
Ruud van Nistelrooij of Willy van der Kuijlen?
‘Altijd Willy van der Kuijlen. Er komt weer wat nostalgie om de hoek kijken. Ons huis in Aarle-Rixtel had een blinde muur, ideaal om een bal tegenaan te trappen. Ik heb daar úren doorgebracht met Willy in gedachten, vooral om mijn linkerbeen te ontwikkelen. Willy was tweebenig, dat wilde ik ook zijn. En hij was een goeie vent, iets te bescheiden misschien voor de voetbalwereld.
‘Ik ga niet zo vaak meer naar PSV. Een vriend met twee seizoenkaarten vraagt vaak of ik met hem meega, maar achter ons zit een man die voortdurend loopt af te geven op de spelers. Ze hoeven maar iets fout te doen of hij gaat los. Vooral die ene rechtsback, een Bulgaar, ja, Manolev, kreeg ervan langs. Het is niet fijn om daar te zitten.
‘Ik ga een enkele keer liever naar Helmond Sport, ja, echt. Helmond is ook mijn favoriete stad. De club begint elke keer weer vol goede moed aan het seizoen, met bijvoorbeeld een nieuwe directeur of een nieuwe trainer. Elke keer valt het tegen, maar ze blijven hoopvol.’
Friet of patat?
‘Friet, ik weet niet beter. Frietje met, zeggen wij als we er mayonaise bij willen. Een vriend van mij, professor Jos Swanenberg, heeft uitvoerige artikelen geschreven over de grens tussen friet- en patatzeggers. Die ligt ruwweg bij de grote rivieren.
‘Hier in Eindhoven loopt het steeds meer door elkaar, veel mensen zeggen inmiddels patat. Dat komt door de toenemende mobiliteit, mensen blijven niet meer hun hele leven op één plek wonen. Ik woon tegenover een flatgebouw waarin veel mensen uit het buitenland een appartement huren die bij ASML werken, en trouwens ook Peter Bosz, de trainer van PSV. Daar is Engels goeddeels de voertaal.
‘Kijk, dialecten in Nederland zijn door de grote mobiliteit ten dode opgeschreven. Dat is jammer, maar het is onvermijdelijk. De vraag is of het Nederlands niet het volgende slachtoffer wordt.’
Nederland op film, vanaf 9/8, 19.50 uur, NPO 2. Vijf afleveringen.
Wim Daniëls
1954 Op 11 oktober 1954 geboren in Aarle-Rixtel
1980 - 1987 Leraar Nederlands en Duits
1994 Fulltime schrijver, taaladviseur en presentator
1994 – nu Schrijver van zo’n 125 boeken, merendeels taalgerelateerd
2009 – 2014 Column in radioprogramma Spijkers met koppen
2018 – Schrijver Groot Dictee der Nederlandse Taal
2019 Ereburger Aarle-Rixtel
2020 Eerste roman, Quarantaine
2021 – 2022 Presentator tv-programma Het dorp (met Huub Stapel)
2021 – Presentator Nederland op film
Wim Daniëls is getrouwd en woont in Eindhoven. Hij heeft een zoon en een dochter.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant