Elke zomervakantie denk ik terug aan het eerste seizoen van de realityserie Oh Oh Cherso. Ik herinner me de flarden van de afleveringen die ik kon zien voordat mijn moeder wegzapte. In onze huiskamer was geen plaats voor gezuip, gescheld en mediterraan rondgeslaap. ‘Mama’, dacht ik, maar zei ik niet, ‘hoe moet ik morgen meepraten op school, als ik pas kan meelachen om Barbie en Matsoe Matsoe nadat ik heb moeten vragen wie dat precies zijn?’
Als jongen uit de Bijlmer zat ik op een middelbare school in Amsterdam Oud-Zuid omdat ik in Diemen een havoadvies had gekregen. Ik kwam daarmee op genoeg scholen binnen, maar voor mijn vader was het alsof de deur naar educatieve verheffing voor mijn neus was dichtgegooid. Waarom kreeg ik, die zijn goede opvoeding meenam naar de klas en altijd met mooie rapporten thuiskwam, niet minstens havo/vwo? Een echt vwo-kind moest zich blijkbaar nooit van zijn schoolwerk laten afleiden door zijn vrienden.
Op de basisschool bestond mijn vriendengroep uit een witte Nederlander, een jongen die je tegenwoordig ‘dubbelbloed’ noemt, twee (Afro-)Surinamers en Dan, de Ghanees. Omdat onze hechte eenheid deels als bron van mijn onderpresteren werd aangewezen, vond ik het wel terecht dat ik naar de andere kant van de groot-Amsterdamse wereld werd gezonden.
Diemen ligt tussen de Bijlmer en het binnenringse Amsterdam. Het herbergt eerstegeneratiemiddenklassers, mensen met een vluchtverleden, kinderen van voormalige gastarbeiders, kinderen van het Nederlandse koloniale verleden en de klassieke, witte arbeidersklasse. Een moksi hutspot, die je enkele decennia geleden zo’n beetje overal in het nog breed volkse Amsterdam trof.
Hier was ik thuis, op school in het gevoelsmatig homogene Oud-Zuid was ik dakloos. Lang dacht ik dat het aan mijn huidskleur lag, maar de laatste jaren besef ik dat ik goeddeels financieel op mijn tenen liep. Niemand zei met een mes op mijn keel dat ik de nieuwe Vespascooter of Woolrichjas moest kopen, maar er zijn weinig alumni die zullen ontkennen dat ze deze stalen druk op hun puberhuid voelden.
In de zeven jaar daar vond ik toch mijn plek, hangend op de flanken, niet supercool maar ook niet meer vervreemd. Met mijn salaris van de Albert Heijn in Diemen veroorloofde ik me een op zichzelf staande hipheid, die uitdrukkelijk niet wedijverde met de P.C. Hooftstraat-stijl.
Tot mijn Appie-contract niet werd verlengd, net toen ik elke cent nodig had voor de examenreis. Ik stak mezelf in de schulden en werkte – zonder het een schoolgenoot te vertellen – alle weekenden en de hele zomer na Mallorca bij de McDonald’s. Halverwege de examenreis werd ik teruggeroepen door mijn vader: voor de matchingsdagen op de Universiteit van Amsterdam mocht ik me niet laten afleiden door zuipen op mediterrane zonstranden.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns