Paul Onkenhout en John Schoorl schrijven elke week over een liedje waarvan de titel bestaat uit alleen een voornaam. In Georgie wordt smachtend een knipperlichtrelatie bezongen.
Georgie, there was a time you played our love
Remember, I'm not a record you can play and turn it off
Georgie, Pussycat (1976)
Een van de meest besproken uiterlijke kenmerken in de jaren zeventig was een spleetje; het spleetje tussen de tanden van een Limburgse zangeres die met Pussycat vanuit mijnwerkersdorp Treebeek een groot deel van de wereld veroverde. Een diasteem, heet het. Tonny Willé werd er voortdurend mee geconfronteerd, niet alleen in de spiegel.
In maart 1976 probeerde het AD het succes van de zeven leden tellende band - vier muzikanten en drie zingende zussen – te duiden. De weemoedige countrysong Mississippi was, tot afgrijzen van alle nationale poprecensenten, een wereldhit geworden. De mogelijke verklaring van het AD: het ‘veelbesproken sexy spleetje tussen de tanden van solozangeres Tonny’.
Natuurlijk was het de muziek die de doorslag gaf, de Limburgse country met de meerstemmige zang plus het charisma en de wat hese stem van de blonde frontvrouw. Nog een pré, verwoord in het boek Dutch Mountains van Peter Voskuil over de Nederlandse platenindustrie: de eenvoud.
De zussen waren the girls next door, ‘zangeressen die er niet al te glamoureus uitzien, maar wel fantastisch zingen en het publiek het gevoel geven alsof hun dochters daar morgen ook zouden kunnen staan’. Tonny Willé, in 1999 in De Gelderlander: ‘Wij deden niet mee aan seks, drugs en rock-’n-roll. Voor ons was het breien, lezen en kaarten.’
Het Limburgse zevental maakte halfweg de jaren zeventig een sprong naar een groot internationaal publiek. Marianne, Betty en Tonny konden hun banen als telefoniste bij chemieconcern DSM opzeggen. De vier mierzoete knallers waren van de hand van de productieve huisschrijver Werner Theunissen: Mississippi, namenliedje Georgie, Smile en My Broken Souvenirs. In Georgie wordt een knipperlichtrelatie smachtend vergeleken met een plaat die desgewenst van de draaitafel kan worden gehaald.
Mijnwerkersdochters waren de zussen niet, maar het had gekund. Marianne (1951), Betty (1952-2024) en Tonny Veldpaus (1953, later noemde ze zich Tony en, meest recent, Toni) groeiden op inTreebeek. In het dorp, later opgegaan in de gemeente Brunssum, was de een na grootste steenkolenmijn van het land gevestigd, staatsmijn Emma.
Hun vader overleed kort voor de geboorte van Tonny en hun moeder hertrouwde met Steffan Kowalczyk. Van de Poolse mijnwerker kregen ze zijn liefde én een pittige muzikale impuls. Voor hun verjaardagen schonk hij ze gitaren - het begin van alles en de aanzet tot de oprichting van het trio De Drie Zingende Zusjes.
Vijftien miljoen platen verkocht Pussycat wereldwijd, maar de bandleden werden er niet rijk van. Zoals zo vaak waren het de platenbazen die hun zakken vulden. Tonny trouwde met bandlid Lou Willé (en scheidde jaren later van hem) en bleef na het einde van Pussycat in 1985 actief in de muziekwereld. Betty, eerder dit jaar overleden, koos voor een bestaan als huisvrouw, Marianne opende in Brunssum een café.
Van de hits van Pussycat beklijfde Mississippi het meest. Als zijn vrouwelijke alter ego Annie de Rooij zong Paul de Leeuw in 1995 een aangepaste versie van het nummer in de film Filmpje, Mis m’n slipje. Annie was haar onderbroek kwijt, vandaar.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant