Een broeierig warme nacht, paar dagen geleden. Ik word uit mijn slaap gehaald door lawaai van buiten. Muziek, harde stemmen, gerinkel van glas, een brommertje dat heen en weer rijdt. Op een bankje tegenover mijn huis zitten een paar jongens Albufeiraatje te spelen. „Ramen dicht”, adviseert mijn man. Maar nee, ik ben kwaad, ik wil eropaf. Onderweg denk ik aan de buurman (1 meter 90) in mijn vorige huis die gewoon „opsodemieteren, nu” zei toen er eens twee jongens midden in de nacht onder zijn slaapkamerraam zaten te roken en drinken. En daar gingen ze.
Het zijn er vier. De kleinste, op zijn brommer, lijkt me een dealertje. De andere drie zijn van het type tussenjaar, dan Delft of Leiden, dan een goedbetaalde baan. Naast hen op straat twee bierkratjes met lege flesjes. Om hen een walm van sigaretten en wiet. Ze staan op als ik bijna bij hen ben en zeggen: „Goedenavond.” En ik zeg: „Opsodemieteren, nu.”
Ze zijn diep verontwaardigd. Ze vinden me erg onaardig. Ze willen best overwegen om weg te gaan, maar eerst eisen ze excuses. „U bent zo onbeleefd tegen ons.”
Ik zeg nog een keer dat ze moeten opsodemieteren, maar ik weet al dat ik verloren heb.
‘Wat doe ik verkeerd, mevrouw?”, zegt de kleinste op zijn brommer. „Dit is de openbare weg. Ik mag net zo vaak heen en weer rijden als ik wil.” Hij geeft gas en rijdt een paar rondjes.
Na tien minuten bel ik de politie. Ze komen wel even kijken, zeggen ze, en daar staan we dan, alle vijf, vol verwachting langs de kant van de weg, turend van links naar rechts. Ja! Daar zijn ze! We zwaaien en zwaaien, maar ze zien ons niet en rijden door. Serieus, hè. De politiewagen rijdt door. „Miauw, miauw”, zegt de stakker van het stel tegen mij. Hij stapt weer op zijn brommer en rijdt om me heen, terwijl ik afdruip naar mijn huis. De muziek gaat weer aan, Danny de Munk, ‘Ik voel me zo verdomd alleen’, de jongens brullen keihard mee.
Hoe liep het af?
Binnen zette ik een kopje kamillethee en bleef vanachter de gesloten balkondeuren van de woonkamer naar ze kijken. Toen zag ik mijn man naar ze toe lopen. Er werd wat gepraat, er werden handen geschud en bínnen een minuut waren ze alle vier weg. De lege bierkratjes namen ze mee.
„Wat zei je tegen ze?”, vraag ik als hij terug is.
„O”, zegt hij. „Dat ze wel moe zouden zijn en dat het tijd werd om te gaan slapen.”
De volgende ochtend werd ik wakker met een gevoel van schaamte. Het duurde even voor ik begreep waar dat vandaan kwam. Nu weet ik het. Het is de schaamte na de vernedering.
Jannetje Koelewijn vervangt deze week Gemma Venhuizen.
Source: NRC