Home

‘Door de serie over de Joodse Raad besefte ik dat de leden niet per se slechte mensen waren’

Na het zien van een dramaserie over de Joodse Raad stelde opperrabbijn Binyomin Jacobs zijn mening bij over het omstreden instituut. ‘Ik ben tot de conclusie gekomen dat ik het al die tijd verkeerd had gezien.’

Had hem er een jaar geleden naar gevraagd en hij zou stevig gereageerd hebben, zeer stevig. De Joodse Raad? Dat was een verderfelijk instituut geweest, een instituut dat de Duitsers tijdens de Tweede Wereldoorlog had geholpen bij de deportatie van de Nederlandse Joden, een werktuig van de nazi’s, geleid door Joodse notabelen, ‘schurken’ die vooral bezig waren hun eigen hachje te redden.

Maar nu? Nu denkt opperrabbijn Binyomin Jacobs daar heel anders over. De bekroonde dramaserie van de EO over de Joodse Raad haalde het beeld dat de opperrabbijn van huis uit en vanuit de Joodse gemeenschap had meegekregen volledig onderuit. ‘Ik ben tot de conclusie gekomen dat ik het al die tijd verkeerd en ongenuanceerd heb ingezien’, zegt hij in de woonkamer van zijn rijtjeshuis. ‘Wat is daar mis mee? Niets. Integendeel.’

Over de auteur
Rik Kuiper is regioverslaggever van de Volkskrant in de provincies Utrecht en Flevoland.

Toch is de ommezwaai opvallend. Allereerst omdat de orthodoxe Jacobs een van de belangrijkste vertegenwoordigers van de Joodse gemeenschap in Nederland is, en daarmee een moreel baken. Maar ook omdat het beeld van de Joodse Raad als kwaadaardig instituut al ver voor de tv-serie door wetenschappers is genuanceerd.

Recentelijk nog publiceerde Bart van der Boom een alom geprezen boek over de geschiedenis van de Joodse Raad. In De politiek van het kleine kwaad tekent de Leidse historicus uit welke motieven de leden hadden om met de vijand mee te werken. Ze hoopten bijvoorbeeld de opgelegde maatregelen te kunnen verzachten of vertragen.

De Wending

In deze serie interviews spreekt de Volkskrant met mensen die de afgelopen ­periode een grote verandering meemaakten.

Ook dachten ze door assistentie te verlenen bij de deportaties ergere dingen te kunnen voorkomen. Zoals razzia’s, waarbij willekeurige Joden als ‘strafgeval’ werden opgepakt en afgevoerd naar een werkkamp in Mauthausen, waarvan bekend was dat veel mensen er bezweken aan dwangarbeid. Een tewerkstelling in het oosten leek daarom de minst slechte optie. Dat de trein naar Auschwitz of Sobibor voor velen een enkeltje gaskamer betekende, wisten ze bij de raad niet.

Voor Jacobs was dit allemaal nieuwe kennis. ‘Ik heb sinds mijn jeugd een bepaald beeld van de Joodse Raad ingeprent gekregen’, zegt de opperrabbijn. ‘Daarna heb ik me nooit uitgebreid in de geschiedenis ervan verdiept.’

Geen gestreepte pyjama

Binyomin Jacobs werd geboren in 1949, als eerste en enige kind van Joden die de oorlog in de onderduik hadden overleefd. ‘Mijn moeder zat bij goede mensen in Friesland. Mijn vader bij verkeerde mensen in Amsterdam. Ze kregen van het verzet bonnen om eten voor de onderduikers te kopen. Maar die bonnen verkochten ze op de zwarte markt. Mijn vader heeft veel honger geleden.’

Jacobs groeide op in de Ferdinand Bolstraat in Amsterdam, waar zijn vader een zaak had als opticien. Hij werd beschermd opgevoed, net als zijn gehele generatie. ‘Zij hadden geleden, dus wij mochten niet lijden. We mochten niet ziek zijn en niet van de trap vallen en moesten altijd op tijd op school komen.’

Na het gymnasium studeerde hij aan Talmoedhogescholen in Frankrijk, de VS en Israël. Hij keerde terug naar Nederland, waar hij in 1975 een aanstelling kreeg als rabbijn in Amersfoort. Daar ging hij ook werken bij het Sinai Centrum, het enige Joodse psychiatrische ziekenhuis in Europa. Er werden daar vooral Joden met oorlogstrauma’s behandeld, zegt hij. ‘Daarom droegen de zusters geen laarzen, de patiënten geen gestreepte pyjama’s en hadden we ook geen douches.’

Jacobs werd in 2008 benoemd tot opperrabbijn bij het Interprovinciaal Opperrabbinaat. Hij is voorzitter van het Rabbinaal College voor Nederland en verbonden aan de European Jewish Association en publiceert columns en dagboekaantekeningen, onder meer op de website van het Nieuw Israëlietisch Weekblad (NIW).

Hoe werd er vroeger bij u thuis over de Joodse Raad gesproken?

‘Er werd niet veel gesproken, maar het werd me wel duidelijk dat de Joodse Raad niet deugde. En dat is ook niet zo vreemd. Vergeet niet dat de familieleden die de adviezen van de raad hadden gevolgd, allemaal waren vermoord. Mijn ouders hadden ervoor gekozen de oproepen van de raad te negeren, net als vrijwel alle andere Joden die de oorlog hebben overleefd. Er was geen discussie: de Joodse Raad had met de moffen samengewerkt en daardoor waren veel Joden in de gaskamers beland.’

Waarom luisterden uw ouders en grootouders niet naar de Joodse Raad?

‘Dat weet ik niet precies. Voor de oorlog studeerde mijn vader in Frankrijk en hij ging toen een keer met een Duits-Joodse vriend mee naar Duitsland. Hitler was toen al aan de macht. Hij zag wat er gaande was en hij vertrouwde het blijkbaar niet. Ook de vader van mijn moeder moest weinig van de Duitsers hebben. Toen de eerste vliegtuigen in 1940 overvlogen, zei hij: ‘We gaan eraan!’ Hij wist direct dat het foute boel was.’

De Joodse Raad werd in februari 1941 door de nazi’s in het leven geroepen om de Joodse gemeenschap te besturen en bevelen van de bezetter uit te voeren. Zo riep de raad Joden vrij snel op de wapens in te leveren en zich keurig aan de Duitse regels te houden. Later hielp de raad bij de distributie van de verplichte Jodensterren en de selectie van Joden voor deportatie, waarbij een pijnlijk onderscheid werd gemaakt tussen ‘misbare en onmisbare Joden’.

Na de oorlog – toen duidelijk werd dat meer dan honderdduizend gedeporteerde Nederlandse Joden niet meer zouden terugkeren – ontvlamde de kritiek op de Joodse Raad. De twee voorzitters, hoogleraar David Cohen en diamanthandelaar Abraham Asscher, werden verguisd omdat ze te weinig weerstand hadden geboden tegen de Duitsers. Velen zagen Cohen en Asscher als medeplichtig aan de Holocaust.

Dat gold ook voor opperrabbijn Jacobs. Hoe diep dat gevoel zat, bleek toen hij bestuurslid was van een Joodse school. De school had in de jaren negentig gedoe met de inspectie en daarom kwam ook de wethouder van Onderwijs op bezoek. Dat was Rob Oudkerk, de kleinzoon van David Cohen. ‘Ik had er een naar gevoel bij’, zegt Jacobs. ‘Ging deze man ons vertellen hoe we onze kinderen moesten opvoeden? Na alles wat zijn grootvader had gedaan?’

Heeft u dat ook tegen hem gezegd?

‘Nee, dat niet. Maar dat gevoel leefde wel bij me. Zijn grootvader had 80 procent van mijn familie de gaskamers in gebonjourd.’

Daar kon Rob Oudkerk toch niets aan doen?

‘Nee, je kunt hem niet verantwoordelijk stellen voor de daden van zijn grootvader. En toch bekroop dat gevoel me. Dat is niet goed, maar ik ben ook gewoon een mens. Toen Oudkerk jaren later in politieke problemen kwam en moest opstappen als wethouder, had ik geen medelijden. Zie je wel, dacht ik. Boontje komt om zijn loontje.’

Drie decennia later, in november 2023, bezocht Jacobs een voorvertoning van De Joodse Raad, een dramaserie geschreven door Roos Ouwehand en geregisseerd door Paula van der Oest. In de serie, die gebaseerd is op historisch onderzoek, staan de verhalen van David Cohen en zijn dochter Virrie centraal. Cohen wordt neergezet als een gezagsgetrouwe man die blijft proberen erger te voorkomen terwijl het allerergste zich buiten zijn zicht al voltrekt. Zijn dochter (de moeder van Rob Oudkerk) redt als medewerker van een Amsterdamse crèche honderden Joodse kinderen door onderduikadressen voor ze te zoeken.

Na het zien van de serie stelde u uw beeld van de Joodse Raad bij. Waarom?

‘Ik besefte dat de Joodse Raad het weliswaar hopeloos fout had gedaan, maar dat de leden niet per se slechte mensen waren. Ze zaten daar niet om hun eigen hachje te redden. Ze probeerden continu de Duitsers aan het lijntje te houden en de boel te vertragen, omdat ze dachten dat de geallieerden binnen drie maanden zouden komen en de oorlog dan voorbij zou zijn. Die redenering herken ik wel, van mijn vader. Hij zat met zijn ouders ondergedoken in Amsterdam, terwijl ze ook naar Friesland hadden gekund, waar het veel veiliger was. Maar ook zij dachten: het is zo voorbij.’

U vindt de Joodse Raad nog steeds een foute club?

‘Ik zeg niet dat het slechte mensen waren. Achteraf bezien mogen we wel concluderen dat ze fout hebben gehandeld.’

Valt dat ze te verwijten, gezien de kennis die ze op dat moment hadden?

‘Dat zeg ik niet. Dat weet ik ook niet. Ik ben opgevoed met het idee dat die mensen schurken waren. Maar ik heb in de serie gezien dat ze zich constant afvroegen of ze het wel goed deden. En hoe ze misbruikt werden door de nazi’s. Wat had de raad anders moeten doen, gillen en brullen? Ik snap het pappen en nathouden. Alleen heeft het volledig verkeerd uitgepakt.’

Cohen beweerde dat ze waarschijnlijk helden waren geweest als de oorlog veel eerder zou zijn afgelopen. Dan hadden ze met hun beleid duizenden Joden gered. Had hij een punt?

‘Ja, daar ga ik volledig in mee.’

En tegelijkertijd vindt u dat ze fout hebben gehandeld?

‘Ja. Neem dat verhaal van de tuinman van Auschwitz, die bij de Joodse Raad aanklopte om te vertellen hoe het er in het concentratiekamp aan toeging. Cohen had de tijd moeten nemen om naar hem te luisteren. Maar hij deed zulke verhalen af als spookverhalen. Anderzijds: in oorlogen zijn veel spookverhalen. Dat dit geen spookverhaal was, is ook achteraf redeneren.’

Na afloop van die voorvertoning bent u op Rob Oudkerk afgestapt, die daar ook aanwezig was.

‘Klopt. We hebben elkaar de hand geschud. En dat was een heel emotionele hand. Voor hem, omdat hij als kleinzoon jarenlang verketterd is in de Joodse gemeenschap. En voor mij, omdat ik hem ten onrechte had veroordeeld. Ik wist ook helemaal niet dat zijn moeder zoveel mensen had gered. We zijn daarover in gesprek geraakt. En daarna zijn we vrienden geworden.’

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next