Home

Door steeds nieuwe eisen is het subsidiesysteem voor de kunsten uitgegroeid tot bureaucratisch doolhof

Geen wonder dat vanuit de kunstsector de roep klinkt om een eenvoudiger subsidiestelsel.

De schaarste is weer verdeeld. Met het toekennen van de Amsterdamse kunstsubsidies vorige week komt een eind aan de hete subsidiezomer van 2024, waarin Rijk, fondsen en gemeenten hun vierjaarlijkse cultuurfinanciering voor de periode 2025-2028 verdeelden. Dit keer nog onder gunstig politiek gesternte – een uitloper van het beleid van voormalig staatssecretaris Gunay Uslu (D66), maar dat kan na 2028 heel anders zijn.

De toekomst voor de kunsten is in het huidige politieke klimaat op z’n minst ongewis – met de dreigende btw-verhoging en het uitkleden van de Geefwet als meest concrete zorgen. Maar er is één zekerheid, nu en straks, en dat is dat er te weinig geld is om alle makers en organisaties te ondersteunen die dat volgens de adviescommissies wél verdienen.

Deze ronde kent interessante accentverschuivingen – meer geld naar de regio, in Amsterdam meer ‘buiten de ring’, maar feit is dat grofweg een derde van de aanvragers misgrijpt. Vooral het Fonds Podiumkunsten en het Fonds Cultuurparticipatie hebben pijnlijke keuzes moeten maken, waardoor er weliswaar verheugende nieuwkomers worden verwelkomd, maar de sector ook vrijwel alle talentorganisaties in de klassieke muziek verliest. Dit salomonsoordeel vellen is een helse taak voor de fondsen, die met bezwaard gemoed ‘de schaarste verdelen’, zoals ze het zelf noemen.

Vernieuwing is mooi, maar wispelturigheid ligt op de loer: van de zeventig instellingen die de afgelopen periode voor het eerst structureel ondersteund werden door het FPK, valt bijna de helft alweer af – zo wordt het voortbestaan van culturele instellingen een kansspel.

Voor elke nieuwe aanvraagronde zijn makers en instellingen minstens een jaar aan het denken, plannen en schrijven. Van organisaties die nu buiten de boot vallen, is het voortbestaan al per januari 2025 onzeker. Het kost een instelling minstens tien jaar om daarvan te herstellen. Het is de vraag hoe redelijk en duurzaam dat is.

En zo zitten er meer haken en ogen aan een complex en versnipperd systeem. Als gevolg van steeds weer nieuwe eisen is de subsidiesystematiek uitgegroeid tot een bureaucratisch doolhof, dat elke paar jaar veel tijd en denkkracht vraagt. Belangenorganisatie Kunsten ’92 schatte onlangs in een opiniestuk in Trouw dat de kosten voor dit vierjaarlijkse subsidiecircus zo’n 100 miljoen euro bedragen. Op een totaal van jaarlijks circa 500 miljoen aan rijkssubsidies voor de kunst zijn die transactiekosten te hoog.

Geen wonder dat vanuit de kunstsector de roep klinkt om een eenvoudiger subsidiestelsel. Kunsten ’92 stelde voor om de ‘kunstenplanperiode’ te verlengen van vier tot zes jaar. De Raad voor Cultuur opperde begin dit jaar om alle cultuurgelden na 2028 onder te brengen in één groot Rijkscultuurfonds, naar voorbeeld van de Britse ‘arts council’.

In aantocht naar Prinsjesdag weten we nog weinig over de plannen van het kabinet voor de kunst, behalve dat het – in het gunstigste geval – bij schaarste zal blijven. Het is te hopen dat cultuurminister Eppo Bruins (NSC) de sector in elk geval een heldere langetermijnvisie gunt. Minister Bruins moet werk gaan maken van het cultuurbeleid: niet door te slopen, wel door slim en duurzaam te verbouwen.

In het Volkskrant Commentaar wordt het standpunt van de krant verwoord. Het komt tot stand na een discussie tussen de commentatoren en de hoofdredactie.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next