Na de winnende inhaalrace van Femke Bol op de 4x400 meter gemengd kreeg ik zaterdag last van een zekere treurigheid: ik zag het niet meer zitten met de Olympische Spelen, voor mij mocht de olympische vlam worden uitgeblazen. Het had veel weg van een postorgasmisch syndroom: Femke Bol weet niet wat ze aanricht met haar idiote eindsprints. Vorig jaar deed ze in Boedapest bij het WK al een keer iets soortgelijks, maar dat leek een eenmalig wonder. De tegenstander weet op een gegeven moment dat Femke de laatste honderd meter iedereen die voor haar loopt inhaalt, en gaat zich daarop instellen, bijvoorbeeld door haar de kop op te dringen zodat er voor Femke niemand is om in te halen en ze in verwarring raakt.
Over de auteur
Bert Wagendorp is voormalig sportverslaggever van de Volkskrant, oprichter van wielertijdschrift De Muur en auteur van wielerroman Ventoux. Hij schrijft wekelijks een sportcolumn. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Wat gebeurt er in het hoofd van Femke Bol op het moment dat ze het stokje krijgt aangereikt van loper nummer drie en er op grote afstand een paar razendsnelle atletes sprinten die de eindstreep al bijna hebben bereikt? Waarom zinkt de moed haar niet in de schoenen, waarom gooit ze het stokje niet gewoon weg? Wat brengt haar ertoe de achtervolging in te zetten?
Dit: ze vindt het leuk. Femke Bol schept er een groot genoegen in de dromen van haar tegenstanders kapot te maken. Die vrouwen hebben ook jarenlang keihard getraind en dan vindt Femke het wel fijn om ze even duidelijk te maken dat het allemaal voor niets is geweest. Dat is een onsympathiek trekje van Femke Bol, maar topsport kent nu eenmaal geen mededogen.
Het leek er zaterdagavond op dat ze het eerst 250 meter rustig aan deed en rustig afkoerste op de vierde plek, wat ook lang niet slecht zou zijn geweest. Maar toen leek het alsof ze werd overgenomen door een mysterieuze kracht die haar onweerstaanbaar naar voren stuwde. Het grote wonder van Femke Bol schuilt erin dat ze zichzelf op zulke momenten kan bijhouden.
Eerst dacht ik dat Femke met een beetje mazzel nog brons zou kunnen halen. Toen begon ik te dromen van zilver – de BBC-verslaggever riep dat de Amerikaanse té ver voor lag. Maar toen begon Bol serieus jacht op haar te maken en hoorde ik mezelf opeens schreeuwen – terwijl ik dat niet meer had gedaan sinds Joop Zoetemelk wereldkampioen werd in 1985. Op het moment dat Bol Brown passeerde was ik niet langer toerekeningsvatbaar.
‘Mooier gaat het niet worden’, dacht ik, misschien is het beter dat we naar huis gaan met z’n allen. Een hoogtepunt is een hoogtepunt, het heeft geen zin nóg hoger te willen reiken. Maar toen bedacht ik dat we ook nog de 4x400 meter voor vrouwen krijgen en trok mijn depressie over.
Het gevaar is, dat je eraan gaat wennen dat Nederland een supersonische slotloper heeft die de zaken even rechttrekt. Ik hoop nu al dat bij de 4x400 meter vrouwen de eerste drie Nederlandse lopers het kalmpjes aan doen, zodat Femke Bol als allerlaatste aan de wedstrijd moet beginnen en ze de moeder van alle inhaalraces op het kunststof zal leggen; dat de tegenstanders even een windvlaag voelen en zich afvragen wat dat was: Femke Bol, op weg naar goud.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant