Donderdag overleed de 94-jarige Jürgen Ahrend, de absolute grootmeester van de historische orgelbouw. Dat de bescheiden Duitse ambachtsman zich de taal van de barok volledig verstond, was onder andere te zien in zijn restauratie van het orgel van de Martinikerk.
Ze wisten niet wat ze hoorden, de orgelliefhebbers die in 1984 weer naar het geheel gerestaureerde orgel van de Groningse Martinikerk luisterden. Wat een schittering zat er in de klank. In de daaropvolgende jaren zou het orgel bekend komen te staan als een van de mooiste orgels ter wereld; in 2019 werd het door de Volkskrant bekroond tot het mooiste van Nederland.
Van een restauratie kon je eigenlijk niet eens meer spreken: het was een langdurige renovatie geweest waarin het instrument weer naar de barokke staat werd teruggebracht, in ieder geval in klinkend opzicht.
De man die voor die renovatie verantwoordelijk was, was Jürgen Ahrend. Donderdag is hij op 94-jarige leeftijd overleden. De in Geismar (bij Göttingen) geboren Duitser, die zijn werkplaats in het Oost-Friese Leer-Loga had, was de absolute grootmeester van de historiserende orgelbouw, een als bescheiden ambachtsman met ringbaard vermomde klankkunstenaar die met pijpjes kon toveren en zich de taal van de barok volledig had eigengemaakt.
In de Groningse Martinikerk borduurde hij voort op het werk en concept van de meesterbouwer Arp Schnitger (1648-1719). Ook het Schnitgerorgel van de Sint-Jacobikerk in Hamburg zou je net zo goed een Ahrend-orgel kunnen noemen. In 1942 verwijderden de Hamburgers al het pijpwerk preventief uit de orgelkas, die later met de kerk zou afbranden. In de heropgebouwde kerk kwam een nieuwe orgelkas, en het was aan Ahrend om met de oude pijpen weer een overtuigend geheel te maken. Het meesterwerk trekt orgelfans van over de hele wereld.
Ahrend was vooral actief in Noord-Duitsland en Nederland. Met zijn later naar Canada geëmigreerde compagnon Gerhard Brunzema trok hij in 1958 de aandacht met een orgel voor de Scheveningse Zorgvlietkerk, geheel gebouwd in Noord-Duitse barokstijl. Er volgden onder meer instrumenten voor de Oude Kerk van Amsterdam (transeptorgel) en de Doopsgezinde Kerk in Haarlem. Toch waren het vooral de restauraties waarmee Ahrend op zou vallen. De orgels van de Waalse Kerk in Amsterdam, de Hooglandse in Leiden, het gotische orgel van Rysum en de ‘Schnitger’ in Norden (beide in Oost-Friesland): ze zouden nooit zo mooi hebben geklonken zonder Ahrends kunde.
‘Hij was heel consistent in wat hij deed’, zegt organist Stef Tuinstra over Ahrend, die hij kende sinds de jaren zestig. ‘Zijn vroegste instrumenten waren eigenlijk al goed, hij hoefde daar later nooit veel aan te doen. Hij had al snel die klank gevonden die hij wilde en die de norm is geworden. Hij had een onvoorstelbaar begrip van klank.
‘Een van de dingen die hij al vroeg had uitgevonden, was dat in historische orgels de luidheid moet oplopen bij de hogere toetsen. De basklank hoeft helemaal niet zo sterk te zijn. Daardoor komen in Ahrends orgels de melodiestemmen er altijd mooi bovenuit. Het klinkt altijd heel feestelijk.’
Volgens Tuinstra was Ahrend een introverte man, wars van uiterlijk vertoon. ‘Hij gaf zijn kennis graag door. Maar hij wist tegelijkertijd ook dat hij zoveel wist, dat hij in één gesprek nooit zoveel kon vertellen dat iemand al zijn geheimen zou ontfutselen.’
Aan het orgel van de Martinikerk werden door Ahrend ook nieuwe registers toegevoegd, ongeveer 40 procent is van hem. Dat het orgel de reputatie van aangetast instrument had, gaf Ahrend juist de vrijheid om al het materiaal naar zijn hand te zetten en waar nodig te herschikken. Tuinstra: ‘Dan had een register nog maar één pijpje over, de speelfluit 4-voet op het rugwerk, en wist hij er toch een fantastisch klinkend geheel van te maken, net alsof je de 16de eeuw hoort.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant